Heffing van belasting/premie volksverzekeringen ter zake van bijstandsuitkeringen

Dienstonderdeel Belastingdienst/Centrum voor proces en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 3 maart 2003, nr. CPP2002/3721M

 

De staatssecretaris van Financiën heeft in overeenstemming met de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het volgende besloten.

1.    Inleiding

Het ministerie geeft in circulaires aan de burgemeesters en wethouders der gemeenten uiteenzettingen inzake de heffing van loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet. De laatste circulaire is die van 20 december 2000, nr. CPP2000/3098M (zie de bijlage bij het besluit van gelijke datum en nummer). Aanleiding voor die circulaire was de invoering van het nieuwe belastingstelsel op 1 januari 2001 waarbij de heffing van belasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen aanzienlijk gewijzigd is. Op diverse onderdelen is de nieuwe regelgeving inmiddels aangevuld en aangepast. Dit heeft mij aanleiding gegeven de hiervoor genoemde circulaire te vervangen door een nieuwe circulaire.

2.    Nieuwe circulaire

In een nieuwe circulaire aan de burgemeesters en wethouders der gemeenten is nader uiteengezet hoe de heffing van belasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen moet plaatsvinden. De tekst ervan is als bijlage bij dit besluit gevoegd.

Deze circulaire vervangt de hiervoorgenoemde circulaire van 20 december 2000.

 


Aan burgemeester en wethouders der gemeenten

 

Kenmerk: BCPP2002/3721M

 

Heffing van belasting/premie volksverzekeringen ter zake van bijstandsuitkeringen

1.    Inleiding

In de tot u gerichte circulaire van het ministerie van Financiën van 20 december 2000, nr. CPP2000/3098M, heb ik een uiteenzetting gegeven inzake de heffing van loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet. Aanleiding voor die circulaire was de invoering van het nieuwe belastingstelsel op 1 januari 2001. Inmiddels is de regelgeving op diverse onderdelen aangevuld en aangepast. Dit heeft mij aanleiding gegeven de hiervoor bedoelde circulaire te vervangen door deze nieuwe circulaire.

 

Voor de fiscale behandeling van uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet zijn algemeen geldende voorschriften en specifieke richtlijnen van belang. De "Handleiding voor loonbelasting, premie volksverzekeringen en premie werknemersverzekeringen" geeft jaarlijks voorlichting over de algemeen geldende voorschriften. Deze circulaire voorziet in een aantal specifieke richtlijnen voor zover deze afwijken van de algemene voorschriften. Daarnaast stelt de Belastingdienst jaarlijks de tabel en het rekenvoorschrift voor de berekening van loonbelasting/premie volksverzekeringen over uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet ter beschikking.

2.    Wettelijke voorschriften

De uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet zijn aan de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen onderworpen ingevolge het bepaalde bij artikel 34, aanhef en letter a, van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 3a en 11, lid 1 aanhef, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

 

De specifieke regeling inzake de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen is neergelegd in de artikelen 7, lid 1 aanhef, onderdeel b, en 12 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, de artikelen 1, 2 en 5 van de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990 en artikel 77 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

3.    Belaste en onbelaste uitkeringen

Belaste uitkeringen

Aan de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) zijn onderworpen de periodieke uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet, welke op grond van de artikelen 3.100 t/m 3.109 van de Wet inkomstenbelasting 2001 behoren tot het verzamelinkomen in de zin van die wet.

In verband hiermee dienen voor de loonheffing als belaste uitkeringen te worden aangemerkt periodieke bijstandsuitkeringen welke voorzien in de algemene kosten van het bestaan.

 

Tot de belaste uitkeringen behoren, naast de landelijke normbijstand en de gemeentelijke toeslag voor algemeen noodzakelijke kosten, in ieder geval een tegemoetkoming in de door de bijstandsgerechtigde verschuldigde premie ziekenfondsverzekering/ziektekostenverzekering en een aanspraak op uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Ziekenfondswet.

