Fiscale faciliteiten bij het gebruik van een fiets voor het woon-werkverkeer

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 22 juni 2004, nr. CPP2004/1454M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

Dit besluit betreft een actualisering van het besluit van 8 juni 2001, nr. CPP2000/3127M. De wijzigingen houden o.a. verband met de verruiming van de fietsregeling per 1 januari 2002 (zie Faciliteiten in kort bestek) en het vervallen van de fietsaftrek per 1 januari 2003. Het besluit van 4 november 2001, nr. CPP2001/2539M (model fietsverklaring) heeft hierdoor zijn belang verloren met ingang van het belastingjaar 2003. De punten 3, 5, 8, 9 en 24 zijn nieuw toegevoegd; de punten 2, 4, 12, 18, 22, 30, 31, 33, 36 en 37 zijn o.a. aangevuld. Tevens is dit besluit aangepast aan de wijzigingen per 1 januari 2004 in de fietsregeling waarbij ter stroomlijning van de administratieve lasten voor werkgevers de termen “drie voorafgaande jaren” en “drie kalenderjaren” in overeenstemming zijn gebracht met de term “het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren” zoals die geldt voor de pc-regeling (artikel 11, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op de loonbelasting 1964).

Inleiding

Om het gebruik van de fiets voor het woon-werkverkeer te stimuleren gelden bepaalde fiscale faciliteiten. Voor wat betreft de loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn die faciliteiten (hierna ook wel genoemd de fietsregeling) opgenomen in de artikelen 37 en 107 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

 

Voor wat betreft de BTW bestaan voor de ondernemer, tevens inhoudingsplichtige (hierna: werkgever), mogelijkheden om de BTW op de fiets in aftrek te brengen; vgl. artikel 1, derde lid, onderdeel c, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA). Zie in dit verband ook het Besluit van 4 juli 2003, nr. CPP2003/1521M (Toepassing fietsenregeling en het BUA). In het BUA zijn de termen “drie voorafgaande jaren” en “drie jaren op jaarbasis” nog niet gewijzigd in het kader van de stroomlijning van de fietsregeling zoals genoemd in de aanhef van dit besluit.

Goedkeuring

Het voornemen bestaat om het BUA op dit punt aan te passen. Vooruitlopend daarop keur ik goed dat met ingang van 1 januari 2004 bij de toepassing van artikel 1, derde lid, onderdeel c, van het BUA, onder ten tweede, in plaats van “drie voorafgaande jaren” wordt gelezen: “het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren” en onder ten derde, in plaats van “drie jaren op jaarbasis” wordt gelezen: “tot het einde van het kalenderjaar en in elk van de twee daarop volgende kalenderjaren”.

 

Hieronder worden de faciliteiten eerst in algemene zin beschreven (faciliteiten in kort bestek). Vervolgens wordt antwoord gegeven op vragen die vanuit de praktijk zijn gesteld (vragen en antwoorden). Het betreffen met name vragen met een beleidsmatig karakter.

 

De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit, voor zover relevant, ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

Faciliteiten in kort bestek

Fietsen met een voor de werkgever geldende kostprijs van € 450 of minder kunnen ineens ten laste van de winst worden gebracht. Voor fietsen waarvan de kostprijs hoger is dan € 450 geldt een afschrijvingstermijn van drie jaar. De kostprijs is mede afhankelijk van de BTW-positie waarin de werkgever verkeert. Voor een niet BTW-plichtige werkgever is dit bedrag inclusief BTW, voor een BTW-plichtige werkgever is dit bedrag exclusief BTW.

 

Op grond van de fietsregeling kan een werkgever aan een werknemer een voor het woon-werkverkeer te gebruiken fiets (hierna kortweg: fiets) onder bepaalde voorwaarden respectievelijk onbelast vergoeden, in eigendom verstrekken of ter beschikking stellen. De belangrijkste voorwaarde is dat de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van het woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets. Met ingang van 1 januari 2002 is de fietsregeling verruimd. De tot die datum geldende voorwaarde dat de catalogusprijs niet meer mag bedragen dan € 749 is deels vervallen. Deze voorwaarde is voor wat betreft vergoede en verstrekte fietsen gewijzigd in een vrijstellingsbedrag. Kort samengevat geldt het volgende:

 

-     Vergoeden
Bij een vergoeding van maximaal € 749 moet € 68 bij het loon van de werknemer worden geteld. Bij een hogere vergoeding moet daarnaast ook het verschil tussen de vergoeding en € 749 bij het loon worden geteld. De maximale onbelaste vergoeding bedraagt dus € 681 (€ 749 minus € 68);

 

-     Verstrekken
Dan wordt de fiets eigendom van de werknemer. Bij een fiets met een waarde in het economische verkeer van maximaal € 749 moet € 68 als loon in natura bij het loon van de werknemer worden geteld. Bij een duurdere fiets moet daarnaast ook het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de fiets en € 749 bij het loon worden geteld.

 

-     Ter beschikking stellen
In dat geval blijft de fiets eigendom van de werkgever. Bij een fiets met een catalogusprijs van maximaal € 749 vindt geen bijtelling bij het loon van de werknemer plaats.


