Loonbelasting. Pensioengevend loon; demotie en deeltijd

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 27 augustus 2003, nr. CPP2003/233M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van FinanciŽn het volgende besloten.

 

Aan mij zijn vragen gesteld over de hoogte van het pensioengevend loon bij demotie en deeltijd. De vragen en antwoorden zijn hieronder opgenomen.

 

De Voorzitter Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft mij meegedeeld dat de inhoud van dit besluit ook van toepassing is voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

Inleiding

Bij het vaststellen van het pensioengevend loon mag in twee gevallen een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, als deze plaatsvindt in de periode van tien jaren direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum (hierna: de pensioendatum). Deze twee gevallen zijn:

-†††† het aanvaarden van een deeltijdfunctie die tenminste 50% van een voltijdfunctie beloopt;

-†††† het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie (demotie).

 

Dit staat in artikel 10b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB).

Dit betekent dat het pensioengevend loon voor toepassing van de Wet op de loonbelasting 1964 niet verlaagd wordt, hoewel het feitelijk ontvangen salaris wel lager wordt. Het pensioengevend loon is zowel van belang voor de opbouw van de pensioenaanspraken als voor de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken op de pensioendatum.

Vraag 1

Mag het pensioengevend loon bij demotie binnen de periode van tien jaren direct voorafgaande aan de pensioendatum worden verhoogd met de loonindex in de bedrijfstak?

Antwoord

Ja, het pensioengevend loon bij demotie binnen de periode van tien jaren direct voorafgaande aan de pensioendatum mag verhoogd worden met de loonindex in de bedrijfstak.

 

Uit de tekst van artikel 10b, derde lid, van het UBLB blijkt niet dat de wetgever het salaris dat de werknemer genoot voor aanvang van de demotieperiode en dat als pensioengevend salaris gehandhaafd blijft, heeft willen bevriezen. Het is dan ook redelijk om dit te indexeren met de loonindex in de bedrijfstak tijdens de demotieperiode. Hierdoor ondervindt de werknemer geen nadeel voor wat betreft zijn pensioen als gevolg van de demotie. Dit is in overeenstemming met doel en strekking van artikel 10b, derde lid, van het UBLB, om oudere werknemers zo lang mogelijk aan het arbeidsproces deel te laten nemen.

Vraag 2

Als men binnen de periode van tien jaren direct voorafgaande aan de pensioendatum in deeltijd gaat werken voor tenminste 50% van een voltijdfunctie, mag men pensioen blijven opbouwen uitgaande van het pensioengevend loon behorend bij een voltijdsalaris.

 

Als het deeltijdsalaris gedurende deze periode wordt verhoogd en aangepast aan de loonindex in de bedrijfstak en de loopbaanontwikkeling, mag dan het pensioengevend loon evenredig hiermee worden verhoogd?

Antwoord

Ja, als men binnen de periode van tien jaren direct voorafgaande aan de pensioendatum voor tenminste 50% in deeltijd gaat werken, mag men pensioen blijven opbouwen uitgaande van het voltijdsalaris. Als dan het deeltijdsalaris gedurende deze periode wordt verhoogd en aangepast aan de loonindex in de bedrijfstak en de loopbaanontwikkeling, mag het pensioengevend loon evenredig hiermee worden verhoogd.

 

Voorbeeld (bedragen in Ä)
De werknemer gaat 3 jaar voor de pensioendatum voor 70% werken en 1 jaar voor de pensioendatum voor 50%.

Het pensioengevend loon bedroeg voordat de werknemer in deeltijd ging werken 50.000.

Het salaris stijgt jaarlijks met 4%.

 

Het pensioengevend loon in de drie jaren bedraagt:

 

 

70%-salaris

50%-salaris

pensioengevend loon

.........................

............

............

...........................

Eerste jaar na aanvang deeltijd:

36.400

 

100/70 x 36.400 =†††††††† 52.000

 

 

 

 

Tweede jaar na aanvang deeltijd:

37.856

 

100/70 x 37.856 =†††††††† 54.080

 

 

 

 

Laatste jaar voor pensioendatum:

 

28.122

100/50 x 28.122 =†††††††† 56.244

Vraag 3

Als men in deeltijd gaat werken op een tijdstip gelegen voor aanvang van de periode van 10 jaren direct voorafgaand aan de pensioendatum is artikel 10b, derde lid, van het UBLB niet van toepassing.

 

Wat is in dit geval het pensioengevend loon voor de toetsing van de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken op de pensioendatum?

Antwoord

Bij het in deeltijd gaan werken voor aanvang van de tienjaarsperiode is het pensioengevend salaris het feitelijk genoten deeltijdsalaris. Het pensioengevend salaris op het tijdstip van ingang van het pensioen bepaalt de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken. Het totaal van de opgebouwde pensioenaanspraken zal dan in veel gevallen hoger zijn dan de fiscaal maximale pensioenaanspraak. Omdat dit alleen het gevolg is van het werken in deeltijd en gedurende de loopbaan de pensioenopbouw steeds fiscaal aanvaardbaar is geweest, is deze uitkomst niet gewenst en onredelijk.

Goedkeuring

Ik keur goed dat in deze situatie uitsluitend voor de toetsing van de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken het feitelijk pensioengevend loon op de pensioendatum door middel van een gewogen deeltijdfactor wordt herrekend naar een hoger aanvaardbaar pensioengevend loon. Het product van de gewogen deeltijdfactor en het naar een voltijdsalaris herrekende pensioengevend loon op de pensioendatum is dan het pensioengevend loon voor de toetsing van de hoogte van de fiscaal maximaal aanvaardbare pensioenaanspraken.

 

Voorbeeld
Een werknemer werkt eerst 20 jaar voor 100%, vervolgens 5 jaar voor 70% en de laatste 15 jaar voor 50%. Het feitelijk pensioengevend loon op basis van 50% bedraagt op de pensioendatum 25.000.

 

De gewogen deeltijdfactor bedraagt:

 

(20/40 x 100%)

 

+

(5/40 x 70%)

+

(15/40 x 50%)

=

 

50%

+

8,75%

+

18,75%

= 77,50%

 

Het voltijd pensioengevend loon op de pensioendatum zou 100%/50% x 25.000 = 50.000 bedragen.

Het pensioengevend loon voor de 100%-toets van art. 18a, zevende lid van de Wet LB bedraagt dan:

77,50% x 50.000 = 38.750.