Loonbelasting, inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Bijstandsuitkeringen

Dienstonderdeel Belastingdienst/Centrum voor proces en productontwikkeling, sector Brieven & Beleidsbesluiten

 

Besluit van 29 juni 2005, nr. CPP2005/547M

 

De staatssecretaris van Financiën heeft in overeenstemming met de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het volgende besloten.

1.         Inleiding

Het Ministerie van Financiën zet in circulaires aan de burgemeesters en wethouders der gemeenten de heffing van loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen uiteen. De laatste circulaire is die van 3 maart 2003, nr. CPP2002/3721M (zie de bijlage bij het besluit van gelijke datum en nummer).

 

Met ingang van 1 januari 2004 worden bijstandsuitkeringen aan niet-zelfstandigen toegekend op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze wet vervangt de volgende wetten en het volgende besluit:

 

-     De Algemene bijstandswet (Abw);

-     De Wet financiering Abw, IOAW en IOAZ;

-     Het Besluit in- en doorstroombanen (Besluit ID-banen);

-     De Wet inschakeling werkzoekenden (WIW).

 

De bijstandsuitkeringen aan zelfstandigen worden met ingang van 1 januari 2004 toegekend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ 2004). De bepalingen voor zelfstandigen uit de Abw zijn overgebracht naar het BBZ 2004. Hierdoor ziet het BBZ 2004 naast bepalingen voor gevestigde zelfstandigen tevens op beginnende zelfstandigen, oudere beëindigende zelfstandigen en arbeidsongeschikte zelfstandigen.

 

De invoering van de WWB en het BBZ 2004 beoogt geen wijziging in de belasting- en premieheffing.

 

Met ingang van 1 januari 2004 is er een langdurigheidstoeslag ingevoerd en is er een vrijstelling ingevoerd voor een eenmalige premie gericht op arbeidsinschakeling als de uitkeringsgerechtigde in een jaar geen vrijwilligersvergoeding heeft ontvangen.

 

Vanaf 1 januari 2005 is de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) vervallen. Daarvoor in de plaats is de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) gekomen. In dit besluit staat de nieuwe wijze van berekenen van de loonheffing over de WWIK-uitkeringen alsook het overgangsrecht voor WIK-uitkeringen die in 2005 definitief worden vastgesteld.

 

De invoering van de WWB, het BBZ 2004, de WWIK, de langdurigheidstoeslag en de vrijstelling voor een eenmalige stimuleringspremie, zijn voor mij aanleiding de circulaire van 3 maart 2003 te vervangen. In deze circulaire wordt uiteengezet op welke wijze de bijstandsuitkeringen en verstrekkingen op grond van de WWB, het BBZ 2004 en de WWIK in de heffing van belasting/premie volksverzekeringen worden betrokken.

 

Nieuw in dit besluit is een toelichting op de inhoudingsplicht op grond van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit is gedaan omdat diverse gemeenten inmiddels gemeenschappelijke regelingen kennen en hierbij onder voorwaarden een verschuiving van de inhoudingsplicht kan plaatsvinden.

2.         Nieuwe circulaire en intrekking besluit

In de nieuwe circulaire aan burgemeester en wethouders der gemeenten is nader uiteengezet welke regels gelden voor de heffing van belasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen, zoals die moet plaatsvinden vanaf 1 januari 2004, waarbij de bedragen en percentages van 2005 zijn genoemd. De tekst van deze circulaire is als bijlage bij dit besluit gevoegd. Deze circulaire vervangt de hiervoor genoemde circulaire van 3 maart 2003.

 

Het besluit van 3 maart 2003, nr. CPP2002/3721M, is met ingang van de dagtekening van dit besluit ingetrokken.

 

De nieuwe circulaire is als bijlage hierna opgenomen onder nummer CPP2005/1591.


Circulaire bijstandsuitkeringen

nr. CPP2005/1591

 

(bijlage bij besluit CPP2005/547M)

 

 

 

Aan burgemeester en wethouders der gemeenten

 

Heffing van belasting/premie volksverzekeringen ter zake van bijstandsuitkeringen

1.         Inleiding

In de tot u gerichte circulaire van het Ministerie van Financiën van 3 maart 2003, nr. CPP2002/3721M, heb ik een uiteenzetting gegeven van de heffing van loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). De Abw is met ingang van 1 januari 2004 vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB).

 

Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen maakt geen onderdeel uit van de WWB. Dit besluit is vervangen door het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ 2004). De bepalingen in de Abw die betrekking hadden op zelfstandigen zijn overgebracht naar het BBZ 2004.

 

De WWB en de BBZ 2004 beogen geen wijziging in de belastingheffing en premieheffing volksverzekeringen ten aanzien van de bijstandsuitkeringen. Wel zijn de nieuw ingevoerde vrijstelling voor een eenmalige stimuleringspremie gericht op arbeidsinschakeling en de nieuwe vrijgestelde langdurigheidstoeslag in de WWB opgenomen. Met ingang van 1 januari 2005 wijzigt wel de belasting- en premieheffing van uitkeringen aan kunstenaars doordat de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) per januari 2005 is vervangen door de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK).

 

Daarnaast zijn aan de Belastingdienst enkele vragen gesteld over de gevolgen voor de inhoudingsplicht wanneer gemeenten uitkeringsbevoegdheden overdragen aan gemeenschappelijke regelingen. De invoering van de Wet werk en bijstand en het BBZ 2004 en de vragen over gemeenschappelijke regelingen zijn voor mij aanleiding de hiervoor bedoelde circulaire te vervangen door deze nieuwe circulaire.

 

Voor de fiscale behandeling van uitkeringen op grond van de Wet werk en bijstand zijn algemeen geldende voorschriften en specifieke richtlijnen van belang. Het "Handboek loonheffing en premies werknemersverzekeringen" geeft jaarlijks voorlichting over de algemeen geldende voorschriften.

 

Deze circulaire voorziet in een aantal specifieke richtlijnen voor zover deze afwijken van de algemene voorschriften. Daarnaast stelt de Belastingdienst jaarlijks de tabel en het rekenvoorschrift voor de berekening van loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen ter beschikking. De circulaire kent de volgende indeling:

 

1.   Inleiding

2.   Wettelijke voorschriften

3.   Belaste en onbelaste uitkeringen

4.   Vaststelling verschuldigde loonheffing

5.   Verrekening of terugvordering van verstrekte bijstand

6.   Verzelfstandiging van uitkeringsrechten

7.   Administratie

8.   Loonbelastingkaarten

9.   Inhoudingsplicht bij gemeenschappelijke regelingen

10.  Verplichte aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

11.  Langdurigheidstoeslag, stimuleringspremie en vergoeding vrijwilligerswerk

12.  Bijzondere Bijstand en buitengewone uitgaven

13.  Kwijtschelding

14.  Intrekken vorige circulaire

2.         Wettelijke voorschriften

De uitkeringen ingevolge de WWB zijn aan de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen onderworpen. Dit is geregeld in artikel 34, aanhef en letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) en de artikelen 3a en 11, lid 1 aanhef, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UB LB 1965).

 

De specifieke regeling van de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen is neergelegd in de artikelen 7, lid 1 aanhef, onderdeel b, en 12 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, de artikelen 1, 2 en 5 van de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990, en artikel 77 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

3.         Belaste en onbelaste uitkeringen

Vanaf 1 januari 2004 worden bijstandsuitkeringen in beginsel alleen nog maar in individuele besluiten toegekend. Dat betekent dat er geen categoriale bijzondere bijstand meer toegekend kan worden aan personen jonger dan 65 jaar. In artikel 10 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand is overgangsrecht opgenomen voor categoriale bijzondere bijstandsuitkeringen. Dit overgangsrecht regelt het volgende:

 

-     Degene die op 31 december 2003 recht heeft op categoriale bijzondere bijstand (lopende uitkeringen), behoudt het recht op de uitkering tot het moment dat in desbetreffende beschikking is bepaald, maar tot uiterlijk 1 januari 2005.

-     Colleges mogen tot nader order ook na 1 januari 2004 bijzondere bijstand verstrekken als dat gaat in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering.

