Voorwaarden voor aanwijzing als pensioenregeling van pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden, zoals bedoeld in artikel 19d, onderdeel b, van de wet op de loonbelasting 1964.

 

Directoraat-generaal Belastingdienst

Team ondernemingen

 

Besluit van 15 augustus 2002, nr. DGB2002/1407M

 

De staatssecretaris van Financin heeft, in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het volgende besloten.

Inleiding

Bij de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen, per 1 juni 1999, is de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Financin zodanig beperkt dat pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden niet langer kunnen worden aangewezen als pensioenregeling. Hierdoor is de aanspraak belast en is de vervangende pensioenpremie niet langer aftrekbaar. Als gevolg van overgangsrecht wordt de situatie van vr 1 juni 1999 voor toen bestaande gevallen vooralsnog gecontinueerd tot 1 juni 2004. Artikel 19d, van de Wet op de loonbelasting 1964 is per 1 januari 2001 uitgebreid met de mogelijkheid pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet financiering volksverzekeringen, te kunnen aanwijzen. In mijn brief van 3 november 2000, aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kenmerk AFP 2000-00852M) heb ik aangegeven dat aan aanwijzing voorwaarden zullen worden verbonden, waarbij, rekening houdend met het ontbreken van een verzekeringskarakter, zoveel mogelijk wordt gestreefd naar een gelijke behandeling van pensioenregelingen en pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden.

 

 

Voorwaarden

 

Aan de aanwijzing van pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden als pensioenregelingen in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 verbind ik de volgende voorwaarden:

         Op de aan te wijzen regelingen zijn de bepalingen van hoofdstuk IIB en van art. 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing voorzover de aard van de afwijkende regeling zich daar niet tegen verzet.

         De opbouw van pensioenvervangende uitkeringen geschiedt op basis van te storten spaarbedragen.

         De spaarbedragen die voor de pensioenvervangende uitkeringen kunnen worden gestort, worden bepaald overeenkomstig de premies die voor een niet-gemoedsbezwaarde werknemer op grond van het pensioenreglement aan de pensioenverzekeraar verschuldigd zijn.

         Ingeval de werkgever alleen een pensioenvervangende regeling voor gemoedsbezwaarden heeft, worden de spaarbedragen ten hoogste gesteld op de bedragen die kunnen worden berekend op basis van mijn besluit van 4 november 2000, nr. RTB2000/969M. Hierbij dienen de staffels uit bijlage I van dat besluit te worden geschoond van de daarin opgenomen opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

         De spaarbedragen worden gestort op een rekening ten name van de (gemoedsbezwaarde) werknemer. Deze rekening kan worden aangehouden bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964.

         Ingeval stortingen worden verricht voor zowel ouderdoms-, nabestaanden- en wezenpensioen vervangende uitkeringen, als voor uitkeringen die een tijdelijk overbruggingspensioen of een prepensioen vervangen, dienen de stortingen voor de tijdelijke overbruggingsuitkering en voor de vervangende prepensioenuitkering separaat te worden geadministreerd.

         De gespaarde bedragen voor de tijdelijke overbruggingsuitkering en voor de vervanging van het prepensioen worden na het bereiken van de in de regeling opgenomen pensioenleeftijd in gelijke termijnen aan de werknemer uitgekeerd. De uitkeringsperiode is daarbij gelijk aan de periode tot aan de datum waarop de ouderdomspensioenvervangende uitkering in gaat of uiterlijk waarop de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.

         Het gespaarde bedrag voor de vervangende uitkering van het ouderdoms-, nabestaanden- of wezenpensioen wordt aansluitend aan het bereiken van de in de regeling opgenomen pensioenleeftijd in gelijke termijnen uitgekeerd gedurende ten minste 15 en ten hoogste 25 jaar.

         Bij het overlijden van de uitkeringsgerechtigde werknemer voordat de uitkeringen zijn ingegaan, worden de spaarbedragen aangewend voor een uitkering aan de in de regeling genoemde nabestaande, als bedoeld in artikel 18b van de Wet op de loonbelasting 1964. De periode waarover voor de nabestaande een uitkering wordt vastgesteld bedraagt ten minste 15 en ten hoogste 25 jaar. Ingeval geen sprake is van een nabestaande maar wel van n of meer wezen als bedoeld in artikel 18c van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt het gespaarde kapitaal aangewend voor een uitkering aan de wezen. Voor de uitkeringsperiode dient te worden aangesloten bij de pensioenregeling. Bij afwezigheid van nabestaanden of wezen wordt het gespaarde kapitaal aangewend voor een eenmalige uitkering aan de erfgenamen. Het eenmalig uit te keren bedrag wordt belast overeenkomstig het bepaalde in artikel 18a, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

         Bij overlijden van de werknemer nadat de uitkeringen zijn ingegaan wordt de betaling van de vastgestelde uitkeringen voor de nog resterende periode voortgezet ten behoeve van de in de regeling opgenomen nabestaande als bedoeld in artikel 18b van de Wet op de loonbelasting1964. Indien een nabestaande ontbreekt geschiedt de uitkering ten behoeve van de in de regeling vermelde wezen als bedoeld in artikel 18c van de Wet op de loonbelasting 1964. Bij afwezigheid van nabestaanden of wezen wordt het nog niet tot uitkering gekomen spaarbedrag aangewend voor een eenmalige uitkering aan de erfgenamen. Het eenmalige uit te keren bedrag wordt belast overeenkomstig het bepaalde in artikel 18a, negende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

 

De aanwijzing geldt zowel voor regelingen van gemoedsbezwaarde werkgevers, die aan de werknemers geen pensioentoezegging willen doen op basis van een verzekering, als voor regelingen voor gemoedsbezwaarde werknemers.

 

Uitvoering

 

De pensioenvervangende regelingen voor gemoedsbezwaarden die voldoen aan de hiervoor genoemde voorwaarden, zijn aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 mits ook het pensioenreglement voor de niet-gemoedsbezwaarde werknemers voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964.

 

Voor een regeling die niet reeds op 1 juni 1999 bestond, geldt dat na aanpassing van de regeling aan de voorwaarden van dit besluit, uiterlijk vr 31 december 2002, de aangepaste gemoedsbezwaardenregeling met terugwerkende kracht vanaf aanvang af als een aangewezen pensioenregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt aangemerkt

 

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19c van de Wet op de loonbelasting 1964 kan, als zekerheid vooraf wordt gewenst, een oordeel van de Belastingdienst worden gevraagd. De pensioenvervangende regeling inclusief het pensioenreglement voor de niet-gemoedsbezwaarde werknemers dient dan te worden gezonden naar de voor de werkgever bevoegde eenheid van de Belastingdienst.