Onbelaste uitkeringen en verstrekkingen

In mijn besluit van 27 februari 1998, nr. DB98/733M, herdrukt bij besluit van 25 januari 2001, nr. CPP2000/3236M heb ik onder meer uitgebreid uiteengezet welke (categoriale) bijzondere bijstand onbelast is. Ik geef hier de hoofdlijnen van dit besluit weer.

 

Bijzondere bijstand is onbelast als de uitkering of verstrekking eenmalig is. Een uitkering (of verstrekking) is eenmalig als de uitkering geen deel uitmaakt en ook geen deel kan uitmaken van een reeks. Hierbij is bepalend wat de ontstaansgrond is van de uitkering en of op grond van die ontstaansgrond al eerdere uitkeringen zijn gedaan of nog kunnen worden gedaan.

 

Als bijzondere bijstand niet eenmalig is, kan deze toch onbelast zijn als de uitkering (of verstrekking) bedoeld is ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten. Het gaat dan om uitkeringen die niet draagkrachtverhogend - niet inkomensvervangend of inkomensaanvullend - zijn omdat zij bestedingsgebonden zijn.

 

Van categoriale bijzondere bijstand kan worden aangenomen dat die op de bovengenoemde manier gekoppeld is aan bepaalde noodzakelijke kosten als de categorie is gedefinieerd naar kostensoort – met andere woorden er is sprake van een groep personen die dezelfde soort noodzakelijke kosten maken - en de hoogte van de uitkeringen is gerelateerd aan de te bestrijden kosten.

Ik wijs er op dat het fiscale begrip "bepaalde noodzakelijke kosten" niet parallel loopt met het in de bijstandswetgeving gehanteerde begrip "bijzondere bijstand". Zo voorziet bijvoorbeeld de bijzondere bijstand van artikel 10 Abw (voor personen van 18, 19 en 20 jaar) doorgaans in de algemene kosten van het bestaan; die bijstand is belast.

 

Bijstandsuitkeringen die in de vorm van een geldlening worden verstrekt, zijn onbelast. Uit administratieve bescheiden moet blijken dat het om een lening gaat.

Gemeenten die het betaalmoment van de bijstand (naar achteren) verschuiven, kunnen aan de desbetreffende bijstandsgerechtigden een overbruggingsuitkering verstrekken. Als dat in de vorm van een geldlening gebeurt, is de overbruggingsuitkering onbelast.

Overzichttabellen

In de navolgende tabellen is aan de hand van de artikelen uit de Algemene bijstandswet (in de tabel: Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (in de tabel: Bbz) aangegeven welke uitkeringen belast dan wel onbelast zijn. Tabel 1 ziet op de uitkeringen en verstrekkingen aan niet-zelfstandigen en tabel 2 op die aan zelfstandigen.

 

Tabel 1. Abw-uitkeringen en verstrekkingen aan niet-zelfstandigen:

 

uitk./verstr. Abw

op grond van:

Toelichting:

Belast

onbelast

..................

...........................................

.......

.........

art. 8.6 en 23a

Startersbijstand

 

       x

art. 10

 

 

 

 

 

art. 11 en 17.3

 

Voorzover de uitkering niet uitgaat boven de normbijstand voor personen van 21 jaar en ouder als bedoeld in hfdst. IV, afdeling 1 Abw

 

het meerdere

 

voorzover de uitkering niet uitgaat boven de normbijstand als bedoeld in hfdst. IV, afdeling 1 Abw

 

het meerdere

x

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

x

art. 15.2. a, b en c

Bijstand ter aflossing van een schuldenlast

 

x

art. 20.2

alg.bijstand; krediethypotheek

 

x

art. 20.4

Bijz.bijstand; krediethypotheek

 

x

art. 20.5

Geldlening of borgtocht

 