NB
Een ter beschikking gestelde fiets met een hogere catalogusprijs dan € 749 valt niet onder de fietsregeling. In dat geval moet de werkgever per loontijdvak de waarde van het privé-gebruik van de fiets als loon in natura bij het loon van de werknemer tellen. Dat is in beginsel het (privé-)gebruik tegen de waarde in het economische verkeer. Uit praktisch oogpunt mag deze waarde op jaarbasis op 10% van de catalogusprijs van de fiets worden gesteld (bij in dienst treden gedurende het kalenderjaar tijdsevenredig). Voorts is het toegestaan om dit bedrag tot het loon te rekenen in het laatste loontijdvak van het kalenderjaar waarin de fiets ter beschikking is gesteld (of zoveel eerder, en tijdsevenredig, als de werknemer gedurende het desbetreffende jaar uit dienst is getreden).

 

Als de fietsregeling van toepassing is, kan de werkgever in bepaalde situaties ook nog onbelast de kosten van het openbaar vervoer vergoeden dan wel de vervoersbewijzen daarvoor onbelast aan de werknemer verstrekken (zie vraag 14-16 hierna).

 

De werkgever kan in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen 1) het bedrag van een gangbare fietsverzekering onbelast vergoeden of de verzekering onbelast verstrekken. Daarnaast kan de werkgever ook andere met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, zoals regenkleding, onderhoudsbeurten en sloten onbelast verstrekken of vergoeden tot maximaal € 250 in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen 1). Dit geldt ongeacht of de fiets is verstrekt, ter beschikking is gesteld dan wel is vergoed. Wel moet de werknemer dan gebruik maken van de fiets op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer.

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: per drie kalenderjaren.

 

Voor zakelijke reizen (waaronder woon-werkverkeer) met de eigen fiets (of een door de werkgever verstrekte of vergoede fiets) mag de werkgever per kilometer maximaal € 0,18 onbelast vergoeden 1).

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: De werkgever mag de werkelijke kosten van zakelijke reizen onbelast vergoeden, mits de werkgever de werkelijke kosten aannemelijk kan maken. Om praktische redenen is zonder nadere onderbouwing per zakelijke kilometer een vrije vergoeding toegestaan van maximaal € 0,05. Zakelijke reizen zijn reizen die de werknemer in het kader van de dienstbetrekking maakt en die niet tot het regelmatig woon-werkverkeer behoren.

Vragen en antwoorden

Algemeen

1. Vraag

Aan welke voorwaarden moet een werkgever voldoen als hij met toepassing van de fietsregeling een fiets (gedeeltelijk) belastingvrij wil vergoeden, verstrekken of ter beschikking wil stellen (vgl. de faciliteiten in kort bestek)?

Antwoord

De volgende voorwaarden gelden:

 

-     De werkgever moet aannemelijk kunnen maken dat de werknemers die voor de fietsregeling in aanmerking komen van de fiets gebruik maken voor meer dan de helft van het aantal dagen dat zij plegen te reizen in het kader van woon-werkverkeer. Bij de bepaling van het aantal dagen geldt dat 0,5 en minder naar beneden wordt afgerond op hele dagen en meer dan 0,5 naar boven.

 

-     Er kan in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen 1) aan een werknemer eenmaal een fiets voor woon-werkverkeer onbelast worden vergoed, worden verstrekt of ter beschikking worden gesteld; de faciliteiten kunnen binnen deze periode niet cumuleren. Dit houdt dus in dat een werkgever, nadat hij voor een werknemer gebruik heeft gemaakt van de fietsregeling, dat kalenderjaar en de eerstvolgende twee kalenderjaren voor de desbetreffende werknemer geen gebruik meer kan maken van de fietsregeling (hierna ook wel: het tijdvak waarover de fietsregeling zich uitstrekt). Als een fiets voor een kortere periode aan een werknemer ter beschikking is gesteld dan waarover de fietsregeling zich uitstrekt, is het toegestaan om die fiets alsnog binnen de periode waarover de fietsregeling zich uitstrekt aan de werknemer te geven onder bijtelling van € 68 tot het loon van de werknemer.
Voor het begin van het tijdvak waarover de fietsregeling zich uitstrekt geldt het volgende. Als een fiets ter beschikking wordt gesteld begint dat tijdvak op het moment van de eerste terbeschikkingstelling van de fiets. Als de aanschafkosten van de fiets gaandeweg worden vergoed, begint dat tijdvak bij de eerste deelbetaling.

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: één keer per drie jaar.

 

-     De werknemer moet (in beginsel) gedurende de rest van het kalenderjaar en de daarop volgende twee kalenderjaren 1) fietsen. Dat wil zeggen het tijdvak waarover de fietsregeling zich uitstrekt. Zie ook vraag 18 hierna.

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: drie jaar.

 

-     Bij een ter beschikking gestelde fiets mag de catalogusprijs niet hoger zijn dan € 749, inclusief omzetbelasting.

2. Vraag

Geldt de fietsregeling uitsluitend voor werknemers?

Antwoord

Ja, zelfstandigen bijvoorbeeld komen niet in aanmerking, tenzij ze als pseudo-werknemer kwalificeren door middel van opting-in (vgl. het Besluit van 23 augustus 2002, nr. CPP2002/1834M).

3. Vraag

Geldt de fietsenregeling ook voor oproepkrachten?

Antwoord

Als oproepkrachten voor de heffing van loonbelasting/premies volksverzekeringen werknemer zijn, staat de fietsregeling in beginsel open. De vraag is dan of ze voldoen aan de voorwaarden die gelden voor de fietsregeling. Bij oproepkrachten kan de feitelijke situatie variëren. Een werkgever die er voor kiest om oproepkrachten deel te laten nemen aan de fietsregeling, zal van geval tot geval moeten beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden.

