Loonbelasting. Afdrachtverminderingen; diverse vragen en antwoorden

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 25 november 2003, nr. CPP 2003/1402M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

De uitvoering van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) en de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (hierna: UR WVA) heeft in de praktijk vragen opgeroepen. Ter uniformering van de uitvoeringspraktijk is in dit besluit een overzicht opgenomen van de antwoorden op de meest gestelde vragen op het gebied van de WVA. Dit besluit betreft vragen die de specifieke aandacht hebben gevraagd van de inspecteurs van de Belastingdienst.

Inhoudsopgave Vragen en antwoorden WVA

1.   Toetsloon

2.   Loonbetaling

3.   Gelijkstelling arbeidsgehandicapte en WIW-er met langdurig werkloze

4.   Periodieke schatting gevolgd door jaarafrekening afdrachtvermindering scholing

5.   Vaststelling scholingskosten ten behoeve van werknemer van 40 jaar en ouder

6.   Berekening scholingskosten bij verzorging scholing in eigen beheer

7.   Verwerking eigen bijdrage werknemer voor kinderopvang

8.   Door de werkgever verzorgde kinderopvang en gemeentelijke regels

9.   Driekwarteis betaald ouderschapsverlof

10S&O-verklaring dient betrekking te hebben op de periode waarin het loon wordt genoten

11De verdeling van het S&O-loon over diverse projecten

12.  Van toepassing zijnde arbolijst

Vraag 1 Toetsloon

Een werknemer met een werkweek van 36 uur wordt ziek. Op grond van de arbeidsovereenkomst betaalt de werkgever geen loon over de eerste ziektedag. Het gevolg hiervan is dat de werknemer deze maand een loon heeft dat lager is dan het toetsloon van de afdrachtvermindering lage lonen bij een volledige werkweek (36 uur of meer).

 

Moet het toetsloon lage lonen voor deze maand worden herleid, omdat de werknemer over de ziektedag geen loon heeft genoten, of kan worden uitgegaan van het toetsloon bij een volledige werkweek?

Antwoord

De overeengekomen arbeidsduur blijft ook in de week waarin de werknemer ziek is 36 uur. Er hoeft daarom geen herleiding van het toetsloon plaats te vinden.

Vraag 2 Loonbetaling

Een werknemer heeft een werkweek van 18 uur. Bij de bepaling van de deeltijdfactor past de werkgever ingevolge artikel 6, vierde lid van de WVA, het derde lid van dat artikel toe. De deeltijdfactor wordt in dat geval bepaald door het aantal uren waarover loon is verschuldigd, te delen door 36. In de maand februari werkt de werknemer regelmatig over, hierdoor bedraagt de gemiddelde werkweek in februari 24 uur. In de maand maart wordt niet overgewerkt, waardoor de werkweek in maart 18 uur bedraagt. De inhoudingsplichtige betaalt het loon per maand. Het overwerk wordt om administratieve redenen standaard uitbetaald in de maand volgend op de maand waarin het overwerk werd verricht. Hierdoor krijgt de werknemer in februari zijn vaste loon voor 18 uur uitbetaald en in de maand maart eveneens zijn vaste loon, verhoogd met de overwerkvergoeding over februari.

 

Hoe luidt de deeltijdfactor voor de maanden februari en maart bij deze werknemer?

Antwoord

Artikel 6, derde lid, van de WVA bepaalt dat de deeltijdfactor gelijk is aan het aantal uren waarover loon verschuldigd is, gedeeld door 36. Het in februari verschuldigde loon heeft betrekking op een werkweek van 18 uur. De deeltijdfactor voor februari bedraagt daarom 18/36 = 0,50.

Het in maart verschuldigde loon heeft betrekking op een gemiddelde werkweek van 24 uur. De deeltijdfactor voor maart bedraagt dan ook 24/36 = 0,67.

 

De deeltijdfactor wordt dus verhoogd in de maand waarin het overwerkloon wordt genoten. In de voorgelegde casus is dat niet dezelfde maand als de maand waarin het overwerk heeft plaatsgevonden.

Vraag 3 Gelijkstelling arbeidsgehandicapte en WIW-er met langdurig werkloze

Een werknemer die wordt aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten (hierna: arbeidsgehandicapte)wordt voor toepassing WVA gelijkgesteld met een langdurig werkloze. Hetzelfde geldt voor een werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inschakeling werkzoekenden (hierna: een WIW-er).

 

Mag de werkgever voor deze werknemers de afdrachtvermindering langdurig werklozen toepassen, zonder dat hij voor hen beschikt over een "verklaring langdurig werkloze".

Antwoord

Nee, de arbeidsgehandicapte en de WIW-er zijn in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, (arbeidsgehandicapte) en onderdeel f (WIW-er), van de UR WVA gelijkgesteld met een langdurig werkloze voor wie een verklaring langdurig werkloze kan worden aangevraagd. Zonder die verklaring mag voor deze werknemer de afdrachtvermindering langdurig werklozen niet worden toegepast.

