Loonbelasting. Vrije vergoedingen en verstrekkingen; producten eigen bedrijf

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 10 augustus 2004, nr. CPP2004/745M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

Aan mij zijn vragen gesteld over de regeling voor producten uit het eigen bedrijf. De vragen en antwoorden zijn hierna opgenomen. De regeling voor producten uit het eigen bedrijf is opgenomen in artikel 41 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

 

De Voorzitter van de Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

 

Veel gebruikte afkortingen

Wet LBWet op de loonbelasting 1964

URLB            Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

WEV    Waarde in het economische verkeer

 

Inhoudsopgave

1.      Maximumpercentage per product

2.      Maximumbedrag korting

3.   Gemiddelde korting

4.   Kosten van geldleningen

5.      Genietingsmoment

6.   Verbonden vennootschappen

7.      Consumentenprijs in concernverband

8.   Kleding uit eigen bedrijf

9.   Begrip bedrijf

 

Vraag 1 Maximumpercentage per product

Geldt het maximumpercentage van 20, zoals genoemd in artikel 41, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, van de URLB, per product uit eigen bedrijf?

 

Antwoord

Ja, dit percentage geldt per product. De inhoudingsplichtige dient per product vast te stellen of de verleende korting blijft binnen de regeling van artikel 41 van de URLB. Het is niet toegestaan een gemiddelde korting van 20% te verlenen.

 

Vraag 2 Maximumbedrag korting

Geldt het maximumbedrag van € 450, zoals genoemd in artikel 41, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, van de URLB, per werknemer?

 

Antwoord

Ja, het maximumbedrag van € 450 per jaar geldt per werknemer. De inhoudingsplichtige moet aannemelijk maken dat de werknemer geen hogere onbelaste korting geniet dan € 450 per werknemer per jaar.  Als aannemelijk is dat een werknemer wat betreft personeelskortingen tot een zogenoemde homogene groep werknemers behoort, kan de inhoudingsplichtige volstaan met voor de homogene groep aannemelijk maken dat het bedrag niet wordt overschreden.

 

Vraag 3 Gemiddelde korting

Indien het totaal van de personeelskortingen, gedeeld door het aantal personeelsleden, gemiddeld minder dan € 450 bedraagt, kan dan administratie per individu achterwege blijven?

 

Antwoord

Per werknemer moet aannemelijk zijn dat deze geen hogere onbelaste korting geniet dan 20% per product en € 450 per jaar. Als dit aannemelijk is, bijvoorbeeld aan de hand van ervaringscijfers, is een administratie per werknemer niet nodig. Het is niet voldoende dat de gemiddelde korting niet hoger is dan 20%. Dit aspect kan wel eventuele ervaringscijfers ondersteunen.

 

Vraag 4 Kosten van geldleningen

In artikel 41, vierde lid, van de URLB, is nadrukkelijk opgenomen dat het artikel niet geldt met betrekking tot geldleningen. Geldt dit ook voor de kosten van geldleningen?

 

Antwoord

Nee, de uitzonderingsbepaling geldt alleen voor geldleningen en niet voor de kosten van geldleningen.

 

De toelichting op de uitzonderingsbepaling luidt: “Geld en het ter beschikking stellen van geld kunnen niet worden gezien als producten van het eigen bedrijf. Een vergoeding voor een rentelast kan moeilijk anders worden gezien dan als een betaling van geld. Voor een verstrekking in de vorm van een renteloze of een laagrentende personeelslening geldt dan hetzelfde.” (zie de toelichting op de ministeriële regeling van 20 december 2000, nr. WDB2000/955M, Stcrt. 2000, 251).

 

Kosten van geldleningen zijn niet genoemd in de uitzonderingsbepaling. Deze kosten kunnen vallen onder een regeling voor producten uit het eigen bedrijf.

 

Wat betreft de kosten van leningen die voor de inkomstenbelasting in box 1 zijn geplaatst kunnen de werknemer en de inhoudingsplichtige gebruik maken van de goedkeuring in het besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000-2748M, waardoor, onder voorwaarden, de heffing van loon- en inkomstenbelasting achterwege kan blijven. In dat geval is geen sprake van een korting als bedoeld in artikel 41 URLB. Een dergelijke korting telt dan niet mee voor de toetsing aan het maximumbedrag van artikel 41 URLB.

 

Vraag 5 Genietingsmoment

Kan de inhoudingsplichtige voor de bepaling van de hoogte van de WEV aansluiten bij de waarde kort voor of na het genietingsmoment (bijvoorbeeld in geval van uitverkoop)?

 

Antwoord

Nee, het is meestal niet mogelijk om aan te sluiten bij de waarde die zich op korte termijn voor of na het genietingsmoment voordoet of voor heeft gedaan. Voor de bepaling van de hoogte van de WEV is de marktsituatie op het genietingsmoment bepalend voor toepassing van artikel 41 van de URLB.