Goedkeuring overgangsrecht

Uitkeringen die op grond van het overgangsrecht van artikel 10 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand worden gedaan, worden voor de toepassing van artikel 3.104, onderdeel f, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) aangemerkt als uitkeringen op grond van de WWB.

Belaste uitkeringen

In de artikelen 3.100 t/m 3.109 van de Wet IB 2001 staan de periodieke uitkeringen op grond van de WWB genoemd die behoren tot het verzamelinkomen in de zin van die Wet. Deze uitkeringen worden voor de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) als belaste uitkeringen aangemerkt. Het betreft periodieke bijstandsuitkeringen die voorzien in de algemene kosten van het bestaan.

 

Tot de belaste uitkeringen behoren, naast de landelijke normbijstand en de gemeentelijke toeslag voor algemeen noodzakelijke kosten, in ieder geval een tegemoetkoming in de door de bijstandsgerechtigde verschuldigde premie ziekenfondsverzekering/ziektekostenverzekering en een aanspraak op uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet.

Onbelaste uitkeringen en verstrekkingen

In mijn besluit van 25 januari 2001, nr. CPP2000/3236M heb ik onder meer uitgebreid uiteengezet welke (categoriale) bijzondere bijstand onbelast is. Dit besluit is in heroverweging. Dat betekent dat dit besluit met ingang van 1 januari 2004 alleen met inachtneming van de wijzigingen in de relevante wettelijke regelingen kan worden toegepast. De werking van dit besluit is in hoofdlijnen als volgt.

 

Bijzondere bijstand is onbelast als de uitkering of verstrekking eenmalig is. Een uitkering (of verstrekking) is eenmalig als de uitkering geen deel uitmaakt en ook geen deel kan uitmaken van een reeks. Hierbij is bepalend wat de ontstaansgrond is van de uitkering en of op grond van die ontstaansgrond al eerdere uitkeringen zijn gedaan of nog kunnen worden gedaan.

 

Als bijzondere bijstand niet eenmalig is, kan deze toch onbelast zijn als de uitkering (of verstrekking) bedoeld is ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten. Het gaat dan om uitkeringen die niet draagkrachtverhogend - niet inkomensvervangend of inkomensaanvullend - zijn omdat zij bestedingsgebonden zijn.

 

Voor categoriale bijzondere bijstand kan worden aangenomen dat die op de bovengenoemde manier gekoppeld is aan bepaalde noodzakelijke kosten als de categorie is gedefinieerd naar kostensoort – met andere woorden er is sprake van een groep personen die dezelfde soort noodzakelijke kosten maken - en de hoogte van de uitkeringen is gerelateerd aan de te bestrijden kosten.

 

Ik wijs er op dat het fiscale begrip "bepaalde noodzakelijke kosten" niet parallel loopt met het in de bijstandswetgeving gehanteerde begrip "bijzondere bijstand". Zo voorziet bijvoorbeeld de bijzondere bijstand van artikel 20 van de WWB (voor personen van 18, 19 en 20 jaar) doorgaans in de algemene kosten van het bestaan; die bijstand is belast.

 

Bijstandsuitkeringen die in de vorm van een geldlening worden verstrekt, zijn onbelast. Uit administratieve bescheiden moet blijken dat het om een lening gaat.

Gemeenten die het betaalmoment van de bijstand (naar achteren) verschuiven, kunnen aan de desbetreffende bijstandsgerechtigden een overbruggingsuitkering verstrekken. Als dat in de vorm van een geldlening gebeurt, is de overbruggingsuitkering onbelast. Voor de geldleningen geldt dat lopende periodieke uitkeringen afgebouwd mogen worden.

Overzichttabellen

In de navolgende tabellen is aan de hand van de artikelen uit de WWB voor niet-zelfstandigen (Tabel 1) en het BBZ 2004 voor zelfstandigen (Tabel 2) aangegeven welke uitkeringen belast dan wel onbelast zijn.

 

Tabel 1. Uitkeringen en verstrekking op grond van de WWB-uitkeringen aan niet-zelfstandigen

 

Uitkering of verstrek­king op grond van de volgende artikelen uit de WWB

Omschrijving:

Belast

Onbelast

.....................

........................................................

..........

..........

Artikel 12

Voorzover de uitkering niet uitgaat boven de normbijstand voor personen van 21 jaar en ouder als bedoeld in hoofdstuk III, paragraaf 1 tot en met 3 van de WWB

X

 

Het meerdere

 

X

Artikel 16

Voorzover de uitkering niet uitgaat boven de normbijstand als bedoeld in hoofdstuk III, paragraaf 1 tot en met 3 van de WWB

X

 

Het meerdere

 

X

Artikel 19

Algemene bijstand

X

 

Artikel. 20

Norm voor belanghebbenden jonger dan 21 jaar

X

 

Artikel 21

Norm voor belanghebbenden van 21 tot 65 jaar

X

 

Artikel 22

Norm voor belanghebbenden van 65 jaar of ouder

X

 

Artikel 23

Norm bij verblijf in een inrichting

 

X

Artikel 24

Algemene bijstand aan gehuwde, waarvan een van de partners geen recht heeft op algemene bijstand

X

 

Artikel 25

Gemeentelijke toeslag voor algemene noodzakelijke kosten van het bestaan

X

 

Artikel 31, tweede lid, onderdeel j

Eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling tot € 1944,00 per kalenderjaar mits in dat jaar geen vrijwilligersvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, van de WWB is betaald

 

X

Artikel 31, tweede lid, onderdeel k

Een kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk van ten hoogste € 21 per week en een maximum van € 735 per jaar

 

X

Artikel 35

Bijzondere bijstand voorzover eenmalig en/of gekoppeld aan bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten

 

X

Overige bijzondere bijstand

X

 

Artikel 36

langdurigheidstoeslag

 

X

Artikel 45

De normbijstand en eventuele toeslag waar de nabestaande zelf recht op heeft

X

 

Het meerdere bij toepassing van artikel 45, vijfde lid, van de WWB (de overlijdensuitkering)

 

X

Artikel 48

Geldlening of borgtocht

 

X

Artikel 49

Bijstand ter aflossing van een schuldenlast

 

X

Artikel 50

Algemene bijstand; krediethypotheek

 

X

Artikel 51

Bijzondere bijstand voor kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen

 

X

Artikel 52

Voorschot in de vorm van een renteloze lening

 

X

Artikel 52, derde lid

Verrekening met voorschot van artikel 52

 

X

Artikel 52, tweede lid

Verrekening algemene bijstand met voorschot van artikel 52

X

 

Artikel 57, onderdeel a

Noodzakelijke betalingen aan derden

X

 

Artikel 57, onderdeel b

Bijstand in natura

X

 

 

Tabel 2. Uitkeringen en verstrekkingen aan zelfstandigen op grond van het BBZ 2004

 

Uitkering of verstrekking op grond van de volgende artikelen uit de BBZ 2004

Omschrijving

belast voor loonbelas­ting

belast voor inkomsten­belasting

..........................

..............................................

............

..........

