Inkomstenbelasting. Loonheffingen. Pensioenen; niet-ingehouden pensioenbijdragen

 

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

 

Besluit van 16 maart 2007, nr. CPP2007/482M, Stcrt. nr. 60

 

De staatssecretaris van FinanciŽn heeft het volgende besloten.

 

Dit besluit vervangt twee besluiten over vrijwillig betaalde bijdragen voor aanvullende pensioenrechten. Het betreft de besluiten van 10 augustus

2001, nr. CPP2001/1770 en 20 november 2002, nr. CPP2002/1303M. Om de administratieve lasten te verminderen is de verplichte jaarlijkse indiening van diverse verklaringen afgeschaft. Een verklaring is voortaan alleen nodig als de inspecteur daarom verzoekt. Ook trek ik twee besluiten in die niet meer van belang zijn, namelijk het besluit van 26 april 1999, nr. DB99/1273M en het besluit van 8 juli 2004, nr. CPP2004/874M.

 

1. Inleiding

 

In een aantal situaties betalen belanghebbenden aan pensioenverzekeraars bijdragen voor pensioenregelingen waarbij sprake is van een verband met de loon/diensttijdnorm. De betalingen vinden plaats buiten de inhoudingssfeer. In deze situaties zouden de bijdragen niet tot het loon in de zin van de Wet LB behoren als ze wel op het loon zouden zijn ingehouden. Die situaties beschrijf ik hierna in onderdeel 2. In onderdeel 3 geef ik onder voorwaarden een goedkeuring voor aftrek van de bijdragen in de inkomstenbelasting.

 

Lijst van gebruikte begrippen en afkortingen

 

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

 

loonheffing†† loonbelasting/premie volksverzekeringen

loonheffingen††††††††† loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

UBLB†††††††††††† Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965

Wet IB 2001† Wet inkomstenbelasting 2001

Wet LB†††††††††† Wet op de loonbelasting 1964

Wet VPL††††††† Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/ prepensioen en introductie levensloopregeling

 

2. Niet-ingehouden pensioenbijdragen

 

De in onderdeel 1 bedoelde situaties zijn de volgende:

 

a. Deeltijdwerkers en andere werknemers die gedurende zekere tijd uitgesloten zijn geweest van deelname aan een pensioenregeling mogen pensioentekorten herstellen door betaling van bijdragen uit hun eigen middelen.

 

b. Werknemers die gedurende een bepaalde periode verlof genieten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van het UBLB, mogen de pensioenopbouw voortzetten door betaling van bijdragen uit hun eigen middelen, voor zover het loon van de werknemer te laag is om de bijdragen (volledig) daaruit te voldoen.

 

c. Werknemers die een loongerelateerde uitkering, een VUT-uitkering of een prepensioenuitkering genieten, mogen in overeenstemming met artikel 10a, eerste lid, onderdelen c tot en met e, van het UBLB, de pensioenopbouw in die periode voortzetten. Met de instantie die de uitkering doet is geen regeling getroffen op grond waarvan die instantie de verschuldigde premies op de uitkering inhoudt.

 

d. Voormalige werknemers mogen de bestaande deelneming aan de pensioenregeling voortzetten gedurende een periode van ten hoogste drie jaren na beŽindiging van een dienstbetrekking (zie de delegatiebepaling van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, van het UBLB). Daarbij is niet relevant of de voormalige werknemers gedurende die perioden een loongerelateerde uitkering ontvangen. In de periode van voortzetting kunnen deze voormalige werknemers bijvoorbeeld een eigen onderneming starten. Ik geef hiermee een nadere invulling aan de delegatiebepaling. De in onderdeel 3 te noemen voorwaarden voor de voortzetting hebben tot doel slechts een reŽle voortzetting van een bestaande pensioenregeling fiscaal te faciliŽren.

