Inkomstenbelasting/loonbelasting. Privé-gebruik auto en toepassing autokostenforfait

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 25 februari 2004, nr. CPP2003/588M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

Dit besluit is een integrale actualisering van het besluit van 12 december 2001, nr. CPP2001/2139M voor de wetgeving die geldt t/m 31 december 2003. Dit besluit zal op korte termijn worden aangepast aan de wetgeving per 1 januari 2004. Zie voor nadere informatie over de toepassing van dit besluit hoofdstuk 8.

Afgezien van tekstuele wijzigingen en enige aanvullingen in hoofdstuk 2, 3 (onderdeel a), 4 en 7 is het besluit aangevuld met de nieuwe onderdelen 3b, c, d en de hoofdstukken 5 en 6. Onderdeel B.3.2.m. “in aftrek beperkte kosten” van het besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M, “Vragen en antwoorden inzake het nieuwe belastingstelsel”, is hierbij komen te vervallen.

Waar in dit besluit wordt gesproken over “ondernemer” wordt tevens bedoeld de “resultaatgenieter” alsook diegene, die op grond van artikel 3.3 van de Wet IB 2001 mede belastbare winst uit onderneming geniet. Waar in dit besluit wordt gesproken over “auto” wordt daarmee zowel een personenauto als een bestelauto bedoeld, tenzij anders is aangegeven of tenzij de toepasselijke wettelijke bepaling een andere invulling aan het begrip “auto” geeft.

 

De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat dit besluit - voor zover relevant - ook geldt voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

1.            Inleiding

Voor algemene vragen en antwoorden over het autokostenforfait verwijs ik naar het besluit van 30 januari 2002, nr. DGB2001/1744M.

Hieronder komen de volgende punten aan de orde:

2.   Het hardheidsclausulebeleid

3.   Kosten die voor rekening van de werknemer of ondernemer komen

4.   Gebruik auto van de zaak voor andere doeleinden

5.      Vermogensetikettering

6.   Gebruik privé-auto voor zakelijke doeleinden en/of woon-werkverkeer

7.      Praktijkcasus met uitwerking

8.   Toepassing van dit besluit

 

Het besluit van 1 oktober 2002, nr. CPP2002/2409M heeft betrekking op de zgn. 2,5%-bestelauto en de mogelijkheid om afspraken te maken over het bewijs daarvoor. Het besluit van 25 februari 2003, nr. CPP2002/3089M gaat in op de toepassing van de autokostenfictie bij het regelmatig woon-werkverkeer.

2.            Hardheidsclausule

Met het autokostenforfait heeft de wetgever het privé-gebruik van een ter beschikking staande c.q. gestelde personenauto of bestelauto (hierna beiden: auto van de zaak) op praktische wijze in de inkomstenbelasting willen betrekken. Een dergelijke bepaling is niet vrij van een zekere ruwheid; dit is een kenmerk van forfaitaire regelingen.

 

De Wet IB 2001 hanteert inzake de auto van de zaak een vooronderstelling: de auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan of te zijn gesteld, tenzij blijkt dat dat niet of vrijwel niet (d.w.z. niet meer dan 500 km op jaarbasis) het geval is. Uit de vooronderstelling volgt dat het hoogste forfaitaire percentage onttrekking/bijtelling van toepassing is, tenzij blijkt dat een lager percentage kan worden gehanteerd. Ik verwijs voor de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs naar de punten 5 en 6 van het besluit van 30 januari 2002 nr. DGB2001/1744M.