Artikel 1, onderdeel g en artikel 12, tweede lid

Jaarnorm, inclusief de daarin begrepen premie arbeidsongeschiktheid- en/of ziektekostenverzekering

JA

JA

Artikel 11, eerste lid

Voorlopige voorziening in de vorm van een renteloze geldlening

NEE

NEE

Artikel 11, tweede lid

Omzetting van een lening in een bedrag om niet

JA

JA

Artikel 12

Leenbijstand indien en voorzover omgezet in of aangevuld met een bedrag om niet

JA

JA

Artikel 13

Handhaving renteloze geldlening

NEE

NEE

Artikel 14, tweede lid

Voorschot op grond van artikel 52 WWB

NEE

NEE

Artikel 15

Bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal

NEE

NEE

Artikel 16

Bijstand in de vorm van een borgtocht ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal

NEE

NEE

Artikel 18

Algemene bijstand gevestigde zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 19

Algemene bijstand om niet

JA

JA

Artikel 20

Bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht voor bedrijfskapitaal aan gevestigde zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 21, eerste lid

Omzetting leenbijstand in een bedrag om niet

JA

JA

Artikel 21, tweede lid

Kwijtschelding rente

NEE

NEE *)

Artikel 21, tweede lid

Terugbetaling van rente

NEE

NEE *)

Artikel 21, derde lid

Rentevergoeding als gevolg van borgstelling

NEE

NEE *)

Artikel 22

Bijstand om niet voor bedrijfskapitaal

NEE

JA

Artikel 23

Algemene bijstand aan beginnende zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 24

Geldlening of borgtocht aan beginnende zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 25

Algemene bijstand oudere zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 26

Bedrag om niet voor bedrijfskapitaal aan oudere zelfstandige

NEE

JA

Artikel 26

Renteloze lening voor bedrijfskapitaal aan oudere zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 27

Algemene bijstand beëindigende zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 28

Algemene bijstand arbeidsongeschikte zelfstandige

NEE

NEE

Artikel 29, tweede lid

Renteloze lening voor de voorbereidingskosten van een op te starten bedrijf

NEE

NEE

Artikel 29, derde lid, onderdeel a

Omzetting renteloze lening in een bedrag om niet voor de voorbereidingskosten van een niet opgestart bedrijf

NEE

NEE

Artikel 29, derde lid, onderdeel b

Omzetting renteloze lening in een rentedragende lening indien bedrijf is opgestart

NEE

NEE

.....

*)    De uitkering of verstrekking op grond van artikel 21, tweede en derde lid van het BBZ 2004 is volgens de tabel niet aan loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen. Voor wat betreft de heffing van de inkomstenbelasting kan de uitkering of verstrekking als onderdeel van de ‘winst uit onderneming’ toch belast zijn voor de inkomstenbelasting. Dit is het geval indien de kwijtgescholden rente, de terugbetaalde rente of de rentevergoeding als gevolg van borgstelling al ten laste van de winst is gebracht. Aangezien deze rente (achteraf) niet verschuldigd is, dient een winstcorrectie voor het in aftrek gebrachte rentebedrag plaats te vinden.

 

De verstrekking van bedrijfskapitaal om niet op grond van de artikelen 22 en 26 van het BBZ 2004, is niet aan loonheffing onderworpen. Omdat over een dergelijke verstrekking wel inkomstenbelasting is verschuldigd, mag ter zake van deze verstrekkingen loonheffing worden ingehouden.

 

De algemene bijstand op grond van de artikelen 18, 23, 25, 27 en 28 van het BBZ 2004 (bijstand aan zelfstandigen anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal), wordt op grond van artikel 11, eerste lid, van het BBZ 2004, verstrekt in de vorm van een renteloze lening. Op het moment dat die lening op grond van artikel 11, tweede lid, van het BBZ 2004, wordt omgezet in een bedrag om niet is de uitkering belast en moet de loonheffing worden berekend. Bij de berekening van het bedrag dat om niet kan worden verstrekt wordt uitgegaan van de zogenaamde “jaarnorm”. Deze jaarnorm bestaat uit de bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) verhoogd met de premies particuliere ziektekosten- en arbeidsongeschiktheidsverzekering en de woonkostentoeslag. Voor zover de jaarnorm wordt omgezet in een bedrag om niet, is deze volledig belast.

4.         Vaststelling verschuldigde loonheffing

Voor het berekenen van de verschuldigde loonheffing ter zake van belaste bijstandsuitkeringen zijn twee fasen te onderscheiden.

 

De eerste fase wordt bepaald door het tijdstip waarop de uitkering wordt uitbetaald of verrekend. De verschuldigde loonheffing wordt vastgesteld met toepassing van de loonbelastingtabel voor uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand, ook wel bijstandspercentagetarief genoemd. De uitkomst van deze berekening draagt een voorlopig karakter. Op basis van deze berekeningen worden de periodieke afdrachten bepaald.

 

De tweede fase wordt bepaald door het einde van het kalenderjaar. Aan de hand van het rekenvoorschrift voor de berekening van loonheffing ter zake van uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand wordt vastgesteld welk bedrag definitief over het kalenderjaar dient te worden afgedragen.

 

De Belastingdienst stelt jaarlijks de tabel met het bijstandspercentagetarief en het hiervoor genoemde rekenvoorschrift ter beschikking. U kunt deze raadplegen op www.belastingdienst.nl onder ‘Tabel en rekenvoorschrift bijstand en WIK’.

4.1.      Berekening van de loonheffing over de netto bijstand in de loop van het kalenderjaar

Algemeen

De percentages van het bijstandspercentagetarief worden toegepast op de zogenoemde belastbare netto bijstand. Deze netto bijstand bestaat over het algemeen uit het uitbetaalde of verrekende bedrag van de uitkeringen op grond van de WWB exclusief de loonheffing die over de uitkeringen verschuldigd is.

Aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet

Het bijstandspercentagetarief wordt toegepast op het loon in geld. Tot het loon in geld behoort een voor rekening van de gemeente komend werknemersaandeel in de ziekenfondspremie. Het werkgeversaandeel in de premie Ziekenfondswet maakt geen deel uit van het loon in geld. Voor toepassing van het bijstandspercentagetarief blijft bijtelling van het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie daarom achterwege.

Periodieke uitkeringen naast belaste inkomsten

Voor de gevallen waarin de bijstandsgerechtigde aanvullende bijstand ontvangt naast belaste inkomsten geldt het volgende. Als die belaste inkomsten bestaan uit periodieke uitkeringen (bijvoorbeeld een AOW-uitkering), is het mogelijk dat de gemeente aan de bijstandsgerechtigde de volledige bijstandsuitkering uitbetaalt en de gemeente namens de bijstandsgerechtigde de netto periodieke uitkering in ontvangst neemt. Dan bestaat de netto bijstand van die bijstandsgerechtigde uit het totaalbedrag van de in het kalenderjaar uitbetaalde bijstandsuitkeringen verminderd met de in dat jaar in ontvangst genomen periodieke uitkeringen (de zogenoemde fiscale ontvangsten). Het resultaat mag niet negatief zijn.

Alimentatie

Indien een uitkeringsgerechtigde naast alimentatie van de (gewezen) echtgenoot aanvullende bijstand geniet, wordt het bijstandspercentagetarief toegepast op het gezamenlijke bedrag van alimentatie (exclusief de eventuele alimentatie ten behoeve van de kinderen) en aanvullende bijstand. Dit gebeurt zowel in het geval dat de gemeente de alimentatie namens de bijstandsgerechtigde int en doorbetaalt, als in het geval dat de alimentatie rechtstreeks door de (gewezen) echtgenoot aan de bijstandsgerechtigde wordt voldaan. In beide gevallen wordt namelijk bij het vaststellen van de aanvullende bijstand rekening gehouden met de alimentatie.

Indien de gemeente, uitsluitend op grond van de in de WWB neergelegde bevoegdheid de verstrekte bijstand op de onderhoudsplichtige verhaalt, is er geen sprake van doorbetaalde alimentatie. In dat geval verstrekt de gemeente (bij het ontbreken van overig inkomen) de bijstand, waarop het bijstandspercentagetarief wordt toegepast.

 

Op dit moment is een wijziging in het alimentatiestelsel in voorbereiding. Mocht dit stelsel worden ingevoerd, dan wordt u tijdig geïnformeerd over de gevolgen van de wijzigingen in het alimentatiestelsel.

Voorlopige teruggaaf

Vanaf 1 januari 2001 zijn de tariefgroepen en daarbij behorende belastingvrije sommen vervangen door een systeem van heffingskortingen. Een deel van die heffingskortingen kan al in het betreffende kalenderjaar rechtstreeks door de Belastingdienst worden uitbetaald via een Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De meeste heffingskortingen die via een voorlopige teruggaaf worden uitbetaald, moeten op grond van artikel 31 van de WWB, als middel in aanmerking worden genomen. Ook als dat het geval is bestaat de netto bijstand uit het uitbetaalde of verrekende bedrag van de uitkeringen op grond van de WWB, dus na aftrek van de als inkomen verrekende heffingskortingen.