X

art. 20.5

Bijstand om niet

x

 

art. 21.1

Bijz.bijstand voor kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen

 

x

art. 24

Geldlening of borgtocht

 

x

art. 25 en 25a

Voorschot in de vorm van een renteloze lening

 

x

art. 26 j° 43 m en n 1), 29, 30 en 32

Algemene bijstand

x

 

Art. 31

Norm bij verblijf in een inrichting

 

X

Art. 33

Gemeentelijke toeslag voor algemene kosten van bestaan

x

 

art. 39

Bijzondere bijstand v.z.v. eenmalig en/of gekoppeld aan bepaalde noodzakelijke kosten

 

Overige bijzondere bijstand

 

 

 

x

x

art. 74

Voorschot in de vorm van een renteloze lening

 

x

art. 75.3

Verrekening met voorschot v. art. 74

x

 

art. 76

de normbijstand en evt. toeslag, waar de nabestaande zelf recht op heeft

 

het meerdere bij toepassing van art. 76 Abw (de overlijdensuitkering)

x

 

 

 

 

x

.....

1)   Hiermee wordt bedoeld aan te geven dat ook de in de algemene bijstandsuitkering begrepen inkomensvrijlating van artikel 43 letter l en m belast is.

 

Tabel 2. Abw/Bbz-uitkeringen en verstrekkingen aan zelfstandigen:

 

uitk./verstr. Abw/Bbz op grond van:

Toelichting:

belast voor de loonbe-lasting

belast voor de inkom-stenbe-lasting

..................

...........................................

.......

.........

Art. 8.1, 8.2, en 8.3 Abw

alg. bijstand in de vorm van renteloze lening

neen

neen

Art. 22.1 Abw/5 en 6 Bbz

Geldlening of borgtocht i.v.m. bedrijfskapitaal

neen

neen

Art. 23.1 Abw

Zie art. 8.1, 8.2 en 8.3 Abw

neen

neen

Art. 23.2 Abw

Omzetting lening in bedrag om niet

ja

ja

Art. 23.3 Abw

Alg. bijstand om niet

ja

ja

Art. 23a.1 (art. 8.6) Abw (art. 11a Bbz)

Renteloze lening voor de voorbereidings-kosten van een op te starten bedrijf

neen

neen

Art. 23a.2 (art. 8.6) Abw (art. 11a Bbz)

Omzetting renteloze lening in een bedrag om niet voor de voorbereidingskosten van een niet opgestart bedrijf

neen

neen

art. 39 Abw

Premie arbeidsongeschiktheids- en/of ziektekostenverzekering

 

Overige: zie tabel 1 hiervoor

ja

ja

art. 5 en 6 Bbz

(art. 8.5 en 22.1 Abw)

Bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht voor bedrijfskapitaal

neen

neen

art. 7 Bbz

(art. 22.2.a Abw)

Bijstand om niet voor bedrijfskapitaal

neen

ja

art. 8.1 Bbz

(art. 22.2.b Abw)

Omzetting leenbijstand in een bedrag om niet

ja

ja

art. 8.2 Bbz

Kwijtschelding rente

neen

neen 1)

art. 8.2 Bbz

Terugbetaling rente

neen

neen 1)

art. 8.3 Bbz

Rentevergoeding als gevolg van borgstelling

neen

neen 1)

art. 10.2 Bbz

(art. 23.2 Abw)

Leenbijstand indien en voorzover omgezet in of aangevuld met een bedrag om niet

ja

ja

art. 11 Bbz

Handhaving geldlening

neen

neen

art. 12.1 Bbz

Geldlening of borgtocht aan beginnende zelfstandige

neen

neen

art. 12.2 Bbz

Verlenging

neen

neen

art. 13.1 Bbz

Bijstand oudere zelfstandige

neen

neen

art. 13.3 Bbz

Bijstand voor bedrijfskapitaal aan oudere zelfstandige

 

Om niet

 

In de vorm van renteloze lening

 

 

 

neen

 

neen

 

 

 

ja

 

neen

.....

