Inkomstenbelasting. Autokostenforfait. Autodealer-besluit 2004

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein Belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 5 oktober 2004, nr. CPP2004/2051M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

 

Dit besluit vervangt het Besluit van 11 augustus 2004, nr. CPP2004/1153M. Nader overleg tussen de Bovag/NDA en de Belastingdienst heeft geleid tot enkele aanpassingen in bijlage 2 voor de merken Audi, Chevrolet en Subaru.

1.         Aanleiding

Over de toepassing van het autokostenforfait kunnen onder omstandigheden afspraken vooraf worden gemaakt met de Belastingdienst (vgl. punt 1 en 2 van het Besluit van 30 januari 2002, nr. DGB2001/1744M). Vanuit de praktijk is de vraag gesteld of een autodealer desgewenst, in overleg met de inspecteur waaronder hij ressorteert, voor zijn werknemers (of voor een functioneel of organisatorisch te onderscheiden groep werknemers) een praktische afspraak kan maken ten behoeve van de bijtelling wegens privé-gebruik auto. Deze werknemers maken relatief vaak gebruik van demonstratieauto’s waarvan de catalogusprijs onderling (aanzienlijk) verschilt; ze plegen zowel te rijden in de goedkoopste als in de duurste uitvoering van een of meer types. Voor de desbetreffende werknemers geldt een forfaitaire bijtelling wegens privé-gebruik van 22% van de catalogusprijs van de gebruikte auto’s, omdat er geen rittenadministratie wordt bijgehouden. De bijtelling wegens privé-gebruik, die afgeleid zou moeten worden van de catalogusprijzen van de auto's waarin naar tijdsgelang is gereden, is echter niet zonder intensieve administratieve vastleggingen vast te stellen.

Ingevolge het Besluit van 30 januari 2002, nr. DGB2001/1744M, punt 5, kan voor de berekening van de catalogusprijs worden uitgegaan van de gewogen gemiddelde catalogusprijs van de auto’s die de betrokkene gelet op zijn positie binnen het bedrijf ter beschikking staan. Dit besluit geeft uitvoering aan de toezegging nadere handreikingen voor autodealers en hun werknemers te geven.

In de hierna, bij wijze van voorbeeld, opgenomen afspraak (bijlage 1) is de toepasselijke catalogusprijs op praktische wijze vastgesteld. De desbetreffende afspraak heeft mijn instemming.

Onder vergelijkbare omstandigheden kunnen ook andere werkgevers, in overleg met de coördinatiepersoon, voor hun werknemers vergelijkbare collectieve afspraken maken.

Coördinatiepersoon autobranche

Werkgevers in de autobranche kunnen een verzoek voor een afspraak richten aan de Belastingdienst Oost Brabant/Kantoor Eindhoven, t.a.v. de heer mr. ing. J.J.M. Hezemans, Postbus 90056, 5600 PJ Eindhoven. In verband met de eenheid van beleid en uitvoering coördineert de heer Hezemans namens de Belastingdienst de toepassing van dit besluit voor de autobranche (waaronder de auto-importeurs en bestelautodealers). Andere werkgevers kunnen hun verzoek richten aan de inspecteur waaronder zij ressorteren. De inspecteur stemt het verzoek dan af met de coördinator.

2.         Toelichting

De afspraak is gebaseerd op salarisklassen en bijbehorende (gemiddelde) catalogusprijzen voor het jaar 2004. De salarisklassen zijn vastgesteld aan de hand van een feitelijk onderzoek mede op basis van de loongegevens in de automobielbranche.

Bij de vaststelling van de catalogusprijzen is het uitgangspunt gehanteerd dat aan de werknemers in salarisklasse 1) feitelijk de goedkopere modellen van het merk ter beschikking staan, aan klasse 3) het middensegment en aan klasse 5) de duurdere modellen. Klasse 2) is een combinatie van klasse 1) en 3), en klasse 4) een combinatie van klasse 3) en 5). Per model is het goedkoopste en het duurste type geëlimineerd. Ook zeer exceptionele uitvoeringen (bijvoorbeeld race-uitvoeringen en/of zeer zeldzame modellen) zijn geëlimineerd. Vervolgens zijn de prijzen van de resterende uitvoeringen getotaliseerd en gedeeld door het aantal in aanmerking genomen uitvoeringen, zodat per salarisklasse een gemiddelde catalogusprijs ontstaat. Op basis van de beschikbare gegevens heeft de Belastingdienst, ten behoeve van de eenheid van beleid en uitvoering, voor het jaar 2004 een schema opgesteld van de meest voorkomende automerken. Dit schema is opgenomen als bijlage 2 en kan worden toegepast als de feiten daartoe aanleiding geven.

