Loonbelasting. Pensioen; (vaste) indexatie van pensioenen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein Belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 21 januari 2005, nr. CPP2004/1257M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financin het volgende besloten.

1. Inleiding

Het besluit van 8 februari 1978, nr. 277-43, geeft antwoord op een vraag over de mogelijkheid om de uitkeringen uit een pensioenregeling te indexeren met een vast percentage per jaar (vaste klimming of vaste indexatie). Naar aanleiding van vragen uit de praktijk over dat besluit en over andere aspecten van indexatie van pensioenen acht ik het gewenst de in dat besluit opgenomen regeling te moderniseren.

 

Dit besluit geldt niet voor pensioenregelingen waarbij de uitkeringen in beleggingseenheden worden gedaan. Zie voor dit soort regelingen mijn besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M.

 

De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

2. Na-indexatie

2.1. Definitie

Onder na-indexatie wordt in dit besluit verstaan het verhogen van de pensioenuitkeringen na de feitelijke pensioeningangsdatum in verband met de na die datum gestegen lonen of prijzen. Zon indexatie kan plaatsvinden met behulp van een loonindexcijfer of een prijsindexcijfer. Een compensatie voor de stijging van de lonen of prijzen kan ook worden gegeven met een van tevoren overeengekomen vast percentage dat beoogt de loon- of prijsstijgingen te benaderen (vaste na-indexatie).

2.2. Na-indexatie bij beschikbare-premiestelsels

Indien het kapitaal uit een pensioenregeling die is gebaseerd op een beschikbare-premiestelsel op enig moment wordt omgezet in een aanspraak op uitkeringen in geld, kan op deze uitkeringen een na-indexatie worden toegepast. Deze na-indexatie moet worden gefinancierd uit het beschikbare kapitaal. Aanvullende premiestortingen zijn niet toegestaan. De pensioenuitvoerder zal daarom bij de berekening van de hoogte van de uitkering uit moeten gaan van het bij hem gebruikelijke tarief voor de te verstrekken gendexeerde uitkering. Daarbij kan de rekenrente lager liggen dan 4%. Er is in dat geval geen strijd met artikel 18a, derde lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). De aldaar vermelde, verplichte rekenrente van 4% geldt uitsluitend bij de bepaling van de omvang van de in te leggen premies.

2.3. Vaste na-indexatie: karakter

In de praktijk wordt ook gebruik gemaakt van een vaste na-indexatie. In beginsel biedt de tekst van artikel 18d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB daarvoor de ruimte, zolang de vaste indexatie een redelijke benadering is van de loon- of prijsindexatie. Daarom is het besluit uit 1978, waarin de vaste na-indexatie is behandeld, niet ingetrokken ter gelegenheid van de invoering van de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Wet van 29 april 1999, Stb. 211). Er is wel aanleiding om dat besluit te moderniseren.

2.4. Vaste na-indexatie: percentage

Sinds enige jaren is mijn beleid erop gericht om de vaste na-indexatie in pensioenregelingen ter uitvoering waarvan een verzekering is gesloten in beginsel te beperken tot maximaal 3% per jaar. Reden hiervoor is de voorwaarde, genoemd in het besluit uit 1978, dat het te genieten pensioen niet zal uitgaan boven een als redelijk te beschouwen pensioen. Dit ondanks het feit dat het genoemde besluit een maximum aangeeft van 4%. Het percentage van 3% is gebaseerd op een lange reeks van inflatiecijfers sinds 1978. De inflatie is na de jaren 70 van de vorige eeuw immers aanzienlijk gedaald. Het streven van de monetaire autoriteiten van de Europese Unie is zelfs gericht op een inflatiegemiddelde van ten hoogste 2% per jaar. De vaste indexatie van pensioenuitkeringen richt zich op een redelijke benadering van de toekomstige ontwikkeling van lonen (welvaartsvast) of prijzen (waardevast). Ik beschouw een vaste indexatie van meer dan 3% per jaar niet langer als een redelijke benadering van die ontwikkeling.

2.5. Vaste na-indexatie: pensioenuitvoerder

In het besluit uit 1978 wordt de toepassing van de vaste na-indexatie beperkt tot pensioenregelingen ter uitvoering waarvan een verzekering is gesloten. De achtergrond hiervan was dat een pensioen met een aan lonen of prijzen gerelateerde indexatie voor een verzekeringsmaatschappij anders dan voor andere pensioenuitvoerders niet verzekerbaar is. Ik acht evenwel uit oogpunt van een gelijke behandeling van pensioenuitvoerders geen reden meer aanwezig om deze voorwaarde nog te handhaven. Onder de hierna in onderdeel 4.1 genoemde voorwaarden mogen alle pensioenregelingen een vaste na-indexatie bevatten, ongeacht de wijze waarop het pensioen zeker is gesteld.

3. Voorindexatie

3.1. Definitie en karakter

Voorindexatie is het verhogen van pensioenaanspraken vr de feitelijke pensioeningangsdatum in verband met de vr die datum gestegen lonen of prijzen. Zon indexatie kan net als een na-indexatie plaatsvinden met behulp van een loonindexcijfer, een prijsindexcijfer of met een van tevoren overeengekomen vast percentage (vaste voorindexatie). Hoewel in de toelichting op artikel 18d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB uitsluitend wordt gesproken over na-indexatie, sluit de wettekst voorindexatie niet uit. Onderdeel 4.2 bevat volledigheidshalve een uitdrukkelijke goedkeuring voor voorindexatie.