1)   De uitkering of verstrekking op grond van de artikelen 8.2 en 8.3 Bbz is volgens de tabel niet aan loonbelasting of inkomstenbelasting onderworpen. Voor wat betreft de heffing van de inkomstenbelasting dient vermeld te worden dat in bepaalde gevallen wel heffing van inkomstenbelasting kan plaatsvinden, en wel binnen de categorie “winst uit een onderneming”. Dit is het geval indien de kwijtgescholden rente, de terugbetaalde rente of de rentevergoeding als gevolg van borgstelling al ten laste van de winst is gebracht. Aangezien deze rente (achteraf) niet verschuldigd is dient een winstcorrectie voor het in aftrek gebrachte rentebedrag plaats te vinden.

 

De verstrekking van bedrijfskapitaal om niet op grond van de artikelen 7 en 13.3 Bbz is niet aan loonheffing onderworpen. Omdat over een dergelijke verstrekking wel inkomstenbelasting is verschuldigd, mag ter zake van deze verstrekkingen loonheffing worden ingehouden.

 

De bijstand op grond van de artikelen 8.1, 8.2, 8.3 Abw en 12.2, 13.1 Bbz (bijstand aan zelfstandigen anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal) wordt ingevolge het bepaalde in artikel 23.1 Abw verstrekt in de vorm van een renteloze lening. Op het moment dat die lening op grond van artikel 10.2 Bbz wordt omgezet in een bedrag om niet is de uitkering belast en dient loonheffing te worden berekend. Bij de berekening van het bedrag dat om niet kan worden verstrekt wordt uitgegaan van de zgn. “jaarnorm”. Deze jaarnorm bestaat uit de bijstandsnorm (incl. vakantiegeld) verhoogd met de premies particuliere ziektekosten- en arbeidsongeschiktheidsverzekering en de woonkostentoeslag. Voor zover de jaarnorm wordt omgezet in een bedrag om niet, is deze volledig belast.

4.     Vaststelling verschuldigde loonheffing

Voor het berekenen van de verschuldigde loonheffing ter zake van belaste bijstandsuitkeringen zijn twee fasen te onderscheiden.

 

De eerste fase wordt bepaald door het tijdstip waarop de uitkering wordt uitbetaald of verrekend. De verschuldigde loonheffing wordt vastgesteld met toepassing van de loonbelastingtabel voor uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet, ook wel bijstandspercentagetarief genoemd. De uitkomst van deze berekening draagt een voorlopig karakter. Op basis van deze berekeningen worden de periodieke afdrachten bepaald.

 

De tweede fase wordt bepaald door het einde van het kalenderjaar. Aan de hand van het rekenvoorschrift voor de berekening van loonheffing ter zake van uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet wordt vastgesteld welk bedrag definitief over het kalenderjaar dient te worden afgedragen.

 

De Belastingdienst stelt jaarlijks de tabel met het bijstandspercentagetarief en het hiervoor genoemde rekenvoorschrift ter beschikking.

4.1.  Berekening van de loonheffing over de netto bijstand in de loop van het kalenderjaar

Algemeen

De percentages van het bijstandspercentagetarief worden toegepast op de zogenoemde belastbare netto bijstand. Deze netto bijstand bestaat over het algemeen uit het uitbetaalde of verrekende bedrag van de uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet, exclusief de loonheffing die over de uitkeringen verschuldigd is.

Aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Ziekenfondswet

Het bijstandspercentagetarief wordt toegepast op het loon in geld. Tot het loon in geld behoort een voor rekening van de gemeente komend werknemersaandeel in de ziekenfondspremie. Het werkgeversaandeel in de premie Ziekenfondswet maakt geen deel uit van het loon in geld. Voor toepassing van het bijstandspercentagetarief blijft bijtelling van het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie daarom achterwege.

