Loonbelasting. Uitstel heffing over aandelenopties bij ontstaan inhoudingsplicht

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 7 oktober 2003, nr. CPP2003/659M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financin het volgende besloten.

1. Inleiding

Aan mij is een vraag voorgelegd over de toepassing van het keuzeregime van artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) voor bepaalde aandelenoptierechten in situaties waarin inhoudingsplicht is ontstaan na het eerste genietingsmoment van het optierecht. In verband hiermee deel ik het volgende mee.

 

De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat aangezien de sociale verzekeringswetgeving niet voorziet in een keuzeregime als dat van artikel 10a van de Wet LB, het onderhavige besluit voor de premieheffing werknemersverzekeringen toepassing mist.

2. Verruiming uitstel van heffing

In een aantal situaties ontstaat inhoudingsplicht over tranches van een zogenoemd tranche optierecht (zie het besluit van 27 november 2002, nr. CPP2002/2067M) na het eerste genietingsmoment van dat optierecht. Zon situatie kan onder meer ontstaan door overplaatsing binnen concernverband naar Nederland, door bedrijfsverplaatsing, bij toepassing van de zogenoemde opting-inregeling of als gevolg van een wijziging van de wet of de jurisprudentie.

voorbeeld 1

Buitenlandse werknemers van een concern worden naar Nederland uitgezonden. De binnenlandse werkgever wordt inhoudingsplichtig voor het geheel van de overeengekomen beloningen. De werknemers hebben voordat zij in Nederland arriveren tranche optierechten gekregen. En of meerdere tranches van de toegekende optierechten zijn onvoorwaardelijk geworden voor het moment van ontstaan van de inhoudingsplicht.

voorbeeld 2

Een bedrijf wordt verplaatst naar Nederland. De werknemers die in Nederland wonen hebben tranche optierechten toegekend gekregen. En of meerdere tranches van de toegekende optierechten zijn onvoorwaardelijk geworden vr het moment van ontstaan van de inhoudingsplicht.

voorbeeld 3

Een persoon is, buiten het verband van een dienstbetrekking, als auteur werkzaam voor een uitgever. De uitgever verstrekt hem een tranche optierecht. Nadat n of meer tranches onvoorwaardelijk zijn geworden, besluiten de uitgever en de auteur om gebruik te maken van de zogenoemde opting-inregeling (zie artikel 4, onderdeel f, van de Wet LB, in samenhang met artikel 2g van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

 

In de hiervoor bedoelde situaties bestaat naar de letter van artikel 10a, tweede lid, van de Wet LB geen mogelijkheid om te kiezen voor uitstel van belastingheffing tot het moment van uitoefening of vervreemding van de optierechten, aangezien de keuze voor uitstel schriftelijk door de werknemer en de inhoudingsplichtige moet zijn kenbaar gemaakt voor het moment dat de eerste tranche van het optierecht onvoorwaardelijk is geworden. Dit gevolg stemt naar mijn oordeel niet overeen met de bedoeling van de wetgever.Gelet hierop heb ik de volgende regeling getroffen.

2.1. Goedkeuring

Ik keur in de onder 2 bedoelde situaties goed dat uitstel van heffing overeenkomstig het keuzeregime van artikel 10a van de Wet LB kan plaatsvinden voor de tranches die onvoorwaardelijk worden nadat terzake inhoudingsplicht ontstaat. Hierbij geldt als voorwaarde dat de inhoudingsplichtige en de werknemer de keuze voor uitstel van heffing schriftelijk kenbaar maken aan de inspecteur, uiterlijk op het genietingsmoment van de eerste tranche waarvoor inhoudingsplicht bestaat. Deze keuze geldt dan voor de verwachtingswaarde en de eventuele aangegroeide intrinsieke waarde van alle tranches van het optierecht welke onvoorwaardelijk worden nadat de inhoudingsplicht is ontstaan.

3. Terugwerkende kracht

Op grond van het besluit van 27 november 2002, nr. CPP2002/2067M, kon een werknemer binnen twee maanden na dagtekening van dat besluit alsnog opteren voor uitgestelde heffing voor bepaalde tranches van aandelenoptierechten, voorzover die tranches werden of worden genoten na 28 december 2000. Gelet op de in dat besluit opgenomen goedkeuring en op de goedkeuring hiervoor onder 2.1 heb ik de volgende regeling getroffen.

