Loonheffingen. Pensioenopbouw; premievrijstellilng bij arbeidsongeschiktheid

Besluit | 11-10-2006 | nr CPP06-1977

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven en beleidsbesluiten

Besluit van 11 oktober 2006, nr. CPP2006/1977M, Stcrt nr. 203

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de minister van FinanciŽn het volgende besloten.

Dit besluit is een aanpassing van het besluit van 9 januari 2004, nr. CPP2003/1821M, aan de Wet VPL. Het betreft de pensioenopbouw bij premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid. Het besluit bevat afgezien van de uitbreiding van de werking tot de Wet VPL geen inhoudelijke wijzigingen. De uitbreiding voor VPL-situaties geeft invulling aan een toezegging van de staatssecretaris van FinanciŽn aan de Eerste Kamer (Handelingen I 2005/06, nr. 13, blz. 614).

1. Inleiding

In de uitvoeringspraktijk bestaat behoefte aan verduidelijking over de pensioenopbouw in geval van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. In het bijzonder gaat het om situaties waarin de premievrijstelling wegens arbeids≠ ongeschiktheid al is ingegaan. Hierbij is het de vraag welke gevolgen een wijziging van de fiscale regels heeft voor de desbetreffende pensioen≠regeling. In dit besluit ga ik hier nader op in. In verband hiermee bevat dit besluit een aanwijzing als pensioenregeling.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

Wet LB

Wet op de loonbelasting 1964

Wet VPL

Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/ prepensioen en introductie levensloopregeling

2. Wijziging fiscale regels

Veel pensioenregelingen voorzien door middel van een verzekeringsovereenkomst in een recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. In zulke gevallen komt de voortzetting van de pensioenopbouw voor rekening van de verzekeraar. Bij wijziging van de fiscale regels moeten bestaande pensioenregelingen worden aangepast. Dit geldt ook voor pensioenregelingen waarbij de premievrijstelling wegens arbeids≠ongeschiktheid al is ingegaan.

Het recht op premievrije pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid is echter vaak geformuleerd als een recht op voortzetting van de betaling van vaststaande premiebedragen voor pensioenopbouw voor rekening van de verzekeraar. Dit betekent dat in de gevallen waarin de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid al is ingegaan, de verplichtingen van de verzekeraar en de rechten van de arbeidsongeschikte werknemer vaststaan. In die gevallen kan aanpassing van de pensioenregeling voor arbeidsongeschikten tot aanzienlijke bezwaren voor de uitvoeringspraktijk leiden.

3. Aanwijzing

Gelet op het vorenstaande wijs ik op grond van artikel 19d van de Wet LB in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de in onderdeel 2, tweede alinea, bedoelde pensioenregelingen voor de hierna bedoelde gevallen en onder de volgende voorwaarden aan als pensioenregeling. Deze aanwijzing vervalt indien de pensioenregeling van de werkgever wordt gewijzigd en deze wijziging ook van toepassing is op de premievrije pensioen≠opbouw bij arbeidsongeschiktheid.

Gevallen waarop deze aanwijzing van toepassing is
Het betreft een pensioenregeling die voor de arbeidsongeschikte werknemers niet is aangepast in de volgende gevallen.

a. Aanpassing aan de Wet fiscale behandeling van pensioenen
Het gaat hier om op 1 juni 1999 bestaande pensioenregelingen waarbij de periode van premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is ingegaan uiterlijk op 1 juni 2004 of de eerdere datum waarop de pensioenregeling op meer dan ondergeschikte punten is gewijzigd.

Hiermee continueer ik de aanwijzing in mijn besluit van 9 januari 2004, nr. CPP2003/1821M.

b. Aanpassing aan de Wet VPL
Dit betreft op 31 december 2004 bestaande pensioenregelingen waarbij de periode van premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is ingegaan uiterlijk op 31 december 2005.

Hiermee geef ik invulling aan de toezegging van de staatssecretaris van FinanciŽn aan de Eerste Kamer (Handelingen I 2005/06, nr. 13, blz. 614).

Voor de goede orde merk ik nog op dat deze aanwijzing derhalve niet geldt indien de periode van premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid is ingegaan na 31 december 2005. In dat geval moet de regeling ook voor de arbeidsongeschikte werknemers direct aan de Wet VPL voldoen. Dit is alleen anders indien artikel 38h van de Wet LB van toepassing is. Aanpassing dient dan uiterlijk 31 december 2006 te geschieden.

Voorwaarden
Voor toepassing van deze aanwijzing gelden de volgende voorwaarden.

1. Onderdeel van de pensioenregeling is een verzekeringsovereenkomst die voorziet in een recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. De premies komen dan voor rekening van de pensioenverzekeraar.

2. Afgezien van een eventuele indexatie staat de omvang van de premievrijstelling vast op de datum waarop de periode van premievrijstelling ingaat.

3. Een eventueel overeengekomen indexatie van de vrijgestelde premies vindt plaats volgens een gebruikelijke, fiscaal aanvaardbare, loon- of prijsindex.

4. Bij een latere verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid geldt de a anwijzing alleen voor de in samenhang daarmee te verlagen opbouw van pensioenrechten met de bijbehorende premievrijstelling. Wellicht ten overvloede merk ik op dat bij een latere verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid, de premievrije pensioenopbouw die samenhangt met de verhoging van de premievrijstelling moet voldoen aan de fiscale regels zoals die luiden ten tijde van die verhoging.

4. Ingetrokken regelingen

Het besluit van 9 januari 2004, nr. CPP2003/1821M, is ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

5. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt voor de in onderdeel 3 onder b bedoelde gevallen terug tot en met 1 januari 2006.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 11 oktober 2006
de minister van FinanciŽn,
namens deze
mr. J. Thunnissen,
directeur-generaal Belastingdienst