Periodieke uitkeringen

Voor de gevallen waarin de bijstandsgerechtigde aanvullende bijstand ontvangt naast belaste inkomsten geldt het volgende. Als die belaste inkomsten bestaan uit periodieke uitkeringen (bijvoorbeeld een AOW-uitkering), is het mogelijk dat de gemeente aan de bijstandsgerechtigde de volledige bijstandsuitkering uitbetaalt en de gemeente namens de bijstandsgerechtigde de netto periodieke uitkering in ontvangst neemt. Dan bestaat de netto bijstand van die bijstandsgerechtigde uit het totaalbedrag van de in het kalenderjaar uitbetaalde bijstandsuitkeringen verminderd met de in dat jaar in ontvangst genomen periodieke uitkeringen (de zogenoemde fiscale ontvangsten). Het resultaat mag niet negatief zijn.

Alimentatie

Indien een uitkeringsgerechtigde naast alimentatie van de (gewezen) echtgenoot aanvullende bijstand geniet, wordt het bijstandspercentagetarief toegepast op het gezamenlijke bedrag van alimentatie (exclusief de eventuele alimentatie ten behoeve van de kinderen) en aanvullende bijstand. Dit gebeurt zowel in het geval dat de gemeente de alimentatie namens de bijstandsgerechtigde int en doorbetaalt, als in het geval dat de alimentatie rechtstreeks door de (gewezen) echtgenoot aan de bijstandsgerechtigde wordt voldaan. In beide gevallen wordt namelijk bij het vaststellen van de aanvullende bijstand rekening gehouden met de alimentatie.

Indien de gemeente, uitsluitend op grond van de in de Algemene bijstandswet neergelegde bevoegdheid, de verstrekte bijstand op de onderhoudsplichtige verhaalt, is er geen sprake van doorbetaalde alimentatie. In dat geval verstrekt de gemeente (bij het ontbreken van overig inkomen) de bijstand, waarop het bijstandspercentagetarief wordt toegepast.

Voorlopige teruggaaf

Vanaf 1 januari 2001 zijn de tariefgroepen en daarbij behorende belastingvrije sommen vervangen door een systeem van heffingskortingen. Een deel van die heffingskortingen kan al in het betreffende kalenderjaar rechtstreeks door de Belastingdienst worden uitbetaald via een Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De meeste heffingskortingen die via een voorlopige teruggaaf worden uitbetaald, moeten op grond van artikel 42 van de Algemene bijstandswet als middel in aanmerking worden genomen. Ook als dat het geval is bestaat de netto bijstand uit het uitbetaalde of verrekende bedrag van de uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet, dus na aftrek van de als inkomen verrekende heffingskortingen.

 

Zie voor heffingskortingen en voorlopige teruggaven ook onderdeel 9, waar verder wordt ingegaan op de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

4.2.  Berekening van de loonheffing over de netto bijstand na afloop van het kalenderjaar

Algemeen

Na afloop van het kalenderjaar dient aan de hand van het in onderdeel 4 bedoelde rekenvoorschrift de loonheffing over de in het kalenderjaar uitgekeerde netto bijstand definitief te worden vastgesteld. Vanaf 1 januari 2001 bevat dit rekenvoorschrift onderdelen waarmee wordt berekend met welk bedrag aan loonheffingskorting rekening moet worden gehouden bij de berekening van de loonheffing over de netto bijstand. Daarnaast bevat het rekenvoorschrift onderdelen aan de hand waarvan de verschuldigde loonheffing, de verschuldigde ziekenfondspremie en het loon voor de loonbelastingkaart worden berekend.

Loonheffingskorting algemeen

Een heffingskorting is een korting op de verschuldigde belasting en premies volksverzekeringen. Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bestaan er dertien heffingskortingen. Daarvan komen er vijf voor bij de loonheffing:

-     de algemene heffingskorting, voor iedere werknemer of uitkeringsgerechtigde;

-     de arbeidskorting, voor degenen met loon uit tegenwoordige arbeid;

-     de ouderenkorting, voor 65-plussers met een jaarloon van niet meer dan € 29.592 (bedrag 2003);

-     de aanvullende ouderenkorting, voor degenen die recht hebben op de ouderenkorting en een AOW-uitkering ontvangen voor alleenstaanden of alleenstaande ouders;

-     de jonggehandicaptenkorting, voor degenen die een WAJONG-uitkering ontvangen.