In de artikelen 9 en 22 van de Uitvoeringsregeling IB 2001 is aangegeven aan welke voorwaarden een rittenadministratie moet voldoen om als bewijsmiddel door de Belastingdienst geaccepteerd te worden. Deze rittenadministratie is overigens niet de enige vorm van bewijs om aan te tonen dat niet meer dan 500 kilometer privé is gereden. Men is bij een dergelijk gering privé-gebruik van de auto van de zaak vrij in het aanvoeren van bewijsmiddelen waaruit het privé-gebruik van de auto blijkt. De waardering van het aangevoerde bewijs behoort tot de taak van de inspecteur. Bij een blijvend geschil daarover kan de kwestie worden voorgelegd aan de administratieve rechter in belastingzaken. Voor de goede orde merk ik op, dat bepaalde onzekerheden ook kunnen worden opgelost door vooraf afspraken te maken met de inspecteur over een op een concrete situatie toegesneden praktische toepassing van de nieuwe wettelijke regels. Zie punt 1 van het besluit van 30 januari 2002 nr. DGB2001/1744M.

 

Gelet op de bewuste keuze van de wetgever wijs ik verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule met betrekking tot de regeling voor privé-gebruik met een auto van de zaak steeds af. Dit geldt bijvoorbeeld in situaties waarin het bedrag van het autokostenforfait hoog is in verhouding tot het aantal daadwerkelijk gereden privé-kilometers of waarin een duurdere auto wordt gebruikt dan de belastingplichtige gelet op zijn maatschappelijke positie in privé zou hebben aangeschaft.

3.            Kosten die voor rekening van de werknemer of ondernemer komen

a.   Aan de werkgever betaalde of voor eigen rekening genomen kosten
Uit artikel 3.145, achtste lid, van de Wet IB 2001 blijkt dat een bijdrage voor privé-gebruik van een auto van de zaak (waartoe ook een gedeelte van het woon-werkverkeer kan behoren) die de werknemer aan zijn werkgever betaalt, rechtstreeks op de bijtelling in mindering wordt gebracht. In artikel 3.20, achtste lid, van de Wet IB 2001 is een gelijksoortige regeling getroffen voor de ondernemer die kosten en lasten van de auto van de zaak voor zijn privé-rekening neemt en ze niet ten laste van de winst laat komen.
Volledigheidshalve merk ik in dit verband nog het volgende op. Bij bepaalde vormen van leasing heeft de werknemer het recht (of de plicht) om de auto van de zaak te kopen tegen een (voorgecalculeerde) restwaarde. In deze gevallen vormt het voordeel dat de werknemer als gevolg van dit recht tot koop geniet (verschil waarde in het economische verkeer en het door de werknemer te betalen bedrag) voor de werknemer loon in natura waarover loonheffing moet worden ingehouden; zie het besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2729M. Vgl. ook de uitspraak van het Hof Amsterdam van 12 december 2002, nr. 02/4688 PV, VN 2003/4.2.8, waartegen cassatie is ingesteld onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 december 1993, nr. 29.340, BNB 1994/51.

 

b.   Bedrag ineens
In het geval er sprake is van een bedrag dat ineens wordt betaald voor privé-gebruik (waartoe ook een gedeelte van het woon-werkverkeer kan behoren), verwijs ik naar het arrest van 17 april 1996, nr. 30.995, BNB 1996/197. Hierin oordeelde de Hoge Raad, dat een ineens betaald bedrag, bijvoorbeeld een bijdrage van een werknemer ten behoeve van de aanschaffingskosten van een auto van de zaak, de grondslag voor de bijtelling niet zonder meer vermindert. De betaalde bijdrage moet dan naar rato van het gebruik worden gesplitst in een vergoeding voor privé-doeleinden en een vergoeding voor zakelijk gebruik. Hierbij geldt dat de bijdrage in de aanschaffingskosten doorgaans het karakter heeft van een betaling voor door de werkgever gedurende meerdere jaren te leveren prestaties. Van deze toekomstige prestaties valt ten tijde van de betaling niet te voorzien in welke mate ze voor zakelijke dan wel voor particuliere doeleinden zullen worden benut. Dit betekent, dat de bijdrage niet uitsluitend in het jaar van betaling van belang is.

 

c.   Vergoeding hoger dan bijtelling
Voorzover de aan de werkgever betaalde vergoeding de bijtelling voor privé-gebruik te boven gaat, is er geen sprake van negatief loon of van aftrekbare kosten. Dat is ook het geval als er geen bijtelling is en de werknemer dus een vergoeding betaalt voor het zakelijk gebruik (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 17 april 1996, nr. 30.995, BNB 1996/197).