 

Zie voor heffingskortingen en voorlopige teruggaven ook onderdeel 10, waar verder wordt ingegaan op de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

4.2.      Berekening van de loonheffing over de netto bijstand na afloop van het kalenderjaar

Algemeen

Na afloop van het kalenderjaar dient aan de hand van het rekenvoorschrift (zie ‘Tabel en rekenvoorschrift bijstand en WIK’ die u kunt raadplegen op www.belastingdienst.nl) de loonheffing over de in het kalenderjaar uitgekeerde netto bijstand definitief te worden vastgesteld. Vanaf 1 januari 2001 bevat dit rekenvoorschrift onderdelen waarmee wordt berekend met welk bedrag aan loonheffingskorting rekening moet worden gehouden bij de berekening van de loonheffing over de netto bijstand. Daarnaast bevat het rekenvoorschrift onderdelen aan de hand waarvan de verschuldigde loonheffing, de verschuldigde ziekenfondspremie en het loon voor de loonbelastingkaart worden berekend.

Loonheffingskorting algemeen

Een heffingskorting is een korting op de verschuldigde belasting en premies volksverzekeringen. Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bestaan er dertien heffingskortingen. Daarvan komen er vijf voor bij de loonheffing:

 

-     de algemene heffingskorting, voor iedere werknemer of uitkeringsgerechtigde;

-     de arbeidskorting, voor degenen met loon uit tegenwoordige arbeid;

-     de ouderenkorting, voor 65-plussers met een jaarloon van niet meer dan € 30.728 (bedrag 2005);

-     de aanvullende ouderenkorting, voor degenen die recht hebben op de ouderenkorting en een AOW-uitkering ontvangen voor alleenstaanden of alleenstaande ouders;

-     de jonggehandicaptenkorting, voor degenen die een WAJONG-uitkering ontvangen.

 

Samen worden deze vijf heffingskortingen de loonheffingskorting genoemd.

 

De loonheffingskorting mag maar door één werkgever of uitkeringsinstantie worden toegepast. In beginsel geldt dit ook in de situatie waarin een bijstandsgerechtigde gelijktijdig bijstand en andere looninkomsten ontvangt. Als de loonheffingskorting echter nog niet volledig bij de andere looninkomsten is benut, moet bij de berekening van de loonheffing over bijstand rekening worden gehouden met het restant van alleen de algemene heffingskorting.

Loonheffingskorting voor de loonheffing over de bijstand

In het rekenvoorschrift wordt naar rato van de periode in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend, rekening gehouden met de loonheffingskorting van de bijstandsontvanger. In de gevallen dat de bijstand wordt verleend als aanvulling op eigen looninkomsten wordt dit bedrag verminderd met het bedrag aan loonheffingskorting waarmee al rekening is gehouden bij de inhouding van loonheffing over die inkomsten.

 

De loonheffingskorting voor een bijstandsgerechtigde bestaat meestal alleen uit de algemene heffingskorting. Voor personen van 65 jaar en ouder maken ook de ouderenkorting en eventueel (voor alleenstaanden) de aanvullende ouderenkorting deel uit van deze loonheffingskorting. Omdat de arbeidskorting alleen van toepassing kan zijn bij loon uit tegenwoordige arbeid, behoort de arbeidskorting nooit tot de loonheffingskorting voor de bijstandsgerechtigde. Ook de jonggehandicaptenkorting komt hierin niet voor. Deze wordt namelijk toegepast door de inhoudingsplichtige die de WAJONG-uitkering betaalt. Als een jonggehandicapte overige inkomsten heeft waardoor hij geen WAJONG-uitkering ontvangt, dan wordt in de inkomstenbelasting rekening gehouden met de jonggehandicaptenkorting.

 

In verband met de verschillen in loonheffingskorting en tarief worden de bijstandsontvangers onderscheiden in twee groepen, te weten de personen van jonger dan 65 jaar en degenen die 65 jaar en ouder zijn. Die laatste groep wordt nader onderscheiden in gehuwden en alleenstaanden.

 

Als de bijstandsgerechtigde in het kalenderjaar 65 jaar wordt, dient het rekenvoorschrift afzonderlijk te worden toegepast voor de periode vóór de maand waarin de 65-jarige leeftijd bereikt wordt en de periode vanaf deze maand. Dit houdt verband met het afwijkende percentage van de loonheffing, een ander bedrag aan loonheffingskorting en een ander regime met betrekking tot de ziekenfondspremie.

Tijdsevenredige berekening van de loonheffingskorting

De loonheffingskorting van de bijstandsgerechtigde moet tijdsevenredig worden verlaagd als slechts over een deel van het jaar bijstand is verleend. Bij een gebroken maand moet een herleiding op dagbasis plaatsvinden. Daarbij wordt het aantal dagen waarover bijstand is verleend gedeeld door het werkelijke aantal dagen van die maand.

Toepassing loonheffingskorting als over een tijdvak geen bijstand is uitbetaald

De loonheffingskorting wordt toegepast naar rato van de periode in het kalenderjaar waarover belastbare bijstand werd uitbetaald of verrekend. Ingeval over een tijdvak geen (aanvullende) bijstand werd betaald als gevolg van verrekening van inkomen (waaronder ook heffingskortingen worden begrepen), wordt over dat tijdvak geen rekening gehouden met een bedrag aan loonheffingskorting. Ook als over een tijdvak bijstand werd uitbetaald die in hetzelfde kalenderjaar geheel werd terugbetaald, telt dat tijdvak niet mee voor het vaststellen van de hoogte van de loonheffingskorting.

Alleen ingeval over een tijdvak geen bijstand werd uitbetaald als gevolg van verrekening van zaken die de hoogte van de bijstand als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet werk en bijstand niet beïnvloeden, wordt over dat tijdvak toch de loonheffingskorting in aanmerking genomen. Een voorbeeld hiervan is de verrekening van een verleend voorschot.

Geen loonheffingskorting als bijstand betrekking heeft op een vroeger kalenderjaar

De belastbare bijstand kan geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op tijdvakken uit een vroeger kalenderjaar. De loonheffingskorting mag echter alleen worden toegepast over perioden in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend. Over perioden uit een vroeger kalenderjaar mag dus geen loonheffingskorting worden berekend. Dit betekent dat in een jaar over niet meer dan 12 maanden rekening kan worden gehouden met de loonheffingskorting.

Verschil in berekening loonheffingskorting en berekening belaste bijstand

Bepalend voor de vaststelling van de in het kalenderjaar belastbare bijstand is het jaar waarin de bijstand wordt verleend. Voor de vaststelling van de loonheffingskorting geldt echter dat die in aanmerking mag worden genomen voorzover die ziet op de perioden in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend. De loonheffingskorting wordt derhalve berekend over de perioden in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend. Daarbij is het niet van belang of de bijstand over dat jaar ook in dat jaar is uitbetaald, zoals bijvoorbeeld de uitkering over december die wordt uitbetaald in januari. De vaststelling van de loonheffingskorting over het kalenderjaar wijkt dus af van de vaststelling van de belaste bijstand in het kalenderjaar. (Voor het tijdstip van belasten van de bijstand is het moment van uitbetalen beslissend.)

Uit het voorgaande volgt dat correcties van uitkeringen na afloop van het jaar geen gevolgen hebben voor de hoogte van de belastbare bijstand; wat in het voorafgaande kalenderjaar is uitbetaald staat immers na afloop van het jaar vast. Dat ligt anders bij het vaststellen van de loonheffingskorting van de bijstandsgerechtigde. Het definitief vaststellen van die loonheffingskorting moet gebeuren na afloop van het jaar (vóór februari van het jaar daarop). Daarbij moeten alle gegevens worden meegenomen die op dat moment bekend zijn (bijvoorbeeld de gegevens over de elders benutte loonheffingskorting).

Terugvordering die niet geheel in hetzelfde kalenderjaar wordt terugbetaald

Als niet over een heel jaar bijstand is verleend, moet de loonheffingskorting in beginsel tijdsevenredig worden verminderd. Dit geldt ook als over een periode bijstand is verleend, die in hetzelfde kalenderjaar is terugbetaald. Voor de gevallen waarin bijstand over een periode (bijvoorbeeld een maand) geheel is teruggevorderd, maar in hetzelfde kalenderjaar pas voor een deel is terugbetaald, hoeft de loonheffingskorting (en in voorkomende gevallen de elders benutte loonheffingskorting) niet tijdsevenredig te worden verminderd, maar kan die verminderd worden evenredig aan het terugbetaalde deel van de teruggevorderde bijstand.