 

Samen worden deze vijf heffingskortingen de loonheffingskorting genoemd.

 

De loonheffingskorting mag maar door één werkgever of uitkeringsinstantie tegelijk worden toegepast. In beginsel geldt dit ook in de situatie waarin een bijstandsgerechtigde gelijktijdig bijstand en andere looninkomsten ontvangt. Als de loonheffingskorting echter nog niet volledig bij de andere looninkomsten is benut, moet bij de berekening van de loonheffing over bijstand rekening worden gehouden met het restant van de loonheffingskorting.

Loonheffingskorting voor de loonheffing over de bijstand

In het rekenvoorschrift wordt naar rato van de periode in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend, rekening gehouden met de loonheffingskorting van de bijstandsontvanger. In de gevallen dat de bijstand wordt verleend als aanvulling op eigen looninkomsten, wordt dit bedrag verminderd met het bedrag aan loonheffingskorting waarmee al rekening is gehouden bij de inhouding van loonheffing over die inkomsten.

 

De loonheffingskorting voor een bijstandsgerechtigde bestaat meestal alleen uit de algemene heffingskorting. Voor personen van 65 jaar en ouder maken ook de ouderenkorting en eventueel (voor alleenstaanden) de aanvullende ouderenkorting deel uit van deze loonheffingskorting. Omdat de arbeidskorting alleen van toepassing kan zijn bij loon uit tegenwoordige arbeid, behoort de arbeidskorting nooit tot de loonheffingskorting voor de bijstandsgerechtigde. Ook de jonggehandicaptenkorting komt hierin niet voor. Deze wordt namelijk toegepast door de inhoudingsplichtige die de WAJONG-uitkering betaalt.

 

In verband met de verschillen in loonheffingskorting en tarief worden de bijstandsontvangers onderscheiden in twee groepen, te weten de personen van jonger dan 65 jaar en degenen die 65 jaar en ouder zijn. Die laatste groep wordt nader onderscheiden in gehuwden en alleenstaanden.

 

Als de bijstandsgerechtigde in het kalenderjaar 65 jaar wordt, dient het rekenvoorschrift afzonderlijk te worden toegepast voor de periode vóór de maand waarin de 65-jarige leeftijd bereikt wordt en de periode vanaf deze maand. Dit houdt verband met het afwijkende percentage van de loonheffing, een ander bedrag aan loonheffingskorting en een ander regime met betrekking tot de ziekenfondspremie.

Tijdsevenredige berekening van de loonheffingskorting

De loonheffingskorting van de bijstandsgerechtigde moet tijdsevenredig worden verlaagd als slechts over een deel van het jaar bijstand is verleend. Bij een gebroken maand moet een herleiding op dagbasis plaatsvinden. Daarbij wordt het aantal dagen waarover bijstand is verleend gedeeld door het werkelijk aantal dagen van die maand.

Toepassing loonheffingskorting als over een tijdvak geen bijstand is uitbetaald

De loonheffingskorting wordt toegepast naar rato van de periode in het kalenderjaar waarover belastbare bijstand werd uitbetaald of verrekend. Ingeval over een tijdvak geen (aanvullende) bijstand werd betaald als gevolg van verrekening van inkomen (waaronder ook heffingskortingen worden begrepen), wordt over dat tijdvak geen rekening gehouden met een bedrag aan loonheffingskorting. Ook als over een tijdvak bijstand werd uitbetaald die in hetzelfde kalenderjaar geheel werd terugbetaald, telt dat tijdvak niet mee voor het vaststellen van de hoogte van de loonheffingskorting.