Als het (tevens) gaat om ter beschikking gestelde auto’s van een niet genoemd merk of van meerdere merken, dan kan de werkgever met de genoemde coördinatiepersoon contact opnemen om toepasselijke catalogusprijzen vast te stellen. De wettelijke regeling brengt mee dat, als een werknemer (of een groep werknemers) feitelijk hoofdzakelijk gebruik pleegt te maken van enkele, goedkopere dan wel duurdere modellen, de (gemiddelde) catalogusprijs voor die werknemer(s) op die modellen wordt gebaseerd en niet op het schema. Aan de wettelijke regeling is inherent dat de bijtelling meer bedraagt dan 22%, voorzover de inspecteur bewijs kan aandragen dat het werkelijke privé-gebruik meer bedraagt dan 22% van de cataloguswaarde.

Ondernemer, medegerechtigde, resultaatgenieter en directeur-grootaandeelhouder

Voor de goede orde merk ik, wellicht ten overvloede (zie ook het besluit van 30 januari 2002, nr. DGB2001/1744M), op dat dit besluit ook geldt voor een ondernemer, medegerechtigde, resultaatgenieter en een directeur-grootaandeelhouder, met inachtneming van het volgende. Iedere personen- of bestelauto die in de onderneming aanwezig is, als handelsvoorraad of als bedrijfsmiddel (inclusief lease of huur), én die door de betrokkene en zijn gezin of een werknemer ook voor privé-doeleinden kan worden gebruikt, komt in beginsel voor de toepassing van het autokostenforfait in aanmerking. Dit in combinatie met een redelijke wetstoepassing brengt mee dat voor de betrokkene (en het gezin) een bijtelling wegens privé-gebruik geldt voor twee van het totaal aantal feitelijk voor toepassing van het autokostenforfait in aanmerking komende auto’s. Bij een alleenstaande ondernemer/directeur-grootaandeelhouder of als in het gezin slechts één persoon een rijbewijs heeft, is de norm bijtelling voor één auto. Indien de inspecteur van mening is dat een hoger aantal in aanmerking moet worden genomen dan twee respectievelijk één auto(‘s), ligt de bewijslast daarvoor bij hem. De inspecteur zal bij de beoordeling daarvan rekening houden met het in privé hebben en rijden van een of meer eigen auto's die voor privé-gebruik evenzeer of zelfs meer geschikt zijn dan de auto's van de zaak.

Voorzover het redelijk is dat een auto feitelijk (mede) ter beschikking is gesteld aan een meewerkende echtgenote/partner, kan de bijtelling aan de echtgenote/partner worden toegerekend (vergelijk ook het arrest van de Hoge Raad van 24 augustus 1996, BNB 1996/139).

3.         Vervallen besluit

Met ingang van de dagtekening van dit besluit, is het besluit van 11 augustus 2004, nr. CPP2004/1153M, komen te vervallen.


Bijlage 1: Voorbeeld-afspraak

De ondergetekenden verklaren het volgende te zijn overeengekomen met betrekking tot het jaar 2004.

 

De afspraak wordt gemaakt voor de werknemer in het kader van de bijtelling wegens privé-gebruik voor de inkomstenbelasting vanwege het gebruik van verschillende auto’s die de werkgever aan de werknemer ter beschikking stelt. De aard van de werkzaamheden brengt mee dat aan de werknemers in salarisklasse 1) feitelijk de goedkopere modellen van het merk ter beschikking staan, aan de werknemers in klasse 3) het middensegment en aan de werknemers in klasse 5) de duurdere modellen. Klasse 2) is een combinatie van klasse 1) en 3), en klasse 4) een combinatie van klasse 3) en 5).