4. Vraag

Wat is een fiets in de zin van de fietsregeling?

Antwoord

Een rijwiel:

-     zonder hulpmotor; of

-     met elektrische hulpmotor die trapondersteuning verleent (zogenaamde E-bikes).

 

Rijwielen met een verbrandingsmotor (bijvoorbeeld de snorfiets, de Solex en de Spartamet) voldoen niet aan deze definitie.

Vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling van een fiets ten behoeve van het woon-werkverkeer

5. Vraag

Geldt de fietsregeling ook voor gebruikte fietsen?

Antwoord

Ja, de fietsregeling staat ook open voor gebruikte fietsen. Daarbij geldt het volgende.

 

-     vergoeden
Een werkgever kan voor een gebruikte fiets in beginsel een onbelaste vergoeding geven voor de aanschafkosten die in het jaar van vergoeding zijn gemaakt. De vergoeding is onbelast tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer (met een maximum van € 749), verminderd met € 68, op het tijdstip van deelneming aan de fietsregeling. Hierbij rust op de werkgever de plicht om de waarde in het economische verkeer van de fiets vast te stellen.


Bij een aangeschafte gebruikte fiets, bedraagt de waarde in het economische verkeer in de regel de aanschafprijs.


Voor een fiets die een werknemer al in gebruik heeft vóórdat hij deelneemt aan de fietsregeling geldt het volgende. Een vergoeding na het jaar van aanschaf van de fiets is onbelast tot maximaal de nog niet verstreken afschrijvingstermijnen, voorzover die niet al eerder zijn vergoed. Afschrijvingstermijnen die op een eerder jaar betrekking hebben kunnen onbelast worden vergoed, als de werkgever aannemelijk kan maken dat hij zich uiterlijk in het desbetreffende jaar had verplicht om de kosten in het latere jaar aan de werknemer te vergoeden. Om praktische redenen is zonder nadere onderbouwing ook het volgende toegestaan. De werkgever mag uitgaan van de historische aanschafprijs van de fiets in nieuwe staat, verminderd met een restwaarde van 10% en rekening houdend met een afschrijving in zestig kalendermaanden (5 jaar). Een fiets die op 1 juni 2003 is aangeschaft voor € 800 heeft op 1 juni 2004 dan een waarde in het economische verkeer van € 656, namelijk € 800 verminderd met een afschrijving van 20% (1 jaar) over € 720.

 

-     verstrekken
Als een werkgever een gebruikte fiets aan een werknemer verstrekt, dient hij € 68 tot het loon van de werknemer te rekenen. Als de fiets een waarde in het economische verkeer heeft van meer dan € 749, dan dient de werkgever ook het meerdere tot het loon van de werknemer te rekenen. Voor de waarde in het economische verkeer van een gebruikte fiets mag de werkgever uitgaan van de historische aanschafprijs van de fiets in nieuwe staat, verminderd met een restwaarde van 10 % en rekening houdend met een afschrijving in zestig kalendermaanden (5 jaar).

 

-     ter beschikking stellen
Een werkgever kan een gebruikte fiets onbelast ter beschikking stellen indien de oorspronkelijke catalogusprijs niet meer bedraagt dan € 749.

6. Vraag

Bij een ter beschikking gestelde fiets is de catalogusprijs van belang. Is de verkoopprijs hetzelfde als de catalogusprijs?

Antwoord

Nee. De catalogusprijs is de prijs die de fabrikant in zijn prijslijst vermeldt. De verkoopprijs is de prijs waarvoor de detailhandelaar de fiets aan de consument verkoopt.

7. Vraag

Behoort het bedrag van € 68 tot het brutoloon of tot het nettoloon?

Antwoord

Het bedrag van € 68 behoort tot het brutoloon. De werkgever moet dit bedrag in kolom 3 respectievelijk 4 van de loonstaat boeken van het loontijdvak waarin hij de fiets vergoedt of verstrekt.

8. Vraag

Komt een eigen bijdrage van een werknemer voor een verstrekte fiets met een waarde in het economische verkeer van meer dan € 749 ten laste van het brutoloon of het nettoloon?

Antwoord

De eigen bijdrage voor een duurdere verstrekte fiets komt in mindering op de bijtelling, met dien verstande dat de bijtelling niet verder wordt verlaagd dan tot nihil. Het eventuele restant van de bijdrage moet de werknemer via het nettoloon betalen.

9. Vraag

Als een werkgever minder vergoedt dan de aanschafprijs van de fiets, moet hij dan ook € 68 tot het loon rekenen van de werknemer?

Antwoord

Nee. Als de kosten die voor rekening van de werknemer blijven € 68 of meer bedragen dan hoeft de werkgever niets tot het loon van de werknemer te rekenen, indien de fiets niet duurder is dan € 749 (voor duurdere fietsen zie punt 12). Op grond van artikel 23 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt het bedrag van € 68 namelijk verlaagd met de kosten die voor rekening van de werknemer blijven ter zake van een niet volledig vrije vergoeding, doch niet verder dan tot nihil.

 

Voorbeeld
Een werknemer schaft een fiets aan voor € 500. Zijn werkgever geeft hem een onbelaste vergoeding van € 400. De werkgever hoeft nu geen € 68 tot het loon van de werknemer te rekenen.