3.2. Voorindexatie alleen bij middelloonaanspraken en eindloonaanspraken zonder opbouw in een bestaande dienstbetrekking

Voorindexatie kan alleen worden toegepast op middelloonaanspraken en op aanspraken uit eindloonregelingen voorzover daarin geen pensioen meer wordt opgebouwd in een bestaande dienstbetrekking. Te denken valt aan situaties als premievrije aanspraken na ontslag, vrijwillige voortzetting na ontslag en voortgezette opbouw tijdens perioden van VUT of prepensioen. In eindloonregelingen waarin nog pensioen wordt opgebouwd in een bestaande dienstbetrekking is voorindexatie niet toegestaan. In die situatie worden de in het verleden opgebouwde aanspraken bij een verhoging van het salaris vr de pensioeningangsdatum immers automatisch aangepast aan de feitelijke loonstijging (backservice). In beschikbare-premieregelingen kan evenmin sprake zijn van voorindexatie. De compensatie van loon- of prijsstijgingen vr de pensioeningangsdatum dient in deze regelingen te worden gefinancierd uit de beleggingsresultaten.

3.3. Vaste voorindexatie

Ook voor een vaste voorindexatie geldt de hierna in onderdeel 4.2 vermelde goedkeuring. De goedkeuring van de vaste voorindexatie is evenmin als die voor de vaste na-indexatie afhankelijk van de wijze waarop het pensioen is zekergesteld.

4. Goedkeuringen

4.1. Vaste na-indexatie

Ik keur voorzover nodig goed dat pensioenregelingen als zuiver worden beschouwd indien zij voorzien in een vaste na-indexatie van ten hoogste 3% per jaar. Uiteraard dienen zij daarbij ook overigens aan de wettelijke regels te voldoen.

4.2. Voorindexatie van middelloonaanspraken en eindloonaanspraken zonder opbouw in een bestaande dienstbetrekking

Ik keur voorzover nodig goed dat middelloonaanspraken en eindloonaanspraken zonder opbouw in een bestaande dienstbetrekking die door middel van voorindexatie worden aangepast aan de loon- of prijsontwikkeling als zuiver worden beschouwd. Uiteraard dienen zij daarbij ook overigens aan de wettelijke regels te voldoen. Indien de voorindexatie op een vast percentage wordt vastgesteld, mag dit percentage niet hoger liggen dan 3% per jaar.

4.3. Wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

Met toepassing van artikel 19f van de Wet LB zal met ingang van 1 januari 2006 een delegatiebevoegdheid in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 worden opgenomen. Dat voorkomt enerzijds discussie over de (on)zuiverheid van gendexeerde pensioenregelingen en biedt anderzijds de mogelijkheid om de bij vaste indexatie geldende voorwaarden nader in te vullen.

5. Overgangsrecht

Pensioenregelingen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit een hogere vaste indexatie kennen dan 3% per jaar dienen met ingang van die datum te worden aangepast. De aanpassing dient plaats te vinden vr 1 januari 2006 en dient terug te werken tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Indien gewenst kan de aanpassing geschieden door een knip aan te brengen tussen de pensioenrechten die tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgebouwd en de rechten die daarna worden opgebouwd. Voor deze laatste aanspraken geldt de inhoud van dit besluit in volle omvang. De aanpassing kan in een regeling waarin nog pensioen wordt opgebouwd ook geschieden zonder knip. De indexatie van alle pensioenrechten, zowel de reeds opgebouwde als de nog op te bouwen rechten, wordt dan teruggebracht naar maximaal 3% per jaar. In dat geval kan ervan worden uitgegaan dat de pensioenregeling hierdoor niet onzuiver wordt en dat artikel 19b van de Wet LB buiten toepassing blijft.

 

De in de voorgaande alinea genoemde verplichting tot aanpassing van de indexatie geldt niet voorzover de hogere vaste indexatie dan 3% per jaar vr de datum van inwerkingtreding van dit besluit reeds is overeengekomen met werknemers of voormalige werknemers die op of na die datum geen pensioenrechten meer in de pensioenregeling opbouwen. Het gaat dan om aanspraken die vr de inwerkingtreding van dit besluit premievrij zijn geworden of om aanspraken uit reeds ingegane pensioenen. Evenmin is aanpassing van pensioenregelingen nodig voorzover het aanspraken betreft die hetzij anders dan in een bestaande dienstbetrekking worden opgebouwd hetzij op risicobasis zijn verzekerd, in beide gevallen op voorwaarde dat deze aanspraken op de datum van inwerkingtreding reeds volledig zijn gefinancierd. De eventuele voortgezette opbouw na ontslag komt dan op of na die datum niet meer geheel of gedeeltelijk ten laste van de (voormalige) inhoudingsplichtige of de (voormalige) werknemer. Te denken valt aan afvloeiingsregelingen waarbij de aanspraken en de daarbij behorende vaste indexatie in n keer en vr de datum van inwerkingtreding van dit besluit volledig zijn afgefinancierd. Dergelijke aanspraken behoeven geen aanpassing in verband met dit besluit.

6. Inwerkingtreding; vervallen besluit

Dit besluit treedt in werking met ingang van [datum dagtekening]. Het besluit van 8 februari 1978, nr. 277-43 vervalt op dezelfde datum.