 

d.   Vergoeding voor woon-werkverkeer
Bij woon-werkverkeer met een auto van de zaak geldt sinds 1 januari 2002 dat in bepaalde gevallen de afgelegde kilometers (gedeeltelijk) als privé-gebruik worden aangemerkt. Indien de reisafstand niet meer dan 10 kilometer bedraagt is het gehele woon-werkverkeer privé. Indien die afstand meer dan 30 kilometer bedraagt is het gedeelte boven de 30 kilometer privé, de eerste 10 kilometer zijn dan wel zakelijk. Hierbij geldt dat het woon-werkverkeer maximaal voor 5500 km in aanmerking wordt genomen. Dit brengt mee dat de eigen bijdrage van de werknemer of ondernemer voor woon-werkverkeer gesplitst moet worden in een bijdrage voor zakelijk en voor privé-gebruik. De bijdrage voor privé-gebruik komt dan in mindering op de bijtelling.

 

e.   Kosten die aan derden zijn betaald
Kosten in verband met de auto van de zaak die een werknemer aan derden betaalt, komen niet in mindering op de bijtelling wegens privé-gebruik, tenzij de betaling is aan te merken als gedaan ten behoeve van de werkgever. Dat kan alleen als de werknemer met de werkgever is overeengekomen dat die betaling als bijdrage privé-gebruik auto is aangemerkt. Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1999, nr. 34.945, BNB 2000/78, V‑N 2000/7.19, inzake een verzekeringspremie die door de werknemer direct aan de verzekeraar is betaald.

4.            Gebruik auto van de zaak voor andere doeleinden

Een belastingplichtige kan een auto van de zaak ook gebruiken voor

a.   een (ander) eigen bedrijf

b.   een dienstbetrekking bij een (andere) werkgever

 

De auto wordt dan gebruikt voor andere doeleinden, waarvan de opbrengst wordt aangemerkt als winst uit onderneming, loon uit (een andere) dienstbetrekking of resultaat uit een werkzaamheid. De in dat verband gereden kilometers kwalificeren voor het autokostenforfait als privé-kilometers, tenzij zich één van de volgende situaties voordoet:

 

bij loon uit een (andere) dienstbetrekking:

-     de auto van de zaak is mede namens de andere werkgever ter beschikking gesteld, of:

-     de andere dienstbetrekking wordt uitgeoefend binnen het kader van de eerste dienstbetrekking.

 

Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2000, nr. 34.720, BNB 2000/360, V-N 2000/44.16.

 

bij winst uit (een andere) onderneming:

-     een zakelijke vergoeding voor de kosten van dat gebruik is in de winst opgenomen, of

-     het loon uit dienstbetrekking maakt deel uit van de winst uit onderneming.

 

Zie het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 2001, nr. 36.336, BNB 2001/279, V-N 2001/30.24.

 

Voor de goede orde merk ik op, dat een hoog aantal kilometers in verband met de andere werkzaamheden en overig privé-gebruik kunnen leiden tot een hogere bijtelling respectievelijk onttrekking voor privé-gebruik. Hieronder volgen enige voorbeelden uit de praktijk, waarbij tevens de gevolgen bij gebruik van de auto van de zaak voor andere doeleinden aan de orde komen.

Praktijkvoorbeelden:

 

a.      Werknemer/ondernemer gebruikt de auto van de zaak in het kader van zijn (andere) onderneming
Als een belastingplichtige in verband met een dienstbetrekking over een auto van de zaak beschikt (geen tot het privé-vermogen van de ondernemer behorende of door hem in privé gehuurde personenauto) en hij die auto ook gebruikt voor zijn onderneming, is artikel 3.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 niet van toepassing. Dit geldt ook als de auto van de zaak tot het vermogen van een andere onderneming of werkzaamheid van de belastingplichtige behoort. Wanneer er sprake is van een bestelauto die overeenkomstig de hiervoor genoemde situatie wordt gebruikt, is artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 niet van toepassing.
In verband met het gebruik van de auto van de zaak (uit de dienstbetrekking) voor in een onderneming verrichte werkzaamheden kan een evenredig deel van de bruto-bijtelling voor privé-gebruik, eventueel vermeerderd met het bedrag waarmee de vergoeding aan de werkgever de bruto-bijtelling overtreft, ten laste van de winst uit onderneming worden gebracht.