 

Er zijn wel situaties denkbaar waarin de WEV van een product zodanig stabiel is dat de inhoudingsplichtige kan volstaan met een waardebepaling op één of enkele vaste momenten per jaar. Of een dergelijke situatie zich voordoet hangt af van de feiten en omstandigheden. Hierover is uiteraard afstemmingsoverleg mogelijk met de competente inspecteur.

 

Vraag 6 Verbonden vennootschappen

Concern X bestaat uit drie BV’s. BV A importeert goederen en treedt op als groothandel. BV B transporteert de goederen. BV C exploiteert winkels waar de goederen voor consumenten te koop zijn.

 

Kunnen werknemers van alle BV’s welke behoren tot concern X korting krijgen bij de aankoop van goederen?

 

Antwoord

Ja, alle werknemers van de BV’s die behoren tot het concern kunnen korting krijgen. De regeling voor producten uit het eigen bedrijf is ook van toepassing op werknemers van een verbonden vennootschap (zie artikel 41, eerste lid van de URLB).

 

Onder een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap wordt verstaan:

a. Een vennootschap waarin de inhoudingsplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;

b. een vennootschap die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de inhoudingsplichtige;

c. een vennootschap waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de inhoudingsplichtige. Zie artikel 10a, zevende lid, van de Wet LB in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de URLB.

 

Vraag 7 Consumentenprijs in concernverband

Concern X bestaat uit drie BV’s. BV A importeert goederen en treedt op als groothandel. BV B transporteert de goederen. BV C exploiteert winkels waar de goederen voor consumenten te koop zijn.

 

De werknemers van A, B en C kunnen met een kortingspasje kopen in de winkels van C. Het pasje staat op naam van de werknemer. BV A brengt voor een product een groothandelsprijs van € 10 in rekening. BV C hanteert een consumentenprijs van € 20.

 

Moeten de inhoudingsplichtigen voor de werknemers van alle BV’s uitgaan van een WEV van € 20?

 

Antwoord

Ja, de inhoudingsplichtigen moeten uitgaan van een WEV van € 20. De WEV is de laagste prijs die een inhoudingsplichtige in de markt kan vinden, ongeacht of hij zijn product wel of niet rechtstreeks aan particulieren verkoopt. Deze prijs is voor alle werknemers gelijk.

 

Een inhoudingsplichtige mag alleen een lagere consumentenprijs in aanmerking nemen als hij deze vindt bij een andere aanbieder. Daarbij moet sprake zijn van hetzelfde of nagenoeg hetzelfde product dat tegen dezelfde voorwaarden te koop is.

 

Vraag 8 Kleding uit eigen bedrijf

Een kledingbedrijf verplicht verkoopmedewerkers in de winkel kleding uit eigen bedrijf te dragen. Er is geen sprake van werkkleding in fiscale zin (zie het besluit van 6 augustus 2002, nr. CPP2002/1351M). Een medewerker koopt voor € 1.400 kleding en krijgt een korting van 45% (ofwel € 630). De inhoudingsplichtige vergoedt daarnaast de resterende kosten met een maximum van € 500.

 

Is artikel 41 van de URLB van toepassing?

 

Antwoord

Ja, artikel 41 van de URLB is ook van toepassing als de inhoudingsplichtige de verkoopmedewerkers verplicht in de winkel kleding uit eigen bedrijf te dragen.

 

De korting en de vergoeding zijn in dit geval echter niet geheel onbelast. De korting behoort tot het loon voorzover deze hoger is dan 20% of € 450.

Tot het loon behoort € 630 – (20% van € 1.400) = € 350. Aangezien de korting in dit geval hoger is dan 20%, is ook de aanvullende vergoeding van € 500 belast.

 

Vraag 9 Begrip bedrijf

Wanneer is sprake van een bedrijf in de zin van artikel 41 van de URLB?

 

Antwoord

Gelet op de geschiedenis van artikel 41 van de URLB en de daaraan voorafgaande regeling, wordt met de term bedrijf het materiële begrip onderneming bedoeld. Het gaat daarbij om een organisatie van kapitaal en arbeid, die in stand wordt gehouden met het oogmerk om winst te behalen die redelijkerwijze te verwachten is. De omschrijving van het begrip bedrijf sluit aan bij de gangbare opvatting van het begrip onderneming in de literatuur.

 

Voor de toepassing van artikel 41 van de URLB is niet van belang of de onderneming (of de ondernemer) feitelijk is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting. Onder het begrip "bedrijf" valt evenwel niet de uitoefening van overheidstaken door een publiekrechtelijk rechtspersoon.