Loonbelasting. Aanspraken overlijdensuitkeringen; toepassing omkeerregel

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein Belasting op arbeid en vermogen

 

Besluit van 25 juni 2004, nr. CPP2004/412M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding

Aan mij zijn vragen gesteld over de vrijstelling van aanspraken van werknemers op uitkeringen terzake van overlijden (anders dan ten gevolge van een ongeval). De vragen en antwoorden zijn hierna opgenomen.

 

De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit - voorzover relevant - ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

Vraag 1

Op basis van artikel 11, eerste lid, onderdelen i en m, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) gelden voor aanspraken op eenmalige uitkeringen en verstrekkingen terzake van overlijden van de werknemer een vrijstelling van driemaal het loon over een maand (hierna: drie maandlonen). Geldt deze vrijstelling “voorzover” of “indien” de aanspraak ziet op een bedrag dat niet hoger is dan de grens van drie maandlonen?

Antwoord 1

De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdelen i en m, van de Wet LB gelden voorzover de aanspraak op de uitkering niet hoger is dan de grens van drie maandlonen.

 

Vóór 1990 was er een duidelijke “indien”-vrijstelling. In het verlengde hiervan en om redenen van waarderingsproblematiek zijn in het verleden een aantal aanspraken aangewezen als vrijgestelde aanspraak. Mede gelet op de tekst van de wettelijke bepaling stel ik mij evenwel thans op het standpunt dat de vrijstelling van drie maandlonen geldt voorzover de aanspraak de grens van drie maandlonen niet overschrijdt. Dit betekent dat het recht op toepassing van de wettelijke vrijstelling voor het gedeelte van drie maandlonen ook blijft bestaan als er sprake is van een aanspraak op een uitkering ter grootte van meer dan drie maandlonen.

 

Het voorgaande antwoord geeft aanleiding het aanwijzingsbeleid aan te passen.

Vraag 2

Artikel 7, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bevat een bevoegdheid om op verzoek aanspraken vrij te stellen. Wanneer kan een aanspraak op een eenmalige uitkering of verstrekking terzake van overlijden van de werknemer als bedoeld in art. 11, eerste lid, onderdelen i en m, van de Wet LB worden aangewezen als een vrijgestelde aanspraak?

Antwoord 2

Een eventueel verzoek om aanwijzing komt alleen aan de orde als de desbetreffende aanspraak ziet op een uitkering van meer dan drie maandlonen. Aanspraken op lagere bedragen zijn immers vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdelen i en m, van de Wet LB. Als de aanspraak niet op grond deze bepalingen is vrijgesteld, is deze in beginsel voor het bovenmatige deel belast (zie vraag 1). De waarde van de bovenmatige aanspraak kan dan bij de betreffende werknemer deel gaan uitmaken van box 3. Niettemin ben ik bereid om in zeer bijzondere gevallen dergelijke aanspraken op verzoek alsnog aan te wijzen als (geheel) vrijgestelde aanspraak. Hierbij stel ik als voorwaarde dat de verzoeker laat blijken dat de waarde van de aanspraak niet in redelijkheid kan worden vastgesteld. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van (een) verzekeraar(s) waarin staat dat de desbetreffende overlijdensuitkeringen niet verzekerbaar zijn in verband met de onmogelijkheid een premie te berekenen.

 

Met betrekking tot bestaande aanspraken merk ik nog het volgende op. Bestaande aanwijzingen blijven in beginsel geldig tot het expireren van de CAO waarin de desbetreffende aanspraak is opgenomen. Aanspraken die voldoen aan de hierna genoemde voorwaarden, zijn - bij wijze van overgangsmaatregel - aangewezen als vrijgestelde aanspraak:

-     er is sprake van een reeds bestaande publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsvoorwaarde waarin een bovenmatige aanspraak op een overlijdensuitkering is opgenomen; of

-     er is binnen een periode van zes maanden na dagtekening van dit besluit sprake van een aansluitend naar strekking ter zake ongewijzigd voortgezette publiekrechtelijke regeling of collectieve arbeidsvoorwaarde waarin een bovenmatige aanspraak op een overlijdensuitkering is opgenomen;

-     en de betrokkenen mochten op basis van eerdere aanwijzing van een aanspraak van dezelfde omvang in redelijkheid een aanwijzing verwachten.

 

In dit verband merk ik het volgende op. De aanwijzingen in het verleden zijn als beleidsbesluit gepubliceerd: besluiten DB91/2302 (V-N 1991, blz. 1846); DGB94/2001M (V-N 1994, blz. 2637); DGB96/5149M (V-N 1997, blz. 1564); DGB97/617M, V-N 1997, blz. 1565); DGB97/2381M, (V-N 1997, blz. 3728); DGB94/2001M (V-N 1994, blz. 2637); DGB96/2591M (V-N 1996, blz. 2895); DGB97/5030M (V-N 1998/7.18); DGB98/3972M (V-N 1998/59.19)). In combinatie met de desbetreffende CAO-teksten blijkt, dat de hoogste als vrijgesteld aangewezen aanspraak zag op een uitkering van 12 maandsalarissen.