1.         Rittenstaat

Er hoeft geen rittenstaat ingevuld te worden; het uitgangspunt is een bijtelling van 22%.

2.         Vaststelling catalogusprijs

Automerk(en):

 

Salarisklassen

Toepasselijke catalogusprijs (vgl. bijlage 2)

..............................

.............................................

1) Tot € 27.500

 

2) € 27.500 tot € 35.000

 

3) € 35.000 tot € 47.500

 

4) € 47.500 tot € 62.650

 

5) € 62.650 en meer

 

 

De indeling van de werknemer in een salarisklasse vindt plaats aan de hand van het jaarloon (dan wel het herrekende jaarloon bij in/of uitdiensttreding in de loop van het jaar) voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, dat wil zeggen het basisloon inclusief bonussen en provisies (kolom 14 van de loonstaat) en, indien van toepassing, rekening houdend met de zgn. gebruikelijkloonregeling (artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964). Als op enig moment in een kalenderjaar het loon de grens van een klasse passeert, geldt de cataloguswaarde van de desbetreffende salarisklassen tijdsevenredig.

3.         Voorwaarden

1.   De afspraak kan uitsluitend fiscale gevolgen hebben als de gegevens bij punt 2 zijn geaccordeerd door de inspecteur die bevoegd is ten aanzien van de werkgever.

 

2.   De werknemer gaat bij zijn aangifte inkomstenbelasting over 2004 uit van een bijtellingspercentage van 22 in combinatie met de catalogusprijs die hoort bij zijn salarisklasse uitgaande van de gegevens zoals vermeld in deze afspraak.

 

3.   Op de loonbelastingkaart van de desbetreffende werknemers vermeldt de werkgever code 02 (in plaats van 01).

 

4.   De werkgever bewaart de ten behoeve van zijn werknemers gemaakte afspraken bij zijn loonadministratie.

 

5.   De werkgever meldt een eventuele wijziging in de omstandigheden (waaronder de situatie dat in de praktijk slechts gebruik is of wordt gemaakt één of enkele auto's met een hogere of lagere cataloguswaarde dan vastgesteld bij punt 2) onverwijld aan zijn inspecteur van de Belastingdienst.

 

6.   De werknemer verklaart door ondertekening dat er geen afspraak geldt met de voor hem bevoegde inspecteur van de Belastingdienst en dat hij door ondertekening akkoord gaat met de inhoud en naleving van deze afspraak, onder vermelding van naam, adres, woonplaats, SoFi-nummer en functie binnen het bedrijf.

 

7.   De werkgever verklaart zich door ondertekening akkoord met de inhoud van deze afspraak en met de naleving ervan, onder vermelding van zijn naam, adres en loonbelastingnummer.

 

8.   Als niet voldaan wordt aan een of meer van de voorwaarden, geldt voor de desbetreffende werknemer tijdsevenredig een bijtelling wegens privé-gebruik van 22% met betrekking tot de auto’s waarin achtereenvolgens is gereden, tenzij de werknemer anderszins kan laten blijken. Als feitelijk hoofdzakelijk gebruik gemaakt is of wordt van één of enkele, goedkopere dan wel duurdere modellen, brengt de wettelijke regeling mee dat de (gemiddelde) catalogusprijs voor die werknemer(s) op die modellen wordt gebaseerd en niet op het schema.

 

Gegevens werknemer

Naam:

Adres:

Woonplaats:

SoFi-nummer:

Functie:

Salaris:

Bedrag toepasselijke catalogusprijs:

Datum en handtekening voor akkoord:

 

Gegevens werkgever

Naam:

Adres:

Postcode:

Vestigingsplaats:

Loonbelastingnummer:

Automerk(en):

Datum en handtekening voor akkoord:


Bijlage 2: Gewogen gemiddelde cataloguswaarden per merk naar salaris- klassen voor het jaar 2004

Salaris

Merk

klasse

cataloguswaarden in €

 

 

Alfa Romeo

Audi

BMW

Chevrolet

Chrysler

......

..............

..............

............

..............

............