Geen loonheffingskorting bij uitkeringen op grond van het BBZ 2004

Voor bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die op grond van het BBZ 2004 aanvankelijk wordt verleend in de vorm van een renteloze lening en later wordt omgezet in een bedrag om niet, wordt geen rekening gehouden met een bedrag aan loonheffingskorting. Dit geldt niet alleen voor de omzetting in een bedrag om niet zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid van het BBZ 2004, maar ook voor de omzetting in een bedrag om niet van (een deel van) een lening in verband met bedrijfskapitaal zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het BBZ 2004.

Gevolgen voor de premie Ziekenfondswet

De over de bijstandsuitkering te berekenen loonheffing behoort tot de grondslag voor de berekening van de ziekenfondspremie. Als gevolg daarvan heeft ook de afdracht van ziekenfondspremie in de loop van het jaar een voorlopig karakter. Wanneer na afloop van het kalenderjaar het bedrag van de loonheffing definitief wordt vastgesteld dient daarom ook de verschuldigde ziekenfondspremie definitief te worden vastgesteld.

Benodigde gegevens voor het toepassen van het rekenvoorschrift

Voor het toepassen van het rekenvoorschrift na afloop van het jaar dienen de volgende gegevens beschikbaar te zijn:

 

a.   Het bedrag aan belaste netto bijstand, op dezelfde wijze vast te stellen als bij de toepassing van het bijstandspercentagetarief (alleen uitgezonderd het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie), dus met saldering van fiscale ontvangsten, netto terugvordering binnen het kalenderjaar, enz. De fiscale ontvangsten worden daarbij in aanmerking genomen op het tijdstip van ontvangst door de gemeente.

 

b.   De categorie waartoe de bijstandsontvanger behoort:

 

-     jonger dan 65 jaar;

-     65 jaar en ouder:

-     gehuwden;

-     alleenstaanden.

 

      Dit gegeven is nodig voor het bepalen van de loonheffingskorting en de toe te passen percentages.

 

c.   De tijdvakken in het kalenderjaar waarover bijstand werd uitbetaald of verrekend.

d.   Het bedrag van de belaste alimentatie.

e.   Bij bijstand in aanvulling op eigen looninkomsten, per loontijdvak:

 

-     is al dan niet loonheffingskorting toegepast op dat loon of die uitkering;

-     het belastbaar loon;

-     het loontijdvak;

-     de toegepaste loonbelastingtabel (bijvoorbeeld witte of groene tabel).

 

De bedragen bedoeld onder a (en in voorkomende gevallen ook die onder d dienen te worden gesplitst over de perioden vóór de maand waarin de 65-jarige leeftijd bereikt wordt en de perioden vanaf die maand.

 

Voor wat betreft de gegevens onder b moeten tevens de wijzigingen in de loop van het kalenderjaar worden vastgelegd. Het tarief voor personen van 65 jaar en ouder en de ouderenkortingen gelden met ingang van de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.

 

De gegevens bedoeld onder e zijn over het algemeen af te leiden uit de loonstrook of uitkeringsspecificatie. Of de loonheffingskorting is toegepast, kan door de werkgever of uitkeringsinstantie worden aangegeven met een code. Code 0 als de loonheffingskorting niet is toegepast en code 1 als dat wel het geval is. Voor de situatie waarin op de loonstrook of uitkeringsspecificatie geen bedrag aan belastbaar loon is vermeld, is voorzien in een aanvullende rekenregel die in het rekenvoorschrift is opgenomen. Dit geldt ook voor het geval dat er aan het eind van het kalenderjaar geen loonstrook of uitkeringsspecificatie is.

4.3.      Berekening van loonheffing over WIK en WWIK uitkeringen

Met ingang van 1 januari 2005 is de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) vervallen. Daarvoor in de plaats is de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) gekomen. De loonheffing over de nieuwe WWIK-uitkering wordt anders berekend dan over de WIK-uikering.

 

De WIK-uitkering was een netto-uitkering in de vorm van lening. Deze uitkering werd in het jaar volgend op het uitkeringsjaar definitief vastgesteld. Op het moment van de definitieve vaststelling van de WIK-uitkering werd de loonheffing berekend met een speciaal rekenvoorschrift. De uitkerende instantie hoefde geen loonstaat bij te houden en ook geen loonbelastingverklaring uit te reiken.

Loonheffing nieuwe WWIK-uitkeringen

De WWIK-uitkering is een bruto-uitkering. Dat betekent dat loonheffing ingehouden moet worden op het moment dat de uitkering wordt uitbetaald. Hierbij is de groene loonbelastingtabel van toepassing. Verder gelden de normale regels voor de loonheffing. Vanaf 1 januari 2005 moet de uitkerende instantie dus ook verplicht een loonstaat bijhouden en de uitkeringsgerechtigden een loonbelastingverklaring uitreiken. Over de WWIK-uitkeringen staat meer informatie in het algemene Handboek loonheffing en premies werknemersverzekeringen 2005 (verder: Handboek 2005).

Rekenvoorschrift ‘oude’ WIK-uitkeringen die in 2005 definitief worden vastgesteld

Een 'oude' WIK-uitkering die in 2005 definitief wordt vastgesteld, is belast inkomen in 2005. Vanaf 2005 moet de loonbelasting/premie volksverzekeringen over deze WIK-uitkering met toepassing eindheffing (eindheffing over publiekrechtelijke uitkeringen) worden vastgesteld. Daarmee wordt voorkomen dat in 2005 zowel de WIK-uitkering over 2004 als de WWIK-uitkering over 2005 als fiscaal inkomen van de kunstenaar wordt aangemerkt.

 

Bij het berekenen van de eindheffing is het gebruteerde tabeltarief van toepassing (zie tabel 5, kolom B “zonder loonheffingskorting” in het Handboek 2005). Het jaarloon voor de toepassing van deze tabel is gelijk aan jaarloon voor de toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen. Voor de WIK-uitkeringen betekent dit in het algemeen dat de gebruteerde uitkering in 2004 het uitgangspunt is met als resultaat een heffingspercentage volgens de eindheffingstabel 2005 van 52,40.

 

De grondslag waarover de loonbelasting/premie volksverzekeringen is verschuldigd, wordt als volgt berekend:

 

Bedrag aan WIK-uitkering dat in 2005 definitief is vastgesteld     € ………..

Ziekenfondspremie die op deze uitkering betrekking heeft          €…………+

Grondslag voor de berekening                                                  €…………

 

Omdat de eindheffing wordt toegepast, hoeft de uitkerende instantie voor dit inkomen geen loonstaat aan te maken en ook geen loonbelastingkaart in te sturen.

 

Meer informatie over deze eindheffing over publiekrechtelijke uitkeringen staat in paragraaf 21.3 van het Handboek 2005. Zie voor het begrip 'jaarloon bijzondere beloningen' paragraaf 6.3.5 van dit handboek. Het handboek staat op www.belastingdienst.nl.

5.         Verrekening of terugvordering van verstrekte bijstand

Elke bijstandsuitkering die voor de loonheffing als een belaste uitkering moet worden aangemerkt, moet op het tijdstip van uitbetaling of verrekening in de loonheffing worden betrokken. Dit geldt ook indien al meteen vaststaat dat de bijstandsuitkering te zijner tijd zal worden verrekend met een aan de bijstandsgerechtigde met terugwerkende kracht toe te kennen sociale verzekeringsuitkering.

 

De over de bijstandsuitkering definitief vastgestelde loonheffing is als voorheffing verrekenbaar met de eventueel aan de bijstandsgerechtigde op te leggen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Bij terugvordering of verrekening van de bijstandsuitkering na afloop van het kalenderjaar kan de geheven loonheffing daarom niet door de gemeente worden gecompenseerd met latere betalingen van loonheffing, noch door de Belastingdienst aan de gemeenten worden teruggegeven.