 

b.   De werknemer/ondernemer gebruikt de auto van de zaak in het kader van een (andere) dienstbetrekking
Wordt de auto van de zaak gebruikt voor andere in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden, dan brengt toepassing van de Wet IB 2001 met zich mee, dat de hoogte van de bijtelling/onttrekking gehandhaafd blijft. Wel is het voor de (andere) werkgever mogelijk om op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 vrije vergoedingen te verstrekken op basis van € 0,28 per kilometer of (voor het regelmatig woon-werkverkeer) het reiskostenforfait.

 

c.   De werknemer/ondernemer gebruikt de auto van de zaak voor reizen in verband met geneeskundige hulp of ziekenbezoek

 

c.1.In verband met de kilometers voor genees- heel- en verloskundige hulp zoals bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 (bijvoorbeeld bezoek aan artsen) komt voor de inkomstenbelasting als buitengewone uitgave in aanmerking een evenredig deel van de bruto-bijtelling. Wanneer er sprake is van een eigen bijdrage kan het evenredig deel van de bruto bijtelling worden vermeerderd met een evenredig deel van het bedrag waarmee de vergoeding aan de werkgever de bruto-bijtelling overtreft (zie voor deze systematiek Hof Arnhem van 14 april 1983, nr. 1387/1981, BNB 1984/222). Deze uitspraak ging om een belastingplichtige die zijn auto van de zaak tevens gebruikte voor ritten in verband met een studie. Zie voor dergelijke kosten onderdeel e hierna.

 

c.2.Voor de reizen genoemd in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IB 2001 (ziekenbezoek) is in artikel 6.18, zesde lid, onderdeel a, een specifieke regeling getroffen. Indien (anders dan per taxi) wordt gereisd komt € 0,18 (2003) per kilometer in aanmerking als uitgave voor ziekenbezoek.

 

d.   De werknemer/ondernemer rijdt in verband met een handicap in een auto van de zaak die duurder uitvalt dan gebruikelijk is
Wanneer een gehandicapte een auto van de zaak heeft die in verband met zijn/haar handicap duurder uitvalt dan gebruikelijk (bijvoorbeeld omdat de auto ruimer is), zal een daarmee samenhangende hogere catalogusprijs doorwerken naar de bijtelling voor privé-gebruik. Dit vloeit voort uit de enigszins ruwe werking van de autokostenfictie (vgl. ook de antwoorden op de Kamervragen van 26 maart 2002, vergaderjaar 2001-2002, nr. 853). Als aannemelijk is dat deze belastingplichtige ook voor privé-doeleinden de auto van de zaak meer gebruikt dan met hem vergelijkbare belastingplichtigen die niet gehandicapt zijn, kan de belastingplichtige deze extra kosten van vervoer als buitengewone uitgaven in aftrek brengen (zie onder c.1 en c.2) Deze kosten kunnen op een evenredig deel van diezelfde bijtelling worden gesteld. Daarnaast geldt dat wanneer de belastingplichtige een maandelijks bedrag bijdraagt in verband met het rijden in een duurdere auto van de zaak, deze bedragen in mindering kunnen komen op de bijtelling overeenkomstig punt 3 van dit besluit. Hierbij merk ik volledigheidshalve op, dat er geen BPM verschuldigd is over de kosten die gemaakt worden om motorrijtuigen speciaal in te richten of aan te passen voor gehandicapten. Er is wel BPM verschuldigd over voorzieningen die ook door niet-gehandicapten worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld een automatische versnellingsbak.