 

3. Goedkeuring

 

Met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen keur ik goed dat de in onderdeel 2 onder a tot en met d genoemde groepen deelnemers de vrijwillige bijdragen, voorzien van een ď-ď (minteken), kunnen opnemen in de rubriek inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking van de aangifte inkomstenbelasting. De goedkeuring betreft uitsluitend het deel van de bijdragen dat niet kan worden voldaan door middel van inhouding op het loon. Deze goedkeuring heeft geen betrekking op situaties waarin de betaalde premies op grond van de Wet IB 2001 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn aan te merken. In een dergelijk geval kan de beroepsbeoefenaar of de werknemer de betaalde lijfrentepremies als zodanig ten laste van het inkomen brengen, binnen de maxima die daarvoor gelden op grond van artikel 3.127 van de Wet IB 2001.

 

Voor alle belanghebbenden geldt dat de pensioenregeling moet blijven binnen de grenzen die zijn opgenomen in hoofdstuk IIB van de Wet LB en het overgangsrecht in het kader van de Wet VPL.

 

Voorwaarden

Aan bovenvermelde goedkeuring verbind ik de volgende voorwaarden.

 

Werknemers als bedoeld in onderdeel 2 onder a tot en met c

Voor werknemers als bedoeld in onderdeel 2 onder a tot en met c geldt de volgende voorwaarde:

 

- De belanghebbende verklaart op verzoek van de inspecteur schriftelijk dat de afgetrokken bedragen onherroepelijk onderdeel zijn gaan uitmaken van een voor hem geldende pensioenregeling waarop Hoofdstuk IIB van de Wet LB en de artikelen 38b tot en met 38h van die wet van toepassing zijn.

 

Voormalige werknemers als bedoeld in onderdeel 2 onder d

Voor voormalige werknemers als bedoeld in onderdeel 2 onder d gelden de volgende voorwaarden:

- De belanghebbende is als werknemer gedurende ten minste drie jaren deelnemer geweest aan de pensioenregeling die hij vrijwillig voortzet.

- Wijziging van de pensioenregeling tijdens de vrijwillige voortzetting is slechts toegestaan indien de pensioenrechten van de desbetreffende werknemer daardoor niet worden verbeterd.

- De vrijwillige voortzetting kan slechts plaatsvinden voor zover geen cumulatie plaatsvindt met een pensioenregeling bij een eventuele nieuwe werkgever, de vorming van een oudedagsreserve als bedoeld in artikel 3.67 van de Wet IB 2001 of deelname aan een beroepspensioenregeling.

- De uitbreiding van de pensioengevende diensttijd mag niet plaatsvinden in de periode van drie jaren voorafgaande aan de pensioendatum van de regeling die de belanghebbende vrijwillig voortzet, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij om medische redenen de dienstbetrekking heeft beŽindigd.

 

4. Intrekking van het besluit van 8 juli 2004, nr. CPP2004/0874M

 

Dit besluit voorziet tevens in het formeel intrekken van het besluit van 8 juli

2004, nr. CPP2004/0874. In verband hiermee merk ik nog het volgende op.

 

Het Hof Den Bosch heeft op 8 juli 2005, rolnr. 01/03430, uitspraak gedaan in een casus die enigszins vergelijkbaar was met de problematiek in het besluit van 8 juli 2004. Daartegen heb ik pro-forma cassatieberoep ingesteld. Dit cassatieberoep heb ik ingetrokken. Ik heb mij daarmee neergelegd bij de gelijkschakeling van de onderhavige gevallen (zie mijn brief aan de Hoge Raad van 6 oktober 2005, nr. DGB 2005/5039; VN 2005/61.11). Het besluit van 8 juli 2004 ziet op de jaren 2001 tot en met 2004. Met het oog op de genoemde gelijkschakeling volgt de Belastingdienst de uitspraak van het Hof Den Bosch dan ook alleen voor die jaren.

 

5. Ingetrokken regelingen

 

De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:

- besluit van 26 april 1999, nr. DB99/1273M;

- besluit van 10 augustus 2001, nr. CPP2001/1770M;

- besluit van 20 november 2002, nr. CPP2002/1303M;

- besluit van 8 juli 2004, nr. CPP2004/0874M.

 

6. Inwerkingtreding

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

 

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Den Haag, 16 maart 2007. De staatssecretaris van FinanciŽn, namens deze: de directeur-generaal Belastingdienst, mr. J. Thunnissen.