Vereenvoudigde regeling inzake bepaalde verrekeningen

Voor de verrekening van bepaalde uitkeringen tussen bepaalde instanties is een vereenvoudigde regeling in het leven geroepen. Deze regeling geldt voor verrekening van sociale uitkeringen tussen UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen), gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank. In mijn besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2234M, heb ik goedkeuring verleend voor de toepassing van deze vereenvoudigde regeling. Bij brief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met het kenmerk BZ/IW/00/83403 bent u nader over dit besluit geïnformeerd. Dit besluit is in heroverweging. Dat betekent dat dit besluit met ingang van 1 januari 2004 alleen met inachtneming van de wijzigingen in de relevante wettelijke regelingen kunnen worden toegepast. De werking van dit besluit is in hoofdlijnen als volgt.

 

Voor wat betreft de bijstandsuitkeringen ziet de regeling op de volgende verrekeningen:

 

-     verrekening van belaste bijstand met een door UWV toegekende sociale-verzekeringsuitkering;

-     verrekening van belaste bijstand met een door een andere gemeente toegekende belaste bijstandsuitkering;

-     verrekening van belaste bijstand met een andere door de gemeente toegekende belaste uitkering;

-     verrekening van door een uitvoeringsinstelling verstrekte (voorschotten op een) sociale-verzekeringsuitkering met een toegekende bijstandsuitkering;

-     verrekening van belaste bijstand met een door de Sociale Verzekeringsbank toegekende AOW- of Anw-uitkering.

 

De betrokken instanties dienen in deze gevallen als volgt te handelen.

 

De vorderende instantie doet aan de andere instantie een schriftelijke opgaaf toekomen met het bruto bedrag van de door haar over de verrekeningsperiode verstrekte uitkering (d.w.z. met inbegrip van de daarover geheven loonheffing). De andere instantie bewaart deze opgaaf bij de loonadministratie.

De andere instantie zondert van de door haar over de verrekeningsperiode toegekende bruto uitkering ter overmaking aan de vorderende instantie af, het bruto gevorderde bedrag (met inbegrip van de daarover geheven loonheffing).

De andere instantie beschouwt dit afgezonderde bruto bedrag niet als loon en berekent de loonheffing over het resterende deel van de door haar toegekende bruto uitkering.

De vorderende instantie vermeldt op de loonbelastingkaarten van de desbetreffende jaren (inclusief die van het lopende kalenderjaar) de door haar verstrekte bruto uitkering, zonder rekening te houden met de hiervoor bedoelde verrekening.

De andere instantie vermeldt met betrekking tot de nabetaling op de loonbelastingkaart van het desbetreffende jaar het gedeelte van de bruto uitkering dat na de hiervoor bedoelde verrekening resteert.

Andere verrekeningssituaties en terugvordering

De hiervoor vermelde vereenvoudigde verrekeningsregeling geldt niet in de volgende situaties:

 

-     verrekening van bijstand met een andere dan de hiervoor genoemde instanties;

-     terugvordering van verstrekte bijstand;

-     verrekening van onbelast verstrekte bijstand met een door UWV dan wel de Sociale Verzekeringsbank toegekende sociale verzekeringsuitkering of met een door een andere gemeente verstrekte (belaste of onbelaste) bijstandsuitkering.

 

In deze gevallen vordert de gemeente de bruto bijstand (inclusief de definitief vastgestelde loonheffing) dan wel, indien het onbelast verstrekte bijstand betreft, de uitbetaalde bijstandsuitkering.

Bij verrekening beschouwt de andere instantie het volledige bedrag van de door haar toegekende uitkering als loon. Daarbij wordt dus geen rekening gehouden met het door de gemeente gevorderde bedrag.

6.         Verzelfstandiging van uitkeringsrechten

In gevallen waarin gezinsbijstand wordt verstrekt aan gehuwden en daarmee gelijkgestelden bestaat voor beide partners een gelijke aanspraak op de (aanvullende) bijstandsuitkering. Voor beide partners is er sprake van een periodieke uitkering in de zin van artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Hierbij is niet van belang aan wie van de partners de bijstand daadwerkelijk wordt uitbetaald.

Dit betekent dat voor het bepalen van de verschuldigde loonheffing, de heffingspercentages van het bijstandspercentagetarief voor elk van de partners afzonderlijk moeten worden toegepast. Deze individuele benadering geldt ook met betrekking tot de definitieve vaststelling van de verschuldigde loonheffing na afloop van het kalenderjaar. Daarbij moet de loonheffingskorting (en het eventueel al gebruikte deel daarvan) per partner berekend worden.

Verder behoort na afloop van het kalenderjaar voor beide partners afzonderlijk een loonbelastingkaart te worden ingezonden en moet aan beide partners een jaaropgave van de verleende bijstand en de daarop ingehouden loonheffing worden verstrekt.

7.         Administratie

De bijstandsgerechtigde die onder het bijstandspercentagetarief valt hoeft voor de bijstand geen loonbelastingverklaring in te leveren. De gemeente is ten aanzien van deze bijstandsgerechtigde vrijgesteld van de verplichting tot het bijhouden van loonstaten.

 

De berekening van de verschuldigde loonheffing geschiedt aan de hand van de bijstandsadministratie. De hiervoor benodigde gegevens zijn genoemd in onderdeel 4.2 van deze circulaire.

 

Voor de berekening van de verschuldigde loonheffing in de loop van het kalenderjaar en de betaling daarvan op aangifte worden de percentages van het bijstandspercentagetarief toegepast op het totale bedrag aan belastbare netto bijstand per categorie bijstandsuitkeringen.

In overleg tussen de gemeente en de bevoegde inspecteur van de Belastingdienst worden voorlopige betalingen gedaan.

8.         Loonbelastingkaarten

Gemeenten moeten de loonbelastingkaarten van bijstandsgerechtigden na afloop van het jaar, maar vóór 1 februari van het daaropvolgende jaar inleveren. De gegevens voor de loonbelastingkaarten worden ontleend aan de loonstaten c.q. de bijstandsadministratie.

Op de loonbelastingkaarten wordt als loon vermeld het totaalbedrag van:

 

-     de belastbare netto bijstand;

-     de eventuele vergoeding voor het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie;

-     het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie;

-     de ter zake geheven loonheffing.

 

Op de loonbelastingkaart moet met een code worden vermeld of de loonheffingskorting is toegepast. Code 0 als dat niet het geval is en code 1 als de loonheffingskorting wel is toegepast. Voor bijstandsuitkeringen geldt dat in beginsel altijd de loonheffingskorting wordt toegepast. Alleen als de loonheffingskorting voor alle perioden in het kalenderjaar bij andere looninkomsten is gebruikt, kan deze bij de bijstand niet toegepast worden. Alleen in dat laatste geval wordt op de loonbelastingkaart code 0 ingevuld (geen loonheffingskorting). Voor alle andere gevallen wordt code 1 (wel loonheffingskorting) ingevuld, ook in de gevallen waarin over één of meer tijdvakken de loonheffingskorting niet bij de bijstand in aanmerking mag worden genomen omdat die al bij andere looninkomsten is gebruikt.

 

Als bij het vaststellen van de aanvullende bijstandsuitkering rekening is gehouden met een (belaste) alimentatie-uitkering gelden daarnaast voor de invulling van enkele rubrieken van de loonbelastingkaart afwijkende regels:

 

-     indien in de door de gemeente uitgekeerde bedragen de door haar geïnde alimentatie is begrepen, wordt vermeld in de rubriek:

 

-     loon: het gezamenlijke bedrag van de aanvullende bijstand en de doorbetaalde alimentatie;

-     speciale aanduidingen: code 25 en het bedrag van de doorbetaalde alimentatie;

 

-     indien de gemeente loonheffing heeft ingehouden over het gezamenlijke bedrag van de door de onderhoudsplichtige rechtstreeks aan de bijstandsgerechtigde betaalde alimentatie en de aanvullende bijstand, wordt vermeld in de rubriek:

 

-     loon: het gezamenlijke bedrag van de aanvullende bijstand en de rechtstreeks aan de bijstandsgerechtigde betaalde alimentatie waarmee bij het vaststellen van de aanvullende bijstand rekening is gehouden;

-     speciale aanduidingen: code 26 en het bedrag waarmee rekening is gehouden.