 

e.   De werknemer/ondernemer gebruikt de auto van de zaak voor reizen in het kader van scholingsuitgaven
Scholingsuitgaven zijn uitgaven van een belastingplichtige (of diens fiscale partner) voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning (zie artikel 6.27 van de Wet IB 2001). Reiskosten behoren hier volgens artikel 6.28, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 niet toe en zijn dus niet aftrekbaar als scholingsuitgaven.
Wel zijn bepaalde kilometers onder omstandigheden aan te merken als studiekosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. In dat geval zijn de verreden kilometers in beginsel zakelijk, tenzij er sprake is van regelmatig woon-werkverkeer naar een lesgelegenheid. In het laatstgenoemde geval is het reiskostenforfait van toepassing.

 

f.    De werknemer/ondernemer gebruikt de auto van de zaak voor reizen in het kader van giften
Indien reizen per auto volgens de giftenregeling als gift in aanmerking kunnen worden genomen, geldt daarvoor de specifieke regeling van artikel 6.36 van de Wet IB 2001: indien giften bestaan uit het afzien van een vergoeding van de kosten van vervoer per auto (anders dan per taxi) worden zij in aanmerking genomen voor € 0,18 per kilometer (2003). Met het afzien van een vergoeding is de situatie gelijk te stellen, dat er vanwege de slechte financiële positie van de instelling geen (volledige) declaratiemogelijkheid is. Tevens moet dan duidelijk zijn dat naar maatschappelijke opvattingen wel een vergoeding zou moeten worden gegeven. De niet-vergoede meerkosten komen dan in beginsel in aanmerking voor aftrek binnen de beperking van € 0,18 per kilometer (zie ook punt B.6.9.a van het besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M, V-N 2001/65.2, blz. 6720).

 

g.   De auto van de zaak wordt gebruikt voor vrijwilligerswerk
Voor de (reis)kosten die vrijwilligers in het kader van het vrijwilligerswerk maken, bestaat een algemene en een bijzondere vergoedingsregeling. Op basis van de algemene regeling wordt een vergoeding die niet hoger is dan de naar redelijkheid te bepalen kosten, niet aangemerkt als loon voor de loonheffing.
De bijzondere regeling brengt met zich mee, dat voor een vergoeding binnen bepaalde grenzen wordt aangenomen, dat deze vergoeding strekt ter bestrijding van (auto)kosten. Zo’n vergoeding wordt niet aangemerkt als loon. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks de grensbedragen vast door een wijziging van de Regeling onkostenvergoeding van 28 augustus 1984, nr. SV/WV/84/2981, Stcrt. 1984, nr. 172. Zie voor de actuele bedragen de Handleiding Loonbelasting, premie volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen 2003, ook te vinden op internet (www.belastingdienst.nl, onderdeel loonbelasting).
Wanneer blijkt dat er voor de vrijwilliger sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking en niet binnen de grenzen van de vrijwilligersregeling wordt gebleven, vormt de vergoeding loon. De werkgever kan dan voor de autokosten een belastingvrije vergoeding geven volgens het reiskostenforfait en/of het normbedrag van € 0,28 per kilometer.

 

h.   De auto van de zaak wordt gebruikt voor activiteiten die als resultaat uit een (andere) werkzaamheid worden aangemerkt
Voor zover sprake is van privé-kilometers als gevolg van het gebruik van de auto van de zaak voor resultaat uit overige werkzaamheden, kan een evenredig deel van de bijtelling ten laste van het resultaat worden gebracht (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1986, nr. 23.861, BNB 1986/259). Hiervoor geldt de volgende formule:


kilometers andere werkzaamheden/totale privé-kilometers x het loon in natura

5.            Vermogensetikettering

Algemeen

De grens waaronder een ondernemer een zowel voor ondernemings- als voor privé-doeleinden gebruikte personenauto niet meer tot het privé-vermogen mag rekenen en deze dus verplicht ondernemingsvermogen vormt, lag bij een privé-gebruik van 1000 kilometer op jaarbasis (vgl. HR 14 maart 2001, nr. 36 108; BNB 2001/201*). Met de invoering van de Wet IB 2001 is de 1000-km-grens gewijzigd in een 500-km-grens. Bovendien is de regeling ook van toepassing op het resultaat uit overige werkzaamheden. Voor zowel personen- als bestelauto’s geldt onder de Wet IB 2001 dan dat bij een privé-gebruik van niet meer dan 500 kilometer de auto verplicht ondernemingsvermogen vormt. Bij een gebruik voor privé-doeleinden van meer dan 500 kilometer is er sprake van keuzevermogen en mag de auto tot het privé-vermogen worden gerekend.

De aftrekbeperking (artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001)

De aftrekbeperking van artikel 3.17 van de Wet IB 2001 ziet op bestanddelen die tot het privé-vermogen behoren en (toch) zakelijk worden gebruikt. Hierbij kan gedacht worden aan personenauto’s, waarvoor in artikel 3.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 een vaste kilometeraftrek van € 0,28 per kilometer is opgenomen, maar ook aan andere vervoermiddelen, zoals een bestelauto die tot het privé-vermogen behoort maar voor een zakelijke rit wordt gebruikt. Voor de met een dergelijke bestelauto samenhangende kosten geldt een aftrekbeperking tot het bedrag dat als voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking komt (artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001).

De vaste kilometeraftrek voor personenauto’s van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 van € 0,28 per kilometer is dus voor bestelauto’s niet van toepassing. Een bestelauto vormt, voor de toepassing van deze bepaling, een roerende zaak die voor persoonlijke doeleinden wordt gebruikt waarvoor het voordeel uit sparen en beleggen nihil bedraagt. Er kan dan niets in mindering worden gebracht op de winst. Ook de brandstofkosten kunnen niet afzonderlijk in mindering op de winst worden gebracht.

Voor de goede orde merk ik op, dat in verband met de inwerkingtreding van de Wet IB 2001 bij het besluit van 23 mei 2001, RTB2001/220M de mogelijkheid is geschapen om de keuze voor etikettering van vermogensbestanddelen te herzien.

6.            Gebruik privé-auto voor zakelijke doeleinden en/of woon-werkverkeer

Als een ondernemer een privé-auto die tot zijn privé-vermogen behoort gebruikt voor zakelijke doeleinden danwel voor regelmatig woon-werkverkeer, dan kan € 0,28 per kilometer respectievelijk het in de tabel van artikel 3.18 van de Wet IB 2001 opgenomen bedrag ten laste van de winst worden gebracht. Dit leidt niet tot toepassing van het autokostenforfait (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1996, nr. 30.726, BNB 1996/404c).

Als een werknemer een privé-auto gebruikt voor zakelijke doeleinden of voor regelmatig woon-werkverkeer, leidt een vrije vergoeding op grond van artikel 15b en 16b Wet loonbelasting niet tot toepassing van het autokostenforfait.

Voorzover echter een andersoortige vergoedingsregeling (bijvoorbeeld een variabele kilometervergoeding) wordt gehanteerd, kan als gevolg daarvan het autokostenforfait van toepassing zijn. Dit is het geval als de werkelijke autokosten van de auto vergoed worden, al dan niet onder aftrek van een bedrag voor privé-gebruik (vgl. bijvoorbeeld Hof ’s-Gravenhage 31 mei 2000, VN 2000/45.4).

7.            Praktijkcasus met uitwerking (cijfers 2003)

De werknemer X heeft in 2003 van zijn werkgever A een personenauto ter beschikking gekregen met een cataloguswaarde inclusief accessoires van € 18.151. Voor het privé-gebruik betaalt hij in het jaar 2003 een vergoeding aan de werkgever A van € 545. De gereden kilometers bedragen in het jaar 2003 inclusief het zakelijk en woon-werkverkeer van de dienstbetrekking bij A 30.000 km. Hiervan is 15.000 km (vanuit de dienstbetrekking bij A bezien) voor privé-doeleinden gereden.