10. Vraag

Kan een werknemer de aanschafkosten van een fiets voor de inkomstenbelasting in aftrek brengen?

Antwoord

Nee, voor een werknemer komen de aanschafkosten van een fiets onder de Wet op de inkomstenbelasting 2001 niet voor aftrek in aanmerking.

11. Vraag

Kan de werkgever, in plaats van het bedrag van de maximale vergoeding voor de fiets ineens te betalen, ook per maand onbelast één zesendertigste deel van de maximale vergoeding voor de fiets betalen?

Antwoord

Ja, de werkgever kan per maand onbelast één zesendertigste deel van de maximale vergoeding voor de fiets betalen, tenzij hij in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen 1) al voor het maximale bedrag gebruik heeft gemaakt van de fietsregeling (zie vraag 1).

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: niet vaker dan eens in de drie jaar.

12. Vraag

Wat zijn de fiscale consequenties als de fiets duurder is dan € 749; bijvoorbeeld als een fiets € 1.000 kost?

Antwoord

Daaraan zijn de volgende gevolgen verbonden:

 

-     vergoeding
Bij een vergoeding voor de fiets bedraagt de onbelaste vergoeding maximaal € 681 (€ 749 - € 68). Als de werkgever € 900 zou vergoeden, zou € 151 (€ 900 - € 749) + € 68 = € 219 belast zijn. De eigen bijdrage van de werknemer van € 100 (€ 1.000 - € 900) heeft in dit geval geen betrekking op een gedeeltelijk vrije vergoeding. Als de werkgever € 700 zou vergoeden, betaalt de werknemer een eigen bijdrage van € 300, waarvan € 49 ter zake van een gedeeltelijk vrije vergoeding. In dat geval is € 68 – € 49 = € 19 belast.

 

-     verstrekking
Bij een verstrekte fiets zal naast het forfaitaire bedrag van € 68 ook het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de € 749 als loon in aanmerking moeten worden genomen. In het voorbeeld zou € 319 (€ 1.000 - € 681) belast zijn.

 

-     ter beschikking stellen
Een ter beschikking gestelde fiets met een hogere catalogusprijs dan € 749 (inclusief BTW) valt niet onder de fietsregeling. Dus ook niet als de werknemer zelf het meerdere betaalt. In dat geval moet de werkgever per loontijdvak de waarde van het privé-gebruik van de fiets als loon in natura bij het loon van de werknemer tellen. Dat is in beginsel het (privé-)gebruik tegen de waarde in het economische verkeer. Uit praktisch oogpunt mag deze waarde op jaarbasis op 10% van de catalogusprijs van de fiets worden gesteld (bij in dienst treden gedurende het kalenderjaar tijdsevenredig). Voorts is het toegestaan om dit bedrag tot het loon te rekenen in het laatste loontijdvak van het kalenderjaar waarin de fiets ter beschikking is gesteld (of zoveel eerder, en tijdsevenredig, als de werknemer gedurende het desbetreffende jaar uit dienst is getreden). Deze bijtelling mag worden verminderd met de eigen bijdrage van de werknemer, maar niet verder dan tot nihil.

13. Vraag

Een werkgever verstrekt een werknemer een fiets van bijvoorbeeld € 680. Als de werknemer binnen het tijdvak waarover de fietsregeling zich uitstrekt 1) (zie antwoord 1, bij de tweede voorwaarde) bij de werkgever weggaat, moet hij een evenredig deel van de aanschafprijs van de fiets aan de werkgever terugbetalen. Heeft dit fiscale consequenties voor de werknemer?

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: binnen 3 jaar.

Antwoord

Dat is afhankelijk van de omstandigheden. Een eigen bijdrage van de werknemer voor de fiets kan in mindering worden gebracht op het normbedrag van € 68. In zoverre ontmoet het geen bezwaar dat een terugbetaling in hetzelfde kalenderjaar als waarin het normbedrag tot het loon wordt gerekend, op dat normbedrag in mindering wordt gebracht. Terugbetalingen na afloop van dat kalenderjaar kunnen niet in mindering worden gebracht op het loon. De vermindering van het normbedrag met de eigen bijdrage kan niet tot een negatief bedrag leiden.

14. Vraag

In bepaalde situaties (slecht weer e.d.) kan de werkgever de werknemer onbelast bijvoorbeeld een strippenkaart dan wel een NS 5-retourkaart geven. Voor hoeveel dagen mag de werkgever dit doen?

Antwoord

Ongeacht of de werkgever een fiets verstrekt, vergoedt of ter beschikking stelt, mag hij voor minder dan de helft van het aantal dagen dat de werknemer pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer een vergoeding geven voor of voorzien in ander vervoer dan vervoer per fiets. Bij de bepaling van het aantal dagen geldt het volgende: 0,5 en minder wordt naar beneden afgerond op hele dagen en meer dan 0,5 naar boven.

15. Vraag

Kan de werkgever, als hij een fiets verstrekt, daarnaast een NS- of OV-jaarkaart verstrekken voor een gedeelte van de reisafstand woning-werk?

Antwoord

Ja. Als de werkgever een fiets verstrekt, kan hij daarnaast, voor een gedeelte van de reisafstand woning-werk, ook een NS- of OV-jaarkaart verstrekken. In dat geval moet wel aannemelijk zijn dat de werknemer de fiets gebruikt voor een deel van de afstand woning-werk, bijvoorbeeld van de woning naar het station en terug (zie ook vraag 19-c).

