Loonheffingen. Rentevoordeel personeelsleningen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

 

Besluit van 21 november 2005, nr. CPP2005/2892M

 

De directeur-generaal belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van FinanciŽn het volgende besloten.

 

Dit besluit bevat een goedkeuring, vooruitlopend op wijziging van artikel 59 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Het betreft een verlaging van het normpercentage voor personeelsleningen van 5% naar 3,5%. De verlaging werkt terug tot en met 1 januari 2005.

1.†††††† Inleiding

Sinds 1 januari 2005 is het normpercentage voor renteloze- of laagrentende personeelsleningen verhoogd van 3,5% naar 5% (zie artikel 59 van de URLB). Besloten is deze wijziging terug te draaien. Dit besluit loopt hierop vooruit.

 

De voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

 

Lijst van gebruikte begrippen en afkortingen

 

Loonheffing

loonbelasting/premie volksverzekeringen

Loonheffingen

loonheffing en premies werknemersverzekeringen

Werkgever

inhoudingsplichtige voor de loonheffingen

URLB

Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

2.† Normpercentage renteloze- of laagrentende personeelsleningen voor 2005

Voor zover het rentevoordeel van een personeelslening niet tot de vrije verstrekkingen behoort, wordt dit berekend met een normpercentage (zie artikel 59, eerste lid, van de URLB). Met ingang van 2004 wordt dit percentage gesteld op het percentage dat geldt voor de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar. In 2004 was dat 3,5%. Voor het eerste kalenderkwartaal van 2005 is dat percentage 5 geworden, inclusief de verhoging van het percentage met 1,5% volgens het Belastingplan 2005. Omdat het percentage van 5 in het jaar 2005 voor het berekenen van het rentevoordeel bij personeelsleningen voor sommige leningen aan de hoge kant is en een hoge stijging (een schokeffect) ten opzichte van het percentage in 2004 betekent, is besloten het in artikel 59, eerste lid, van de URLB, genoemde rentepercentage met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005 te verlagen tot 3,5%. Dat is het percentage van de heffings- en invorderingsrente in het eerste kwartaal van 2005, zonder de verhoging volgens het Belastingplan 2005.

 

De URLB zal eind dit jaar op dit punt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005 worden gewijzigd. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van voornoemde aanpassing keur ik het volgende goed.

3.† Goedkeuring

Ik keur goed dat een werkgever voor het rentevoordeel uit renteloze- of laagrentende personeelsleningen voor het jaar 2005 een normpercentage hanteert van 3,5%.

 

Voor alle duidelijkheid merk ik op dat dit betekent dat de werkgever die voor de loonheffing reeds rekening heeft gehouden met het te belasten rentevoordeel op basis van het normpercentage van 5% dit op de gebruikelijke wijze kan corrigeren (zie paragraaf 6.9 van het Handboek loonheffing en premies werknemersverzekeringen 2005). De werkgever die het te belasten rentevoordeel aan het einde van het kalenderjaar in de heffing betrekt kan direct rekening houden met het percentage van 3,5%.

Voor de premieheffing werknemersverzekeringen kan de werkgever op gebruikelijke wijze bij de jaarloonopgave over het jaar 2005 of de periodieke loonopgave rekening houden met het lagere loon.

4.† Inwerkingtreding en intrekking besluit

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dagtekening van dit besluit en werkt terug tot en met 1 januari 2005. Het vervalt met ingang van 1 januari 2006.