Voor de heffing van de inkomstenbelasting leidt dit tot een bijtelling van 25% van € 18.151 = € 4.538 - vergoeding € 545 = € 3.993. "Binnen" dit privé-gebruik moet iedere "soort" kilometers op zijn eigen merites worden bezien. Naast onbenoemd privé-gebruik kunnen de privé-kilometers worden onderverdeeld in de onder de nummers 1 t/m 6 opgenomen categorieën:

 

1.   Reizen in verband met een onderneming/resultaat van X: 5.000 km waarvan 3.000 km regelmatig woon-werkverkeer over een afstand van 12 km gedurende 3 dagen per week;


Uitwerking:
Ten laste van de winst/resultaat komt:

a.   voor de 3000 km regelmatig woon-werkverkeer: een evenredig deel van de bruto bijtelling.

b.   voor de 2.000 zakelijke kilometers: een evenredig deel van de bruto bijtelling.


In totaal kan dus een evenredig deel van de bijtelling ten laste van de winst worden gebracht van:

 

5.000

 

--------

x € 4.538 = € 1.513

15.000.

 

 

2.   Reizen in verband met een dienstbetrekking bij werkgever B: 5.000 km waarvan 3.000 km woon-werkverkeer over een afstand van 17 km gedurende 2 dagen per week;


Uitwerking:
De bijtelling wordt hierdoor niet verlaagd ten opzichte van de bijtelling van € 3.993 in situatie 1, maar werkgever B kan belastingvrij vergoeden:

a.   voor het woon-werkverkeer: 12 maanden ˝ x € 91 = € 546; zie artikel 16b Wet LB 1964.

b.   voor de zakelijke kilometers: 2.000 x € 0,28 = € 560; zie artikel 15b, eerste lid, onderdeel b Wet LB 1964.

 

3.   Reizen in verband met bezoek arts: 1.000 km;


Uitwerking:
Voor de bezoeken aan de arts is als buitengewone uitgave aan te merken: een evenredig deel van de bijtelling, zijnde:

 

1.000

 

--------

x € 4.538 = € 303

15.000.

 

 

4.   Reizen in verband met het regelmatig bezoeken van een langdurig verpleegd gezinslid: 1.500 km;


Uitwerking:
De bezoeken aan het gezinslid volgen de regeling van artikel 6.17, aanhef en onderdeel e Wet IB 2001. Als buitengewone uitgave is aan te merken:


1500 x € 0,18 = € 270.

 

5.   Reizen in verband met scholing: 300 km;


Uitwerking:
De reizen i.v.m. scholing leiden niet tot een aftrek, omdat deze zijn uitgesloten in artikel 6.28, eerste lid, onderdeel c Wet IB 2001.

 

6.   Reizen die als giften in aanmerking komen: 500 km:


Uitwerking:
De "giftenkilometers" volgen de regeling van artikel 6.36 Wet IB 2001. Als gift is aan te merken:


500 x € 0,18 = € 90

8.            Toepassing van dit besluit

Dit besluit sluit aan op het besluit van 12 december 2001, nr. CPP2001/2139M, dat uitsluitend gold voor het jaar 2001.

Dit besluit kan op verzoek van de belastingplichtige worden toegepast op alle nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen met ingang van het belastingjaar 2002. Daarnaast kan dit besluit op verzoek van de belastingplichtige ook worden toegepast op onherroepelijk vaststaande aanslagen met ingang van het belastingjaar 2002. Dit laatste met uitzondering van die beleidsregels die gebaseerd zijn op jurisprudentie of wetswijziging uit een later belastingjaar. Voor die beleidsregels geldt als ingangsdatum de datum van publicatie van dit besluit.

 

Met dit besluit is onderdeel B.3.2.m. “in aftrek beperkte kosten” van het besluit van 30 november 2001, nr. BCPP2001/3035M, “Vragen en antwoorden inzake het nieuwe belastingstelsel” achterhaald. Dat onderdeel is daarom komen te vervallen.