Alleen ingeval over een tijdvak geen bijstand werd uitbetaald als gevolg van verrekening van zaken die de hoogte van de bijstand als bedoeld in hoofdstuk IV van de Algemene bijstandswet niet beïnvloeden, wordt over dat tijdvak toch de loonheffingskorting in aanmerking genomen. Een voorbeeld hiervan is de verrekening van een verleend voorschot.

Geen loonheffingskorting als bijstand betrekking heeft op een vroeger kalenderjaar

De belastbare bijstand kan geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op tijdvakken uit een vroeger kalenderjaar. De loonheffingskorting mag echter alleen worden toegepast over perioden in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend. Over perioden uit een vroeger kalenderjaar mag dus geen loonheffingskorting worden berekend. Dit betekent dat in een jaar over niet meer dan 12 maanden rekening kan worden gehouden met de loonheffingskorting.

Verschil in berekening loonheffingskorting en berekening belaste bijstand

Bepalend voor de vaststelling van de in het kalenderjaar belastbare bijstand is het jaar waarin de bijstand wordt verleend. Voor de vaststelling van de loonheffingskorting geldt echter dat die in aanmerking mag worden genomen voorzover die ziet op de perioden in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend. De loonheffingskorting wordt derhalve berekend over de perioden in het kalenderjaar waarover bijstand is verleend. Daarbij is het niet van belang of de bijstand over dat jaar ook in dat jaar is uitbetaald, zoals bijvoorbeeld de uitkering over december die wordt uitbetaald in januari. De vaststelling van de loonheffingskorting over het kalenderjaar wijkt dus af van de vaststelling van de belaste bijstand in het kalenderjaar. (Voor het tijdstip van belasten van de bijstand is het moment van uitbetalen beslissend.)

Uit het voorgaande volgt dat correcties van uitkeringen na afloop van het jaar geen gevolgen hebben voor de hoogte van de belastbare bijstand; wat in het voorafgaande kalenderjaar is uitbetaald staat immers na afloop van het jaar vast. Dat ligt anders bij het vaststellen van de loonheffingskorting van de bijstandsgerechtigde. Het definitief vaststellen van die loonheffingskorting moet gebeuren na afloop van het jaar (vóór februari van het jaar daarop). Daarbij moeten alle gegevens worden meegenomen die op dat moment bekend zijn (bijvoorbeeld de gegevens over de elders benutte loonheffingskorting).

Terugvordering die niet geheel in kalenderjaar wordt terugbetaald

Als niet over een heel jaar bijstand is verleend, moet de loonheffingskorting in beginsel tijdsevenredig worden verminderd. Dit geldt ook als over een periode bijstand is verleend, die in hetzelfde kalenderjaar is terugbetaald. Voor de gevallen waarin bijstand over een periode (bijvoorbeeld een maand) geheel is teruggevorderd, maar in hetzelfde kalenderjaar pas voor een deel is terugbetaald, hoeft de loonheffingskorting (en in voorkomende gevallen de elders benutte loonheffingskorting) niet tijdsevenredig te worden verminderd, maar kan die verminderd worden evenredig aan het terugbetaalde deel van de teruggevorderde bijstand.

Geen loonheffingskorting bij Bbz-uitkeringen

Voor bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen aanvankelijk wordt verleend in de vorm van een renteloze lening en later wordt omgezet in een bedrag om niet, wordt geen rekening gehouden met een bedrag aan loonheffingskorting. Dit geldt niet alleen voor de omzetting in een bedrag om niet zoals bedoeld in artikel 10 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen, maar ook voor de omzetting in een bedrag om niet van (een deel van) een lening in verband met bedrijfskapitaal zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van dat besluit.