9.         Inhoudingsplicht bij gemeenschappelijke regelingen

Op grond van de Gemeentewet kan de gemeente bepaalde taken delegeren, centreren of mandateren. Wanneer een gemeente voor het doen van WWB-uitkeringen en verstrekkingen gebruik maakt van deze bevoegdheid, dan heeft dit gevolgen voor de inhoudingsplicht. In de praktijk blijkt het bij WWB-uitkeringen en verstrekkingen alleen gebruik gemaakt wordt van delegeren en mandateren. De gevolgen voor de inhoudingsplicht zijn als volgt.

Delegatie

Het is gemeenten toegestaan om wettelijke taken op grond van de WWB over te dragen (te delegeren) aan een gemeenschappelijke regeling (WGR-verband).

 

Delegatie heeft tot gevolg dat de delegans de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van de bevoegdheid verliest, en deze niet meer zelf mag uitoefenen. Dit leidt er toe, dat delegatie alleen met een grondslag in een wettelijk voorschrift kan worden verleend. De wettelijke delegatiebasis kan liggen in de wettelijke regeling waarop de betrokken bestuursbevoegdheid berust, of in een algemene wettelijke delegatieregeling. De Wet gemeenschappelijke regelingen biedt een algemene wettelijke basis voor het delegeren van bevoegdheden.

 

Het openbaar lichaam waaraan de bevoegdheden zijn overgedragen is voor deze bevoegdheden zelfstandig juridisch verantwoordelijk. Daarom is het openbaar lichaam ook degene die de arbeidsovereenkomsten aangaat en de bijstandsuitkeringen verstrekt. Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964, wordt het openbaar lichaam als inhoudingsplichtige aangewezen. De Belastingdienst heeft het standpunt ingenomen dat wanneer de WWB is gedelegeerd aan een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid, dit lichaam werkgever wordt. Dat betekent dat ook de afdrachtvermindering voor de loonheffing overgaan naar het openbaar lichaam. Dit standpunt is bevestigd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

 

Voor de WWB geldt er een beperking op grond van artikel 7 van de WWB. Deze beperking ziet enkel op mandaatverlening. Artikel 7 van de WWB is niet van toepassing op de onderhavige bevoegdheidsoverdracht via delegatie. Overigens is er in casu wel sprake van mandaatverlening doch deze ziet op de situatie waarin de bevoegdheden reeds zijn overgedragen middels delegatie.

Mandaat

Bij mandaat gaat het om een bevoegdheidsuitoefening waarvoor het mandaterende bestuursorgaan verantwoordelijk blijft, en waarover het dan ook de zeggenschap blijft behouden. Rechtens geldt een in mandaat genomen besluit als een besluit van de mandaatgever: de rechtsgevolgen zijn dezelfde als wanneer de mandaatgever zelf het besluit tot stand had gebracht. Mandaat is te beschouwen als de publiekrechtelijke tegenhanger van de volmacht uit het privaatrecht. In geval van mandaat wordt de inhoudingsplicht niet overgedragen.

10.       Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

Vanaf 1 januari 2001 zijn de tariefgroepen en de daarbij behorende belastingvrije sommen vervangen door een systeem van heffingskortingen. Een heffingskorting is een korting op de verschuldigde belasting. Er zijn in totaal dertien heffingskortingen (tussen haakjes staat steeds het (maximale) bedrag van de heffingskorting in 2005 dat geldt voor personen jonger dan 65 jaar):

 

-     de algemene heffingskorting (€ 1.894);

-     de arbeidskorting (max. € 1.287 voor personen tot 57 jaar, daarboven verschillende categorieën);

-     de ouderenkorting (€ 454);

-     de aanvullende ouderenkorting (€ 287);

-     de jonggehandicaptenkorting (€ 639);

-     de alleenstaande-ouderkorting (€ 1.401);

-     de aanvullende alleenstaande-ouderkorting (4,3%; max. € 1.401);

-     de kinderkorting (€ 112);

-     de aanvullende kinderkorting (max. € 690 );

-     de combinatiekorting (max. € 228);

-     de aanvullende combinatiekorting (€ 389)

-     de korting voor maatschappelijke beleggingen (1,3% van de vrijstelling in box 3);

-     de korting voor beleggingen in durfkapitaal (1,3% van de vrijstelling in box 3);

 

Iedere binnenlands belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Afhankelijk van persoonlijke omstandigheden kan recht bestaan op één of meer van de andere heffingskortingen.

Met de eerste vijf heffingskortingen kan een werkgever of uitkeringsinstantie rekening houden bij de inhouding van loonheffing. De overige heffingskortingen kunnen maandelijks door de Belastingdienst worden uitbetaald door middel van een voorlopige teruggaaf. Een voorlopige teruggaaf is ook mogelijk voor de algemene heffingskorting van de niet of weinig verdienende partner.

 

Op grond van artikel 31, eerste lid van de WWB moeten heffingskortingen tot de middelen worden gerekend. In artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de WWB is op deze regel een uitzondering gemaakt voor de heffingskortingen, die niet tot de middelen worden gerekend:

 

-     voor alle belanghebbenden:

-     kinderkorting

-     aanvullende kinderkorting

-     jonggehandicaptenkorting

 

-     uitsluitend voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is:

-     aanvullende alleenstaande ouderkorting

-     combinatiekorting

-     aanvullende combinatiekorting.

 

Daarbij wordt de volgende rangorde in aanmerking genomen

 

A. Loonheffingskortingen

1. arbeidskorting

2. algemene heffingskorting

3. ouderenkorting/jonggehandicaptenkorting *)

4. aanvullende ouderenkorting

 

B. Heffingskortingen via voorlopig teruggaaf

1. kinderkorting

2. aanvullende kinderkorting

3. arbeidskorting **)

4. aanvullende alleenstaande ouderkorting

5. combinatiekorting

6. alleenstaande ouderkorting/minstverdienende partnerkorting *)

.....

*)    Deze kortingen kunnen niet in combinatie met elkaar voorkomen en zijn daarom nevengeschikt.

**)   In uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld bij alphahulpen, kan de arbeidskorting via de VT lopen.

 

De loonheffingskortingen gaan voor de heffingskortingen die via een VT lopen.

Binnen de loonheffingskortingen sluit de rangorde voor wat betreft de arbeidskorting aan op de tabellen; voor het overige is de rangorde logisch bepaald.

 

Binnen de VT-kortingen is de vrijlating van heffingskortingen uitgangspunt geweest voor de rangorde. Dit voorkomt dat de belanghebbende deze kortingen ‘misloopt’.

Voorlopige teruggaaf

Voor de volgende heffingskortingen kan een Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen worden gevraagd (gezien de doelgroep worden de kortingen voor maatschappelijke beleggingen en durfkapitaal hier niet behandeld).

 

-     Alleenstaande-ouderkorting: voor degene die meer dan zes maanden in het kalenderjaar geen partner heeft, een huishouden voert met uitsluitend kinderen die bij het begin van het kalenderjaar nog geen 27 jaar zijn, tenminste één van die kinderen in belangrijke mate onderhoudt en dat kind op zijn woonadres is ingeschreven.

 

-     Aanvullende alleenstaande-ouderkorting: voor degene die recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting, inkomsten uit tegenwoordige arbeid heeft en in het kalenderjaar meer dan zes maanden een kind tot zijn huishouden behoort dat bij het begin van het kalenderjaar nog geen 16 jaar is en op zijn woonadres is ingeschreven.

 

-     Kinderkorting: voor degene met een (gezamenlijk) verzamelinkomen van hooguit € 60.447 (bedrag 2005) tot wiens huishouden meer dan zes maanden in het kalenderjaar tenminste één kind behoort dat op 1 januari nog geen 18 jaar is, dat gedurende die periode ingeschreven staat op het woonadres van hem of zijn partner en door hem of zijn partner in belangrijke mate wordt onderhouden. Voor partners geldt dat alleen degene met het hoogste inkomen of, bij een gelijk inkomen, de oudste partner recht heeft op de kinderkorting. Op gezamenlijk verzoek van de partners kan de kinderkorting aan de andere partner worden toegekend.