1)

€ 21.440

€ 24.500

€ 32.020

€ 42.600

€ 22.800

2)

€ 25.140

€ 31.750

€ 35.580

€ 51.180

€ 26.520

3)

€ 28.840

€ 37.850

€ 39.140

€ 59.760

€ 30.240

4)

€ 35.680

€ 43.460

€ 48.880

€ 63.120

€ 37.060

5)

€ 42.500

€ 49.080

€ 58.640

€ 66.480

€ 43.860

 

 

Citroën

Daewoo

Daihatsu

Fiat

Ford

.......

..............

..............

............

..............

............

1)

€ 14.180

€ 11.920

€ 10.860

€ 12.600

€ 15.480

2)

€ 18.840

€ 16.120

€ 13.760

€ 16.140

€ 21.580

3)

€ 23.500

€ 20.300

€ 16.640

€ 19.660

€ 27.680

4)

€ 30.900

€ 22.900

€ 17.500

€ 26.940

€ 32.440

5)

€ 38.300

€ 25.500

€ 18.340

€ 34.200

€ 37.200

 

 

Honda

Hyundai

Kia

Lancia

Mazda

.......

..............

..............

............

..............

............

1)

€ 20.500

€ 12.800

€ 11.780

€ 12.300

€ 15.860

2)

€ 26.280

€ 15.360

€ 15.080

€ 20.300

€ 21.420

3)

€ 32.040

€ 17.920

€ 18.380

€ 28.280

€ 26.960

4)

€ 38.100

€ 26.580

€ 25.800

€ 39.540

€ 29.100

5)

€ 44.180

€ 35.240

€ 33.200

€ 50.780

€ 31.220

 

 

Mercedes

Mini 1)

Mitsubishi

Nissan

Opel

.......

..............

..............

............

..............

............

1)

€ 27.220

€ 19.280

€ 14.700

€ 13.880

€ 14.820

2)

€ 32.940

€ 21.300

€ 18.240

€ 20.660

€ 20.940

3)

€ 38.640

€ 25.040

€ 21.760

€ 27.420

€ 27.040

4)

€ 48.660

#)

€ 32.100

€ 35.420

€ 31.880

5)

€ 58.660

#)

€ 42.420

€ 43.400

€ 36.700

 

 

Peugeot

Renault

Rover

Saab

Seat

.......

..............

..............

............

..............

............

1)

€ 11.060

€ 11.280

€ 17.300

€ 31.280

€ 12.980

2)

€ 16.120

€ 18.000

€ 18.860

€ 34.700

€ 16.380

3)

€ 21.180

€ 24.720

€ 20.400

€ 38.100

€ 19.760

4)

€ 30.560

€ 35.220

€ 27.820

€ 41.520

€ 28.780

5)

€ 39.920

€ 45.720

€ 35.240

€ 44.920

€ 37.800

 

 

Skoda

Smart 1)

Ssang Yong

Subaru

Suzuki

.......

..............

..............

............

..............

............

1)

€ 15.740

€ 11.200

€ 29.800

€ 16.500

€ 11.160

2)

€ 19.640

€ 15.380

€ 35.420

€ 21.640

€ 14.060

3)

€ 23.540

€ 25.560

€ 41.040

€ 26.780

€ 16.940

4)

€ 27.440

#)

€ 43.800

€ 29.220

€ 20.960

5)

€ 31.320

#)

€ 46.540

€ 31.660

€ 27.860

 

 

Toyota

Volkswagen

Volvo

.......

..............

..............

............

1)

€ 14.940

€ 13.780

€ 23.740

2)

€ 21.220

€ 20.620

€ 30.280

3)

€ 27.500

€ 27.460

€ 36.820

4)

€ 40.960

€ 34.160

€ 40.420

5)

€ 54.440

€ 40.860

€ 44.020

.....

1)   Toepasbaar als dit merk feitelijk zelfstandig te onderscheiden van BMW respectievelijk Mercedes wordt aangeboden (bijvoorbeeld in een afzonderlijke showroom en door werknemers die geen ander merk verkopen). Het bij #) toepasselijke bedrag wordt vastgesteld in overleg met de coördinator.