16. Vraag

Kan de werkgever, als hij een fiets verstrekt met toepassing van de fietsregeling tegelijkertijd ook een NS- of OV-jaarkaart verstrekken met toepassing van de fiscale waarderingsnorm van € 54, en € 82 voor een eerste-klas-kaart (zie artikel 26 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001), zodat de werknemer die kaart af en toe in plaats van de fiets kan gebruiken (bijvoorbeeld bij slecht weer)?

Antwoord

Nee, afgezien van een situatie als bedoeld in vraag 15. Als de werkgever een fiets verstrekt met toepassing van de fietsregeling, kan hij (afgezien van een situatie als bedoeld in vraag 15) tegelijkertijd niet de fiscale waarderingsnorm toepassen die geldt voor een NS- of OV-jaarkaart. Voor de fietsregeling moet de werknemer gebruik maken van de fiets op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer. Dat is niet aannemelijk als de werkgever voor het volledige traject een NS- of OV-jaarkaart verstrekt; de fietsregeling kan dan niet worden toegepast. Als aannemelijk is dat de werknemer de overige maanden voldoende fietst, kan de werkgever wel voor bijvoorbeeld de wintermaanden een trajectkaart verstrekken voor de afstand woning-werk.

17. Vraag

Wat zijn de consequenties van de toepassing van de fietsregeling voor de toegestane belastingvrije reiskostenvergoeding van € 0,18 per kilometer (hierna: de € 0,18-normering) 1)?

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: forfaitaire reiskostenvergoeding.

Antwoord

Gedurende de periode dat een fiets ter beschikking is gesteld, heeft de werknemer voor de per fiets afgelegde reisafstand geen recht op een belastingvrije vergoeding omdat er sprake is van vervoer vanwege de werkgever.

Als een fiets is vergoed of is verstrekt, is de € 0,18-normering van toepassing, behalve voorzover de werkgever voorziet in ander vervoer, bijvoorbeeld door verstrekking van een NS- of OV-kaart. De € 0,18-normering is ook van toepassing gedurende de periode waarin de werknemer geen gebruik maakt van een ter beschikking gestelde fiets, en de werkgever niet in ander vervoer voorziet.

18. Vraag

Als een fiets op grond van de fietsregeling is verstrekt of vergoed en de werknemer stopt met fietsen voordat het tijdvak eindigt waarover de fietsregeling zich uitstrekt (zie vraag 1) 1), moet dan een deel van vergoeding/waarde worden terugbetaald c.q. in de heffing van de loonbelasting worden betrokken?

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: binnen drie jaar stopt met fietsen.

Antwoord

De fietsregeling heeft als doel het gebruik van de fiets in het woon-werkverkeer te stimuleren. Er kan eens in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen 1) een fiets worden vergoed, verstrekt of ter beschikking worden gesteld. Dit betekent dat de fietsregeling meebrengt dat de werknemer in beginsel het kalenderjaar en de twee volgende kalenderjaren de fiets voor het woon-werkverkeer gebruikt, dat wil zeggen het tijdvak waarover de fietsregeling zich uitstrekt (zie ook de vragen 1, 10 en 13 van dit fietsbesluit).

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: in drie jaar.

 

De werkgever moet beoordelen of de fiets in het woon-werkverkeer wordt gebruikt. Als de werkgever objectief gezien in alle redelijkheid het gebruik van de fiets heeft beoordeeld en van mening is dat de fiets in voldoende mate voor het woon-werkverkeer wordt gebruikt, zal bij controle geen ander standpunt worden ingenomen.

Bij die beoordeling moet de werkgever ook de verwachte duur van het fietsgebruik meewegen. In de gevallen waarin achteraf blijkt dat het fietsgebruik tussentijds eindigt zal de inspecteur eventueel (nader) kunnen toetsen of de werkgever de beoordeling objectief gezien wel in redelijkheid heeft uitgevoerd. Een kritische beoordeling is met name van belang als op voorhand verwacht mag worden dat gedurende een kortere periode gebruik zal worden gemaakt van de fiets.

19a. Vraag

Kan een werkgever de fietsregeling toepassen als de werknemer een auto van de zaak heeft en hij de afstand woning-werk per fiets aflegt, omdat de auto bij de zaak staat geparkeerd?

Antwoord

Ja, een werkgever kan de fietsregeling toepassen als de werknemer een auto van de zaak heeft en hij de afstand woning-werk per fiets aflegt, omdat de auto bij de zaak staat geparkeerd.

19b. Vraag

Kan een werkgever de fietsregeling toepassen als de werknemer met zijn auto van de zaak naar de rand van de stad rijdt en daarvandaan op de fiets het resterende gedeelte van het traject woning-werk aflegt?

Antwoord

Ja, een werkgever kan de fietsregeling toepassen als de werknemer met zijn auto van de zaak naar de rand van de stad rijdt en daarvandaan op de fiets het resterende gedeelte van het traject woning-werk aflegt.

19c. Vraag

Kan een werkgever de fietsregeling toepassen als de werknemer met de fiets van de woning naar het station rijdt en de overige kilometers van het woon-werkverkeer met de trein aflegt?

Antwoord

Ja, een werkgever kan de fietsregeling toepassen als de werknemer met de fiets van de woning naar het station rijdt en de overige kilometers van het woon-werkverkeer met de trein aflegt.

19d. Vraag

Kan een werkgever de fietsregeling toepassen als de werknemer het eerste gedeelte van het woon-werkverkeer per trein aflegt en de resterende afstand naar het werk per fiets overbrugt?