3.1 Goedkeuring

Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat over de hierna genoemde tranche optierechten uitstel van heffing overeenkomstig het keuzeregime van artikel 10a van de Wet LB kan plaatsvinden:

 

A. De optierechten zijn verstrekt op grond van een overeenkomst die is gesloten vr de dagtekening van dit besluit en er zijn terzake vr die datum een of meer genietingsmomenten geweest in een periode waarin geen inhoudingsplicht bestond.

 

B. De keuze voor uitstel van heffing wordt gemaakt voor alle tranches voorzover deze zijn of worden genoten in een periode na 28 december 2000 waarin inhoudingsplicht bestond of bestaat. De werknemer en de inhoudingsplichtige stellen de inspecteur van de werknemer uiterlijk binnen twee maanden na dagtekening van dit besluit schriftelijk op de hoogte van de keuze van de werknemer. De melding moet een gespecificeerde berekening bevatten van het per kalenderjaar teveel in aanmerking genomen loon bij de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen. Tevens wordt aangegeven hoeveel per kalenderjaar het desbetreffende loon na toepassing van de regeling bedraagt. Hierbij wordt voor zoveel van toepassing rekening gehouden met de invloed op loongerelateerde regelingen, zoals de zogenoemde 30%-regeling. De inhoudingsplichtige stuurt een afschrift van de melding aan de inspecteur die bevoegd is voor de inhoudingsplichtige.

 

C. Bij de onder B. bedoelde melding stemmen de werknemer en de inhoudingsplichtige schriftelijk in met de heffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen, met overeenkomstige toepassing van artikel 10a, derde lid, van de Wet LB, terzake van opties of tranches daarvan waarvoor voor uitstel is gekozen. Daarbij wordt aangesloten bij het zogenoemde fifo-systeem.

 

D. De melding wordt ondertekend door de werknemer en de inhoudingsplichtige.

3.2. Herstel van inhoudingen 2000, 2001 en 2002

Voor de jaren 2000, 2001 en 2002 geldt dat de teveel ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt verrekend met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van de werknemer. Het gecorrigeerde loon zoals vermeld op de melding wordt daarbij in aanmerking genomen. Als de werknemer geen aangifte heeft ontvangen, kan deze om een aangifte verzoeken en in de aangifte het gecorrigeerde loonbedrag vermelden. Dit laatste geldt eveneens als de werknemer vanwege uitstel nog geen aangifte heeft gedaan. Als er inmiddels een aangifte is ingediend door de werknemer kan deze een aanvulling op de aangifte doen en het gecorrigeerde loonbedrag vermelden. Als de aanslag inmiddels is vastgesteld kan de werknemer een verzoek om ambtshalve vermindering indienen of bezwaar maken tegen de aanslag. De hiervoor bedoelde verzoeken of aanvulling kunnen desgewenst tegelijkertijd met de melding worden gedaan.

3.3 Herstel van inhoudingen 2003

Voorzover het gaat om in 2003 teveel ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen, mag de inhoudingsplichtige dit onder de volgende voorwaarden verrekenen met andere nog af te dragen loonbelasting/premie volksverzekeringen:

 

- De werknemer stemt met de verrekening in.

- De loonadministratie biedt voldoende waarborgen voor een goede controle.

- Op de loonstaat of in de loonadministratie moet zowel bij de post waarbij te veel is ingehouden of berekend, als bij de post waarbij de verrekening plaatsvindt, een aantekening worden gemaakt met onderlinge verwijzing.

 

De looncomponenten die door de keuze van de werknemer en de werkgever op basis van dit besluit alsnog in de loonheffing 2003 moeten worden betrokken, dienen in het desbetreffende loontijdvak in aanmerking te worden genomen. Indien dat loontijdvak reeds is afgesloten, dient dit loon in aanmerking te worden genomen in het lopende loontijdvak.

4. Slot

Wellicht ten overvloede merk ik nog het volgende op.

 

In de voorbeelden 1 en 2 is sprake van een situatie waarin het voordeel uit het aandelenoptierecht gedeeltelijk toegerekend moet worden aan een buitenlandse periode. Bij de heffing van Nederlandse belasting over het optievoordeel moet rekening worden gehouden met het besluit van 11 februari 2002, nr. IFZ02/040, over de fiscale behandeling van aan werknemers toegekende aandelenopties in grensoverschrijdende situaties.

 

De hiervoor opgenomen goedkeuringen hebben geen betrekking op de intrinsieke waarde van de aandelenopties op het moment van overeenkomen daarvan en voorzover nog aanwezig op de genietingsmomenten zoals genoemd onder 2.1 en 3.1.

 

Op de heffing over tranches die vr 28 december 2000 zijn genoten of zijn genoten in een periode waarin er geen inhoudingsplicht gold wordt niet teruggekomen.