Loonheffingen. Diverse onderwerpen

Besluit | 09-02-2007 | nr CPP07-283

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

Besluit van 9 februari 2007, nr. CPP2007/283M, Stcrt. nr. 36

De minister van FinanciŽn heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het besluit van 1 november 2001, nr. CPP2001/2130M (over de tabel voor bijzondere beloningen) en het besluit van 10 juni 2004, nr. CPP2003/2041M (over eindheffingen). Het besluit bevat een goedkeuring voor de toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen (zie onder 2).

1. Inleiding

Dit besluit is een actualisering van het besluit van 1 november 2001, nr. CPP2001/2130M (over de tabel voor bijzondere beloningen) en het besluit van 10 juni 2004, nr. CPP2003/2041M (over eindheffingen). Van het besluit van 10 juni 2004, nr. CPP2003/2041M (over eindheffingen) zijn alleen de onderdelen 5 en 8 in dit besluit overgenomen. De overige onderdelen zijn niet in dit besluit overgenomen. Die onderdelen bevatten geen beleidsstandpunten en hebben vooral een voorlichtend karakter. Voor zover nodig zijn of worden die onderdelen geactualiseerd verwerkt in voorlichtingsmateriaal, zoals het Handboek loonheffingen. Het Handboek loonheffingen is toegankelijk op internet via www.belastingdienst.nl

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

loonheffing

loonbelasting/premie volksverzekeringen

loonheffingen

loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet

URLB

Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

werkgever

inhoudingsplichtige voor de loonheffingen

Wet LB

Wet op de loonbelasting 1964

2. Toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen (artikel 26 van de Wet LB)

2.1. Bijzondere gevallen

De inhouding van loonheffing over bepaalde beloningen vindt plaats met toepassing van een tabel voor bijzondere beloningen (zie artikel 26 van de Wet LB).

De toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen kan tot een hoger heffingspercentage leiden dan het percentage dat past bij het loon over het lopende jaar in de volgende twee gevallen.
- Het loon bestaat geheel dan wel voor een belangrijk deel uit bestanddelen die volgens de tabel voor bijzondere beloningen worden belast.
- Het jaarloon dat voor de toepassing van de tabel voor de bijzondere beloningen in aanmerking wordt genomen is belangrijk hoger dan het jaarloon over het lopende jaar.

2.2. Goedkeuring

Ik keur het volgende goed voor de in onderdeel 2.1 vermelde situaties.

De werknemer kan de voor hem bevoegde inspecteur verzoeken een lager heffingspercentage vast te stellen dan de tabel voor bijzondere beloningen aanwijst. De inspecteur machtigt daarop de werkgever de onder de tabel voor bijzondere beloningen vallende loonbestanddelen te belasten naar dat lagere heffingspercentage.

Voorwaarden voor de machtiging aan de werkgever om een lager heffingspercentage toe te mogen passen zijn:
- De werknemer overlegt bij zijn verzoek een berekening. Uit de berekening blijkt dat door de te hoge heffing over de bijzondere beloningen de in te houden loonheffing de vermoedelijk verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen met 10% of meer, maar in ieder geval met ten minste Ä 227 zal overtreffen indien een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zou worden opgelegd.
- Bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volk sverzekeringen blijft buiten beschouwing een eventueel negatief saldo van uitsluitend voor de heffing van de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in aanmerking te nemen bestanddelen van het inkomen uit werk en woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang.
- Het verschil tussen de in te houden loonheffing en de vermoedelijk verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen komt niet voort uit aftrekposten die in beginsel kunnen leiden tot een voorlopige teruggaaf.

3. Eindheffing

3.1.Terugbetaling vergoeding van aan- en verkoopkosten bij einde dienstbetrekking (artikel 84, onderdeel a, van de URLB)

Een werkgever moet de loonheffing over een vergoeding van de aan- en verkoopkosten bij een zakelijke verhuizing van zijn werknemers door middel van eindheffing berekenen en afdragen (zie artikel 84, onderdeel a, van de URLB). Als een werknemer na verloop van tijd ontslag neemt en de vergoeding moet terugbetalen, kan de werkgever de eerder afgedragen eindheffing niet terugkrijgen. De vergoeding werd in het verleden immers terecht in de eindheffing betrokken.

De terugbetaalde vergoeding vormt op het moment waarop de werknemer deze terugbetaalt, wel negatief eindheffingsloon. Het gevolg hiervan is dat de werkgever de eindheffing als negatief bedrag in zijn aangifte loonheffing mag opvoeren, naar het tarief op het moment waarop de terugbetaling plaatsvindt. Het opvoeren van dit negatieve bedrag aan eindheffing mag er niet toe leiden dat een negatieve aangifte loonheffing ontstaat. In dat geval kan de werkgever een afzonderlijk verzoek om teruggave doen.

3.2. Schade die niet pleegt te worden verzekerd (artikel 84, onderdeel d, van de URLB)

Eindheffing is ook verplicht over uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van schade ten gevolge van overstromingen, aardbevingen en dergelijke, die niet pleegt te worden verzekerd (zie artikel 84, onderdeel d, van de URLB).

Bij de niet specifiek aangeduide schadeoorzaken hoeft het naar mijn oordeel niet steeds te gaan om schade als gevolg van een natuurramp. Met de toevoeging ďen dergelijkeĒ is bedoeld de op de werknemer drukkende schade die niet pleegt te worden verzekerd en die een niet voorzienbaar, plotseling opkomend onheil als oorzaak heeft, zoals dat ook het geval is bij overstromingen en aardbevingen.

4. Ingetrokken regelingen

De volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
- besluit van 1 november 2001, nr. CPP2001/2130M;
- besluit van 10 juni 2004, nr. CPP2003/2041M.

5. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 februari 2007,

de minister van FinanciŽn,
namens deze
mr. J. Thunnissen,
de directeur-generaal Belastingdienst