Antwoord

Ja, een werkgever kan de fietsregeling toepassen als de werknemer het eerste gedeelte van het woon-werkverkeer per trein aflegt en de resterende afstand naar het werk per fiets overbrugt.

20. Vraag

Een ter beschikking gestelde fiets met een catalogusprijs die niet hoger is dan € 749 wordt na een bepaalde periode door de werkgever aan de werknemer verstrekt. Wat zijn de fiscale consequenties voor de werknemer?

Antwoord

De terbeschikkingstelling leidt niet tot een bijtelling. Als de fiets na 5 jaar wordt verstrekt, hoeft geen € 68 meer tot het loon van de werknemer te worden gerekend, mits de werknemer de fiets voor het woon-werkverkeer blijft gebruiken voor meer dan de helft van het aantal dagen dat hij in dat kader pleegt te reizen.

 

Binnen de genoemde periode van 5 jaar bedraagt de bijtelling bij het loon van de werknemer € 68 minus de eventuele eigen bijdrage van de werknemer op dat moment, mits de werknemer de fiets voor het woon-werkverkeer blijft gebruiken voor meer dan de helft van het aantal dagen dat hij in dat kader pleegt te reizen. De eigen bijdrage kan niet tot een negatief bedrag leiden.

21. Vraag

Wat zijn de fiscale consequenties als de werknemer een ter beschikking gestelde fiets met een catalogusprijs die niet hoger is dan € 749 mag houden op het moment dat hij binnen 5 jaar stopt met fietsen, bijvoorbeeld wegens ontslag of pensionering of doordat hij om andere redenen niet langer fietst?

Antwoord

Vanaf het moment dat de werknemer stopt met fietsen zal de werknemer de fiets niet langer meer gebruiken voor het woon-werkverkeer. De fietsregeling is dan dus niet van toepassing. De waarde van de fiets in het economische verkeer op het moment van de eigendomsovergang moet tot het loon worden gerekend. Voor een ter beschikking gestelde fiets die onder de fietsregeling valt, kan die waarde worden bepaald via lineaire afschrijving over een periode van 5 jaar, rekening houdend met een restwaarde van 10%.

22. Vraag

Kan de werkgever onbelast een renteloze lening aan de werknemer verstrekken om hiermee een fiets te kopen?

Antwoord

Ja, de werkgever kan onbelast een renteloze lening aan de werknemer verstrekken om hiermee een fiets te kopen. Het rentevoordeel is op grond van artikel 59, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 onbelast als de werknemer het geleende bedrag aanwendt voor een fiets die de werkgever met toepassing van de fietsregeling geheel of nagenoeg geheel onbelast zou kunnen vergoeden of kunnen verstrekken. Dit betekent tevens dat het rentevoordeel alleen onbelast is als de werknemer de fiets voldoende gebruikt voor het woon-werkverkeer (zie vraag 1). Als de werkgever een onbelaste lening verstrekt voor de fiets, kan hij de fiets tegelijkertijd niet ook nog eens belastingvrij vergoeden of verstrekken. Wel kan de werkgever, naast de lening, voor dezelfde fiets ook een onbelaste vergoeding geven waarmee de lening wordt afgelost. Het rentevoordeel over een lening van meer dan € 749 (of een lagere aanschafprijs van de fiets) wordt als loon aangemerkt.

23. Vraag

Als de werkgever een fiets ter beschikking stelt, maakt het verschil of hij eigenaar is van de fiets of de fiets least?

Antwoord

Nee, voor de fietsregeling is de uitwerking in beide gevallen gelijk.

24. Vraag

Een werkgever en een werknemer komen in juli 2004 een regeling overeen, waarbij de werknemer zich verplicht om een fiets aan te schaffen en te gebruiken op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van het woon-werkverkeer. De werkgever zegt hem in dat verband voor de aanschaf van de fiets een onbelaste vergoeding toe in juli 2007 1), dat wil zeggen na ommekomst van het kalenderjaar en de volgende twee kalenderjaren. Wanneer komt deze werknemer opnieuw in aanmerking voor een onbelaste (vergoeding voor een) fiets volgens de fietsregeling?

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: na afloop van de driejaarsperiode.

Antwoord

Met ingang van 1 januari 2010. Sinds 1 juli 2007 zijn dan dat kalenderjaar en de volgende twee kalenderjaren verstreken.

De fiets bestemd voor het woon-werkverkeer

25. Vraag

Kan de fietsregeling ook worden toegepast als de werknemer binnen een afstand van 10 km van het werk woont?

Antwoord

Ja, een werkgever kan de fietsregeling ook toepassen als de werknemer binnen een afstand van 10 km van het werk woont.

26. Vraag

Moet de werkgever aannemelijk kunnen maken dat de werknemer de fiets gebruikt voor het woon-werkverkeer?

Antwoord

Ja, de werkgever moet aannemelijk kunnen maken dat de werknemer de fiets gebruikt voor het woon-werkverkeer.