 

-     Aanvullende kinderkorting: voor degene die recht heeft op de kinderkorting en met zijn eventuele partner geen hoger verzamelinkomen heeft dan € 30.225 (bedrag 2005). Deze korting bedraagt standaard € 504 (bedrag 2005), maar wordt verhoogd tot € 690 (bedrag 2005) als het gezamenlijke verzamelinkomen niet hoger is dan € 28.491 (bedrag 2005). Dat laatste bedrag wordt nog eens verhoogd met € 65 (bedrag 2005) als er gedurende minstens zes maanden in het kalenderjaar drie kinderen tot het huishouden behoren die op 1 januari nog geen 18 jaar zijn, in belangrijke mate door betrokkene of partner worden onderhouden en in die periode op het adres van betrokkene staan ingeschreven. Ook de aanvullende kinderkorting geldt in beginsel voor de partner met het hoogste inkomen.

 

-     Combinatiekorting: voor degene die betaald werk verricht waarmee hij meer dan € 4.366 (bedrag 2005) winst uit onderneming, loon of resultaat uit overige werkzaamheden verdient, of waarvoor hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek en in het kalenderjaar ten minste zes maanden een kind in zijn huishouden heeft, dat op 1 januari nog geen 12 jaar was en gedurende die periode op zijn woonadres is ingeschreven. Als er een partner is die ook aan de genoemde voorwaarden voldoet, dan hebben beide partners recht op de combinatiekorting. De combinatiekorting bedraagt € 228 (bedrag 2005).

 

-     Aanvullende combinatiekorting: voor de minstverdienende partner en de alleenstaande ouder die recht heeft op de combinatiekorting. Deze nieuwe korting bedraagt € 389 (bedrag 2005).

 

-     Algemene heffingskorting: voor de niet of weinig verdienende partner, dat wil zeggen voor degene met een laag verzamelinkomen (tot ruim € 5.700 in 2005) die in het kalenderjaar minimaal zes maanden een partner heeft met een inkomen dat ongeveer € 10.000 (bedrag 2005) of meer bedraagt.

 

Vanaf 2004 geldt de jonggehandicaptenkorting voor degene die recht heeft op een WAJONG-uitkering ook als de WAJONG-uitkering niet wordt uitgekeerd omdat de jonggehandicapte te hoge overige inkomsten heeft. Hiervoor kan echter geen voorlopige teruggaaf worden gevraagd. De jonggehandicapte kan de bij de aangifte inkomstenbelasting rekening houden met deze heffingskorting.

 

Indien er over 2004 een voorlopige teruggaaf was toegekend, is voor het jaar 2005 een voorlopige teruggaaf automatisch toegekend op basis van de over het jaar 2004 verstrekte gegevens. Als er nog niet eerder een voorlopige teruggaaf is aangevraagd, dan kan dat in 2005 alsnog met het formulier Verzoek of wijziging VT 2005. Hiermee kan eveneens een reeds toegekende VT gewijzigd worden. Uiteraard kan dit ook elektronisch via www.belastingdienst.nl.

 

Op de voorlopige teruggaaf is, voor zover die geen betrekking heeft op heffingskortingen, het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de WWB, van toepassing. Vergoedingen en tegemoetkomingen voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing voor het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven.

Verplichte aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

Als hoofdregel voor het opleggen van aanslagen geldt dat een aanslag wordt opgelegd als de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (de inkomensheffing) de ingehouden loonheffing, verminderd met het bedrag van de voorlopige teruggaven (het voorheffingssaldo), met meer dan € 40 (bedrag 2005) overtreft.

 

Er wordt ook een aanslag opgelegd als er aangifte is gedaan en het terug te geven bedrag meer bedraagt dan € 13 (bedrag 2005), de zogenoemde aanslag op verzoek, vaak via een T-biljet.

 

Uit de hoofdregel volgt dat er vaak een verplichte aanslag moet worden opgelegd als een bijstandsgerechtigde eigen inkomsten heeft die niet aan loonheffing zijn onderworpen. Daarnaast wordt over 2004 ook een aanslag opgelegd als er een voorlopige teruggaaf is verleend voor aftrekposten of voor de algemene heffingskorting.

11.       Langdurigheidstoeslag, stimuleringspremie en vergoeding vrijwilligerswerk

Tot de onbelaste uitkeringen en verstrekkingen behoort, op grond van artikel art. 3:104, onderdeel f, van de Wet IB 2001, de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van de WWB.

 

De stimuleringspremie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de WWB, is onbelast, mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen vrijwilligersvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, van de WWB is verstrekt. Dit staat in artikel 11b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964. Bij samenloop van de stimuleringspremie en de vrijwilligersvergoeding is de stimuleringspremie belast.

 

Als de premie belast is, hoeft de (ex-)bijstandsgerechtigde geen loonbelastingverklaring in te leveren. De gemeente mag bij de inhouding van loonheffing op belaste premies geen rekening houden met de loonheffingskorting. Verder geldt voor werkaanvaardingspremies de witte tabel en voor premies in verband met scholing of vrijwilligerswerk de groene tabel.

 

Een vergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, WWB is onbelast op grond van artikel 11b, eerste lid, onderdeel b, Wet LB 1964, mits deze vergoeding ten hoogste € 21,00 per week bedraagt met een maximum van € 735,00 per jaar.

12.       Bijzondere Bijstand en buitengewone uitgaven

Verhouding Bijzondere Bijstand/Buitengewone uitgavenaftrek en Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven

Vanaf 1 januari 2004 zijn de mogelijkheden om gebruik te maken van de fiscale buitengewone uitgavenaftrek (BU) aanzienlijk verruimd voor mensen met een laag inkomen. Tevens is er een regeling gekomen, het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU), die erin voorziet dat niet-verzilverbare buitengewone uitgaven aan betrokkenen worden uitbetaald.

 

Feitelijke kosten die zijn vergoed door de bijzondere bijstand kunnen niet als buitengewone uitgaven bij de aangifte inkomstenbelasting worden opgevoerd (artikel 19a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001).

 

Bij de buitengewone uitgavenaftrek spelen echter niet alleen feitelijke kosten een rol; er wordt ook rekening gehouden met betaalde ziektekostenpremies (werkgevers- en werknemersdeel, nominale - en aanvullende premie) alsmede met het ouderdomsforfait en het arbeidsongeschiktheidsforfait. De verlening van bijzondere bijstand staat er niet aan in de weg dat een beroep wordt gedaan op de buitengewone uitgavenaftrek voor wat betreft déze elementen - uiteraard voor zover de belanghebbende aan fiscale voorwaarden voldoet. De onderhavige belastingteruggave wordt noch bij de verlening van algemene, noch bij de verlening van bijzondere bijstand als middel in aanmerking genomen (artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de WWB). Datzelfde geldt voor belastingteruggaven die betrekking hebben op feitelijke kosten waarvoor geen bijzondere bijstand is verleend.

13.       Kwijtschelding

In de gevallen waarin een te betalen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen moet worden opgelegd, blijft de mogelijkheid bestaan dat op daartoe gedaan verzoek op de voet van artikel 26 van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding wordt verleend van het op die aanslag openstaande bedrag of een gedeelte daarvan. Of er aanleiding bestaat een zodanige kwijtschelding te verlenen kan slechts van geval tot geval worden beoordeeld.

Uitgangspunt daarbij is, dat niet de financiële omstandigheden in het jaar waarop die aanslag betrekking heeft (het belastingjaar) relevant zijn, doch de ten tijde van de indiening van het verzoek om kwijtschelding. Naarmate de omstandigheden op laatst bedoeld tijdstip in vergelijking met de situatie in het belastingjaar zijn verbeterd, bestaat minder aanleiding tot het verlenen van kwijtschelding van het op de aanslag openstaande bedrag. Anderzijds kan het zich voordoen dat die omstandigheden in vergelijking met de situatie in het belastingjaar niet zijn verbeterd of wellicht zijn verslechterd. In dat geval kan er aanleiding bestaan het op die aanslag openstaande bedrag geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

14.       Intrekken vorige circulaire

Deze circulaire vervangt de circulaire van 3 maart 2003, nr. CPP2002/3721M. De laatstgenoemde circulaire wordt hierbij ingetrokken.