Loonheffingen. Diverse onderwerpen

Besluit / beleidsregel, Fiscaal | 26-08-2010 | Loonbelasting en premieheffing

Directoraat-generaal Belastingdienst, Brieven en beleidsbesluiten

Besluit van 26 augustus 2010, nr. DGB2010/2527M, Staatscourant 2010, 13579

De minister van FinanciŽn heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een samenvoeging van het besluit van 9 februari 2007, nr. CPP2007/283M, over de tabel voor bijzondere beloningen en over eindheffing en van het besluit van 19 juli 2007, nr. CPP2007/1439M, over een studentenkaart. Nieuw is een onderdeel over de levensloopregeling, waarin ook een goedkeuring is opgenomen (zie onder 2). Ook trek ik een aantal besluiten in die niet meer van belang zijn.

1 Inleiding

Dit besluit bevat enkele uiteenlopende onderwerpen over de loonheffingen. Niet eerder gepubliceerd is een onderdeel over de levensloopregeling (zie onder 2). Hierin is ook een goedkeuring opgenomen. Verder vervangt dit besluit de besluiten van 9 februari 2007, nr. CPP2007/283M en 19 juli 2007, nr. CPP2007/1439M met onderdelen over de toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen, de aanwijzing van een studentenkaart en de eindheffing (zie onder 3, 4 en 5). Deze onderdelen zijn niet inhoudelijk gewijzigd.

In te trekken besluiten zijn (zie onder 6):
- het besluit van 28 oktober 1987, nr. DB87/1087 over kostenvergoedingen bij werkervaringsprojecten. Dit besluit heeft zijn belang verloren door wetswijziging;
- het besluit van 13 april 1989, nr. DB88/5105 over de dienstbetrekking van enquÍteurs. Dit besluit had slechts een informatief karakter;
- het besluit van 24 juni 2004, nr. CPP2004/822M over de daggeldvergoeding van chauffeurs onder de CAO Besloten busvervoer. Dit besluit heeft zijn belang verloren;
- het besluit van 21 februari 2005, nr. CPP2005/60M over de Stichting Aanvullende verzekeringen bij de CAO Contractcatering. De CAO is geŽxpireerd;
- het besluit van 21 februari 2005, nr. CPP2005/64M over het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds bij de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur van mobiele kranen. De CAO is geŽxpireerd;
- het besluit van 11 mei 2006, nr. CPP2006/479M met daarin diverse intrekkingen. Dit besluit heeft zijn belang verloren;
- de besluiten van 9 februari 2007, nr. CPP2007/283M en van 19 juli 2007, nr. CPP2007/1439M, waarvan de inhoud in dit besluit is opgenomen.

1.1 Gebruikte begrippen en afkortingen

AWR

Algemene wet inzake rijksbelastingen

levensloopaanspraak

aanspraak ingevolge een levensloopregeling

levensloopregeling

levensloopregeling als bedoeld in hoofdstuk IIC van de Wet LB

loonheffing

loonbelasting/premie volksverzekeringen

loonheffingen

loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

URLB

Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

vergelijkbare werknemers

werknemers die in dezelfde omstandigheden verkeren, afgezien van een bijdrage van de werkgever ten behoeve van een levensloopregeling

werkgever

inhoudingsplichtige voor de loonheffingen

Wet LB

Wet op de loonbelasting 1964

2 Levensloopregeling en de bijdrage van de werkgever

Bij levensloopregelingen geven werkgevers daarvoor vaak een bijdrage aan hun werknemers, de zogenoemde levensloopbijdrage. Aan de onbelastheid van de levensloopbijdrage verbindt de wet onder meer de voorwaarde dat de werkgever in dezelfde mate een bijdrage verstrekt aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren.
Over de levensloopbijdrage zijn op het moment van toekenning alleen premies werknemersverzekeringen verschuldigd. Voor de niet-deelnemers behoort de bijdrage op het genietingsmoment tot het loon voor alle loonheffingen.

Het komt voor dat een werkgever een of meer werknemers een levensloopbijdrage verstrekt die hoger is dan de levensloopbijdrage aan vergelijkbare werknemers, die niet deelnemen aan de levensloopregeling. De tekst van artikel 19g, zesde lid, onderdeel c, van de Wet LB, is dan zo te lezen dat alle levensloopaanspraken in de heffing betrokken moeten worden. Dat zou ook gelden voor de deelnemers aan de levensloopregeling die niet een hogere levensloopbijdrage hebben ontvangen dan de overige werknemers die niet deelnemen aan de levensloopregeling maar die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren. Ik acht dat een ongewenst gevolg.

Goedkeuring
Op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) keur ik goed dat artikel 19g, zesde lid, onderdeel c, van de Wet LB, buiten toepassing blijft op de levensloopaanspraken van de deelnemers aan een levensloopregeling die geen hogere levensloopbijdrage krijgen dan vergelijkbare werknemers die niet deelnemen aan de levensloopregeling.

Deze goedkeuring geldt niet voor de levensloopaanspraken van werknemers die wel een hogere levensloopbijdrage kregen dan vergelijkbare werknemers. Die levensloopaanspraken behoren wel tot het loon voor de loonheffingen (zie artikel 19g, zesde lid, onderdeel c, van de Wet LB).

3 Toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen (artikel 26 van de Wet LB)

3.1 Bijzondere gevallen

De inhouding van loonheffing over bepaalde beloningen vindt plaats met toepassing van een tabel voor bijzondere beloningen (zie artikel 26 van de Wet LB).

De toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen kan tot een hoger heffingspercentage leiden dan het percentage dat past bij het loon over het lopende jaar in de volgende twee gevallen.
- Het loon bestaat geheel dan wel voor een belangrijk deel uit bestanddelen die volgens de tabel voor bijzondere beloningen worden belast.
- Het jaarloon dat voor de toepassing van de tabel voor de bijzondere beloningen in aanmerking wordt genomen is belangrijk hoger dan het jaarloon over het lopende jaar.

Goedkeuring
Op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) keur ik het volgende goed voor de in onderdeel 3.1 vermelde situaties.
De werknemer kan de voor hem bevoegde inspecteur verzoeken een lager heffingspercentage vast te stellen dan de tabel voor bijzondere beloningen aanwijst. De inspecteur machtigt daarop de werkgever de onder de tabel voor bijzondere beloningen vallende loonbestanddelen te belasten naar dat lagere heffingspercentage.

voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden.
- De werknemer overlegt bij zijn verzoek een berekening. Uit de berekening blijkt dat door de te hoge heffing over de bijzondere beloningen de in te houden loonheffing de vermoedelijk verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen met 10% of meer, maar in ieder geval met ten minste Ä 227 zal overtreffen indien een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zou worden opgelegd.
- Bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen blijft buiten beschouwing een eventueel negatief saldo van uitsluitend voor de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in aanmerking te nemen bestanddelen van het inkomen uit werk en woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang.
- Het verschil tussen de in te houden loonheffing en de vermoedelijk verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen komt niet voort uit aftrekposten die in beginsel kunnen leiden tot een voorlopige teruggaaf.

4 Studenten- en scholierenregeling; aanwijzing internationale studentenkaart

Onder voorwaarden kunnen werkgevers gebruik maken van de studenten- en scholierenregeling voor buitenlandse studenten (zie artikel 64 van de URLB).

Een voorwaarde voor de toepassing van de regeling is het maken van een afschrift van een aangewezen internationale studentenkaart. In dit besluit wijs ik op grond van artikel 64 van de URLB een internationale studentenkaart aan.

4.1 Aanwijzing internationale studentenkaart

Voor de toepassing van de studenten- en scholierenregeling wijs ik op grond van artikel 64, tweede lid, onderdeel d, van de URLB, als internationale studentenkaart aan: de ISIC (International Student Identity Card).

In artikel 64, derde lid, onderdeel d, van de URLB staat de verplichting een kopie te maken van de internationale studentenkaart. De werkgever kan door het maken van een kopie van de ISIC aan deze verplichting voldoen. Studenten die niet in het bezit zijn van een ISIC kunnen deze aanvragen bij een afgiftepunt. De afgiftepunten staan vermeld op http://www.isic.org.

5 Eindheffing

5.1 Terugbetaling vergoeding van aan- en verkoopkosten bij einde dienstbetrekking (artikel 84, onderdeel a, van de URLB)

Een werkgever moet de loonheffing over een vergoeding van de aan- en verkoopkosten bij een zakelijke verhuizing van zijn werknemers door middel van eindheffing berekenen en afdragen (zie artikel 84, onderdeel a, van de URLB). Als een werknemer na verloop van tijd ontslag neemt en de vergoeding moet terugbetalen, kan de werkgever de eerder afgedragen eindheffing niet terugkrijgen. De vergoeding werd in het verleden immers terecht in de eindheffing betrokken.

De terugbetaalde vergoeding vormt op het moment waarop de werknemer deze terugbetaalt, wel negatief eindheffingsloon. Het gevolg hiervan is dat de werkgever de eindheffing als negatief bedrag in zijn aangifte loonheffing mag opvoeren, naar het tarief op het moment waarop de terugbetaling plaatsvindt. Het opvoeren van dit negatieve bedrag aan eindheffing mag er niet toe leiden dat een negatieve aangifte loonheffing ontstaat. In dat geval kan de werkgever een afzonderlijk verzoek om teruggave doen.

5.2 Schade die niet pleegt te worden verzekerd (artikel 84, onderdeel d, van de URLB)

Eindheffing is ook verplicht over uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van schade ten gevolge van overstromingen, aardbevingen en dergelijke, die niet pleegt te worden verzekerd (zie artikel 84, onderdeel d, van de URLB).

Bij de niet specifiek aangeduide schadeoorzaken hoeft het naar mijn oordeel niet steeds te gaan om schade als gevolg van een natuurramp. Met de toevoeging ďen dergelijkeĒ is bedoeld de op de werknemer drukkende schade die niet pleegt te worden verzekerd en die een niet voorzienbaar, plotseling opkomend onheil als oorzaak heeft, zoals dat ook het geval is bij overstromingen en aardbevingen.

6 Ingetrokken regelingen

De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
- besluit van 28 oktober 1987, nr. DB87/1087;
- besluit van 13 april 1989, nr. DB88/5105;
- besluit van 24 juni 2004, nr. CPP2004/822M;
- besluit van 21 februari 2005, nr. CPP2005/60M;
- besluit van 21 februari 2005, nr. CPP2005/64M;
- besluit van 11 mei 2006, nr. CPP2006/479M;
- besluit van 9 februari 2007, nr. CPP2007/283M;
- besluit van 19 juli 2007, nr. CPP2007/1439M.

7 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 26 augustus 2010.

De minister van FinanciŽn.
J.C. de Jager.