 

-     Bij een reisafstand (enkele reis) tot 15 km wordt in het algemeen snel aannemelijk geacht dat de fiets voor het woon-werkverkeer wordt gebruikt. Niettemin kan de inspecteur van de Belastingdienst in bepaalde gevallen de werkgever vragen om aannemelijk te maken dat de fiets wordt gebruikt voor het woon-werkverkeer, bijvoorbeeld als:

-     de werkgever voor de reisafstand tevens strippenkaarten en/of jaartrajectkaarten verstrekt;

-     de werknemer van een ander beloningsbestanddeel afziet opdat hem een fiets wordt verstrekt of ter beschikking wordt gesteld en de werkgever in zoverre in wezen geen betekenende bijdrage levert;

-     de inspecteur over aanwijzingen beschikt dat de fietsregeling niet juist is toegepast;

-     de inspecteur bij de werkgever een boekenonderzoek instelt.

 

-     Bij een reisafstand van 15 km (enkele reis) of meer moet de werkgever in beginsel per werknemer aannemelijk kunnen maken dat de fiets wordt gebruikt voor het woon-werkverkeer.

 

-     Voor de bewijslast van de werkgever geldt de vrije bewijsleer. Factoren die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer:

-     de aanwezigheid van een douchegelegenheid op het werk. De aanwezigheid van een fietsenstalling;

-     een door de werknemer ondertekende verklaring waarin de reisafstand enkele reis staat vermeld, het aantal dagen dat de werknemer per week pleegt te fietsen en gedurende welke periode;

-     de reisafstand in relatie tot de aard van de gebruikte fiets;

-     deelname aan een carpoolregeling waarbij de carpoolplaats met de fiets bereikbaar is;

-     een reiskostenvergoeding die is afgestemd op de mate waarin de werknemer pleegt te fietsen.

Met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer

27. Vraag

Tot welke bedragen kan een werkgever met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer onbelast vergoeden of verstrekken?

Antwoord

Per kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen 1): € 250, alsmede het bedrag voor een gangbare fietsverzekering.

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: Per drie kalenderjaren.

28. Vraag

Kan de werkgever ook uitsluitend met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer onbelast vergoeden of verstrekken?

Antwoord

Ja, mits de werknemer voldoende fietst (zie vraag 1).

29. Vraag

Is alles wat (al dan niet uit een catalogus) in een fietsenspeciaalzaak verkrijgbaar is, per definitie te beschouwen als met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer?

Antwoord

Nee, de desbetreffende zaken (met inbegrip van diensten) moeten in het algemeen of in het individuele geval dienstbaar zijn aan het gebruik van de fiets voor het woon-werkverkeer. Dat wil zeggen dat het moet gaan om zaken die bij uitstek bij het woon-werkverkeer op de fiets van pas komen; er moet zowel een causaal verband aanwezig zijn met de fiets, als met het woon-werkverkeer. Zaken die normaliter ook buiten verband van de fiets worden gebruikt zoals warme kleding in het algemeen, bijvoorbeeld bijzondere thermische kleding, maar ook sjaals en petten, komen in ieder geval niet in aanmerking. In dat geval is wel de eindheffing mogelijk zoals aangegeven in punt 30. Ter verduidelijking volgt hieronder een drietal richtlijnen met een aantal voorbeelden:

 

-     In het algemeen zijn naar hun aard op voorhand direct te beschouwen als met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer: een extra slot, een onderhoudsbeurt, een reparatie, een fietstas, een bandenreparatiesetje, een CO2-pompje, batterijverlichting, een steun voor de aktetas, een fietsenstalling bij het station en kleding die praktisch alleen op de fiets wordt gebruikt, zoals een regenpak (regenjas/regenbroek), een poncho en overschoenen.

 

-     Als met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer kunnen soms onder meer ook worden aangemerkt:
een wielrenshirt, een koersbroek, fietsschoenen, fietshandschoenen en een fietshelm.
In zijn algemeenheid is dit echter minder aannemelijk. Voor dergelijke producten geldt daarom een zwaardere bewijslast; de inspecteur kan dit niet zonder meer op voorhand beoordelen. Dit moet plaatsvinden op basis van concrete feiten en omstandigheden, ofwel van een individuele werknemer, ofwel van een naar eigenschappen te onderscheiden groep werknemers.
Indicaties hierbij kunnen zijn:

-     De werkgever kan aan de hand van een administratie (met de actuele gegevens betreffende de reisafstand woning-werk enkele reis, de toepasselijke vergoeding, het aantal dagen waarop wordt gefietst) aannemelijk maken dat de desbetreffende werknemers op jaarbasis substantieel naar hun werk fietsen. Daarvan is in ieder geval sprake bij een reisafstand van minimaal 15 km enkele reis als de werknemer meer dan de helft van het aantal dagen per week naar het werk fietst.

-     De werkgever stemt de reiskostenvergoeding af op de mate waarin de werknemers de fiets plegen te gebruiken voor het woon-werkverkeer.

-     De aanwezigheid van een rijwielstalling en andere speciale voorzieningen zoals een omkleedgelegenheid of een douche.

 

-     Naar hun aard zijn in ieder geval niet te beschouwen als met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer:
een kinderzitje, een kaartstandaard, een strippenkaart, een sweater, een trui, een T-shirt, een spijkerbroek, een jack en overige (sport)schoenen.

30. Vraag

De werkgever wil cadeaubonnen verstrekken voor met de fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, bijvoorbeeld een VVV-bon of een cadeaubon die in fietsspeciaalzaken te besteden is. Is dat toegestaan?