 

Overigens, de afdrachtvermindering langdurig werklozen is per 1 januari 2003 afgeschaft. Op grond van de in artikel 33 WVA opgenomen overgangsbepaling, mag de afdrachtvermindering langdurig werklozen alleen nog worden toegepast voor op 31 december 2002 reeds lopende gevallen. Verklaringen langdurig werkloze worden sinds 1 januari 2003 niet meer afgegeven.

Vraag 4 Periodieke schatting gevolgd door jaarafrekening afdrachtvermindering scholing

Mag de werkgever geschatte bedragen aan afdrachtvermindering scholing non-profit op zijn aangiften loonbelasting in mindering brengen (steeds 1/12 of 1/4 van het geschatte jaarbedrag), gevolgd door een afrekening bij de laatste aangifte over het kalenderjaar?

Antwoord

Nee, de afdrachtvermindering scholing non-profit kent geen systeem met eindafrekening. De vermindering moet in mindering worden gebracht op de aangifte over het aangiftetijdvak waarin de desbetreffende kosten zijn betaald. De afdrachtvermindering kan indien de over dat tijdvak af te dragen loonbelasting tot nihil is verminderd, voor het gedeelte dat nog niet is verrekend worden doorgeschoven naar een volgend aangiftetijdvak. De af te dragen loonbelasting wordt over het eerstvolgende tijdvak telkens tot nihil verminderd alvorens de nog niet verrekende afdrachtvermindering naar een volgend tijdvak wordt doorgeschoven. Het doorschuiven is alleen mogelijk voor zover in het aangiftetijdvak waarnaar wordt doorgeschoven, nog scholing wordt genoten waar de desbetreffende betaling betrekking op heeft.

Vraag 5 Vaststelling scholingskosten ten behoeve van werknemer van 40 jaar en ouder

Een werkgever heeft in het verleden geen afdrachtvermindering scholing non-profit geclaimd. Door bezwaar te maken tegen de eigen aangifte loonbelasting (zogenoemde suppletie-verzoek) claimt de werkgever alsnog de afdrachtvermindering scholing non-profit. De scholingskosten die de werkgever heeft gemaakt voor bij hem werkzame personen van 40 jaar of ouder kunnen op grond van artikel 15a, eerste lid, van de WVA tot een verhoogde afdrachtvermindering scholing non-profit leiden.

 

Als het voor de werkgever feitelijk of praktisch onmogelijk is te bepalen welk deel van de bij hem werkzame personen, voor wie scholingskosten zijn gemaakt, 40 jaar of ouder is, mag hij die verdeling dan maken aan de hand van het personeelsbestand bij aanvang van het betreffende kalenderjaar?

Antwoord

Nee, de verhoogde afdrachtvermindering scholing non-profit geldt alleen met betrekking tot bij de inhoudingsplichtige werkzame personen voor wie scholingskosten zijn gemaakt en die aanwijsbaar 40 jaar of ouder zijn. Voor het overige geldt het basispercentage.

 

Per 1 januari 2003 is de verhoogde afdrachtvermindering scholing non-profit voor werknemers die ouder zijn dan 40 jaar vervallen.

Vraag 6 Berekening scholingskosten bij verzorging scholing in eigen beheer

Een werkgever verzorgt zelf de scholing van zijn werknemers. Hiervoor heeft hij een docent in dienst. Het overeengekomen jaarloon van de docent bedraagt € 60.000 voor 1750 uur. Het contractuele aantal lesuren van de docent bedraagt 1200 per jaar.

Het feitelijk aantal lesuren van de docent in 2002 bedraagt 1500. Het loon van de docent over 2002 bedraagt € 63.000. In 2002 heeft de docent 1800 uur gewerkt.

 

Hoe luidt de berekening van de door de docent opgeroepen kosten van scholing?

Antwoord

Het werkelijk genoten jaarloon van de docent moet worden gedeeld door het werkelijk aantal gewerkte uren. Op die manier wordt een uurloon bepaald van € 35. De scholingskosten zijn nu te bepalen door gevonden uurloon te vermenigvuldigen met het feitelijk aantal lesuren van de docent. Die berekening leidt i.c. tot € 52.500 aan scholingskosten.

Vraag 7 Verwerking eigen bijdrage werknemer voor kinderopvang

De afdrachtvermindering kinderopvang bedraagt op grond van artikel 16, eerste lid, van de WVA een percentage van de door de werkgever gemaakte kosten van kinderopvang.

 

Moet er bij de bepaling van die kosten rekening worden gehouden met een eventuele eigen bijdrage van de werknemer?

Antwoord

Ja, als basis voor de berekening van de afdrachtvermindering kinderopvang geldt op grond van artikel 16, eerste lid, van de WVA het door de werkgever betaalde bedrag voor kinderopvang, minus een eventuele eigen bijdrage van de werknemer.

Vraag 8 Door de werkgever verzorgde kinderopvang en gemeentelijke regels

In artikel 16, eerste lid, van de WVA is geregeld dat voor kinderopvang gemaakte kosten slechts voor de afdrachtvermindering kinderopvang in aanmerking kunnen komen wanneer die kosten betrekking hebben op kinderopvang waarvoor krachtens artikel 20, eerste lid, van de Welzijnswet 1994, bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit.