Antwoord

Ja, tot een bedrag van € 250 in het kalenderjaar en de voorafgaande twee kalenderjaren tezamen 1) is dit akkoord. Omdat uitsluitend met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer vrij vergoed of verstrekt kunnen worden, moet de werkgever overigens wel aannemelijk maken dat de bonnen slechts worden gebruikt voor de aanschaf van met de fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer. Als de werkgever niet aannemelijk kan maken dat de bonnen worden gebruikt voor met de fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, dan mag de werkgever de zgn. eindheffing voor kleine verstrekkingen (dat wil zeggen met een waarde van maximaal € 136 per verstrekking en maximaal € 272 per jaar voor alle verstrekkingen gezamenlijk) toepassen zoals bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001).

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: Per drie kalenderjaren.

 

Buiten het bedrag van € 250 kan de werkgever overigens ook nog onbelast een fietsverzekering ten gunste van de werknemer afsluiten. Eventuele andere vrije vergoedingen en/of vrije verstrekkingen moeten op het genoemde bedrag in mindering worden gebracht.

31. Vraag

Wat wordt verstaan onder een gangbare fietsverzekering?

Antwoord

Een gangbare fietsverzekering kan de volgende dekkingen ter zake van de fiets omvatten:

-     verzekering tegen diefstal/verduistering;

-     cascoverzekering;

-     ongevallen-opzittendenverzekering;

-     rechtsbijstandsverzekering; alsmede

-     eventuele poliskosten voor de genoemde dekkingen.

 

Van een gangbare fietsverzekering is ook sprake als de verzekering betrekking heeft op een fiets die meer kost dan € 749.

32. Vraag

Kan de werkgever een gangbare fietsverzekering verstrekken of vergoeden voor de duur van het (resterende deel van het) kalenderjaar en bijvoorbeeld de eerstvolgende vier kalenderjaren 1) in plaats van voor de duur van het (resterende deel van het) kalenderjaar en eerstvolgende twee kalenderjaren?

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: voor een periode van vijf jaar in plaats van drie jaar.

Antwoord

Ja, de werkgever kan een gangbare fietsverzekering verstrekken of vergoeden voor de duur van het (resterende deel van het) kalenderjaar en bijvoorbeeld de eerstvolgende vier kalenderjaren, mits hij gedurende die periode niet vaker dan één keer een fiets verstrekt of vergoedt.

Zakelijke reizen

33. Vraag

De werkgever vergoedt € 0,11 per fietskilometer zowel voor woon-werkverkeer als voor dienstreizen. Wat zijn hiervan de consequenties voor de werknemers?

Antwoord

Voor zakelijke kilometers is een belastingvrije kilometervergoeding toegestaan van maximaal € 0,18 per kilometer 1). Met ingang van 1 januari 2004 kwalificeren de woon-werkkilometers als zakelijke kilometers. Dit impliceert dat de vergoeding van € 0,11 per fietskilometer onbelast is, tenzij er sprake is van een door de werkgever ter beschikking gestelde fiets.

.....

1)   Tot en met 31 december 2003: voor zakelijke kilometers (exclusief het regelmatig woon-werkverkeer) is een kilometervergoeding belast voor zover zij meer dan € 0,05 per kilometer is, tenzij de werkelijke kosten per kilometer aantoonbaar meer bedragen. De vergoeding voor het regelmatig woon-werkverkeer is belast voor zover zij boven het reiskostenforfait uitkomt.

34. Vraag

Kan een vrijwilliger een onbelaste vergoeding ontvangen per fietskilometer?

Antwoord

Met betrekking tot vrijwilligers zijn de geldende regels opgenomen in het Besluit van 12 maart 2004, nr. CPP2003/2042M. Zie voor de actuele bedragen het handboek Loonheffing en premies werknemersverzekeringen. Dit handboek is ook te raadplegen via internet (zie www.belastingdienst.nl/ ondernemers/loonbelasting).

35. Vraag

Welk aantal zakelijke kilometers is nog aannemelijk?

Antwoord

Elk aantal kilometers moet van geval tot geval aannemelijk worden gemaakt.

Afschrijving (winstsfeer) - kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

36. Vraag

In hoeverre kan een werkgever een ter beschikking gestelde of verstrekte fiets tot de loonkosten rekenen?

Antwoord

Een werkgever kan een ter beschikking gestelde of verstrekte fiets als loonkosten aanmerken voor de kostprijs, na vermindering met de eventuele eigen bijdrage van een werknemer.

37. Vraag

De werkgever schaft een fiets aan van € 450. Kan hij dit bedrag in een keer op de winst in mindering brengen?

Antwoord

Ja. Fietsen met een dergelijke kostprijs mogen naar keuze, na vermindering met de eventuele eigen bijdrage van een werknemer, in één keer, dan wel in meer jaren, worden afgeschreven. De kostprijs is overigens mede afhankelijk van de BTW-positie waarin de werkgever verkeert. Voor een niet BTW-plichtige werkgever is dit bedrag inclusief BTW, voor een BTW-plichtige werkgever is dit bedrag exclusief BTW.

38. Vraag

Een werkgever stelt een fiets ter beschikking aan een werknemer. Komt de werkgever in aanmerking voor investeringsaftrek met betrekking tot de aanschaf van deze fiets?

Antwoord

Nee. Voor de toepassing van de investeringsaftrek worden niet tot de bedrijfsmiddelen gerekend bedrijfsmiddelen die zijn bestemd om - direct of indirect - hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan derden. De aangeschafte fietsen worden in dit geval ter beschikking gesteld aan werknemers, die voor de toepassing van artikel 3.45, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 als derden zijn te kwalificeren.