 

Geldt deze voorwaarde ook voor door de werkgever zelf verzorgde kinderopvang?

Antwoord

Ja, deze voorwaarde geldt ook voor door de werkgever zelf verzorgde kinderopvang.

Vraag 9 Driekwartseis betaald ouderschapsverlof

Wanneer betaald ouderschapsverlof niet is geregeld bij collectieve arbeidsovereenkomst, danwel door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, dan moet de regeling op grond van artikel 16b, eerste lid, van de WVA openstaan voor ten minste 75% van de werknemers, om te kunnen leiden tot een afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof.

 

Geldt deze zogenoemde “driekwartseis” ook wanneer een groot deel van de werknemers min of meer incidenteel werkt?

Antwoord

Ja, in beginsel moet ook in die situatie aan deze voorwaarde worden voldaan. Het ontmoet bij mij geen bezwaar indien in een regeling als ondergrens wordt opgenomen dat werknemers die doorgaans gedurende minder dan 8 uren per week of gedurende minder dan 1 maand per jaar werkzaam zijn niet kunnen deelnemen. Het zogenaamde 75%-criterium wordt in dat geval beoordeeld voor alle werknemers die niet aldus zijn uitgesloten (vergelijk dit met antwoord 7c in het besluit van 7 september 2001, nr CPP2001/923M).

Vraag 10 S&O-verklaring dient betrekking te hebben op de periode waarin het loon wordt genoten

Door Senter is aan een inhoudingsplichtige voor project X een S&O-verklaring, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WVA, afgegeven voor het gehele kalenderjaar. De verklaring is afgegeven voor een S&O-loon van € 25.000. In het eerste halfjaar bedraagt het S&O-loon voor dit project echter € 35.000. Het gevolg hiervan is dat de inhoudingsplichtige over € 10.000 geen afdrachtvermindering S&O mag toepassen. Voor de tweede helft van hetzelfde kalenderjaar wordt nogmaals een S&O-verklaring afgegeven voor project X. Deze verklaring gaat uit van een S&O-loon van € 40.000. Het uiteindelijke S&O-loon in de tweede helft van het kalenderjaar bedraagt € 18.000. De afdrachtvermindering S&O mag nu worden toegepast over € 18.000.

 

Mag de inhoudingsplichtige over de € 10.000 loon uit de eerste helft van het kalenderjaar alsnog de afdrachtvermindering S&O toepassen in verband met de ruimte die hij overhoudt in de S&O-verklaring voor het tweede halfjaar?

Antwoord

Nee, dat mag hij niet.

Voor het eerste halfjaar is een S&O-verklaring afgegeven voor een bedrag € 25.000. Op de € 10.000 die meer is uitbetaald kan geen afdrachtvermindering S&O worden toegepast, omdat die € 10.000 niet wordt gedekt door een S&O-verklaring. Dat de S&O-verklaring die is afgegeven voor het tweede halfjaar niet volledig wordt benut verandert daar niets aan.

Vraag 11 De verdeling van het S&O-loon over diverse projecten

Aan een inhoudingsplichtige is door Senter één S&O-verklaring afgegeven die betrekking heeft op twee projecten. De S&O-verklaring kent een totale loonsom van € 40.000, € 20.000 voor project Y en € 20.000 voor project Z. Uiteindelijk bedraagt het S&O-loon voor project Y € 12.000 en voor project Z € 24.000. Mag de inhoudingsplichtige over de volledige € 36.000 de afdrachtvermindering S&O toepassen?

Antwoord

Ja, het is mogelijk binnen een S&O verklaring te schuiven tussen de projecten waarvoor de S&O-verklaring is afgegeven. Zolang het totale loon waar uiteindelijk de afdrachtvermindering S&O over wordt toegepast maar niet hoger is dan het totale bedrag waarvoor vooraf een S&O-verklaring is afgegeven.

Vraag 12 Van toepassing zijnde arbolijst

De arbo-afdrachtvermindering is van toepassing met betrekking tot de aanschaffings- of voortbrengingskosten van arbobedrijfsmiddelen. Jaarlijks wordt op grond van artikel 26a, derde lid, van de WVA een (aangepaste) arbolijst samengesteld. In die lijst worden de bedrijfsmiddelen genoemd die voor toepassing van de arbo-afdrachtvermindering kunnen worden aangemerkt als arbobedrijfsmiddelen. Het kan voorkomen dat de verplichting tot een investering in een eerder jaar (jaar x) wordt aangegaan dan het jaar (jaar x+1) waarin het bedrijfsmiddel wordt betaald en in gebruik wordt genomen.

 

Welke arbolijst is nu bepalend voor de vraag of het bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt als een arbo-bedrijfsmiddel?

Antwoord

Van een arbo-investering is sprake als het desbetreffende bedrijfsmiddel is opgenomen in de arbolijst voor het jaar waarin de verplichting is aangegaan of de voortbrengingskosten zijn gemaakt.