Gevolgen voor de premie Ziekenfondswet

De over de bijstandsuitkering te berekenen loonheffing behoort tot de grondslag voor de berekening van de ziekenfondspremie. Als gevolg daarvan heeft ook de afdracht van ziekenfondspremie in de loop van het jaar een voorlopig karakter. Wanneer na afloop van het kalenderjaar het bedrag van de loonheffing definitief wordt vastgesteld dient daarom ook de verschuldigde ziekenfondspremie definitief te worden vastgesteld.

Benodigde gegevens voor het toepassen van het rekenvoorschrift

Voor het toepassen van het rekenvoorschrift na afloop van het jaar dienen de volgende gegevens beschikbaar te zijn:

 

a.   Het bedrag aan belaste netto bijstand, op dezelfde wijze vast te stellen als bij de toepassing van het bijstandspercentagetarief (alleen uitgezonderd het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie), dus met saldering van fiscale ontvangsten, netto terugvordering binnen het kalenderjaar, enz. De fiscale ontvangsten worden daarbij in aanmerking genomen op het tijdstip van ontvangst door de gemeente.

 

b.   De categorie waartoe de bijstandsontvanger behoort:

-     jonger dan 65 jaar;

-     65 jaar en ouder:            - gehuwden;

                  - alleenstaanden.

Dit gegeven is benodigd voor de bepaling van de loonheffingskorting en de toe te passen percentages.

 

c.   De tijdvakken in het kalenderjaar waarover bijstand werd uitbetaald of verrekend.

 

d.   Het bedrag van de belaste alimentatie.

 

e.   Bij bijstand in aanvulling op eigen looninkomsten, per loontijdvak:

-     is al dan niet loonheffingskorting toegepast op dat loon of die uitkering;

-     het belastbaar loon;

-     het loontijdvak;

-     de toegepaste loonbelastingtabel (bijvoorbeeld witte of groene tabel).

 

De bedragen bedoeld onder a (en in voorkomende gevallen ook die onder d) dienen te worden gesplitst over de perioden vóór de maand waarin de 65-jarige leeftijd bereikt wordt en de perioden vanaf die maand.

 

Voor wat betreft de gegevens onder b moeten tevens de wijzigingen in de loop van het kalenderjaar worden vastgelegd. Het tarief voor personen van 65 jaar en ouder en de ouderenkortingen gelden met ingang van de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.

 

De gegevens bedoeld onder e zijn over het algemeen af te leiden uit de loonstrook of uitkeringsspecificatie. Of de loonheffingskorting is toegepast, kan door de werkgever of uitkeringsinstantie worden aangegeven met een code: code 0 als de loonheffingskorting niet is toegepast en code 1 als dat wel het geval is. Voor de situatie waarin op de loonstrook of uitkeringsspecificatie geen bedrag aan belastbaar loon is vermeld, is voorzien in een aanvullende rekenregel die in het rekenvoorschrift is opgenomen. Dit geldt ook voor het geval dat er aan het eind van het kalenderjaar geen loonstrook of uitkeringsspecificatie is.

5.     Verrekening of terugvordering van verstrekte bijstand

Elke bijstandsuitkering die voor de loonheffing als een belaste uitkering moet worden aangemerkt, moet op het tijdstip van uitbetaling of verrekening in de loonheffing worden betrokken. Dit geldt ook indien al meteen vaststaat dat de bijstandsuitkering te zijner tijd zal worden verrekend met een aan de bijstandsgerechtigde met terugwerkende kracht toe te kennen sociale verzekeringsuitkering.

 

De over de bijstandsuitkering definitief vastgestelde loonheffing is als voorheffing verrekenbaar met de eventueel aan de bijstandsgerechtigde op te leggen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Bij terugvordering of verrekening van de bijstandsuitkering na afloop van het kalenderjaar kan de geheven loonheffing daarom niet door de gemeente worden gecompenseerd met latere betalingen van loonheffing, noch door de Belastingdienst aan de gemeenten worden teruggegeven.

Vereenvoudigde regeling inzake bepaalde verrekeningen

Voor de verrekening van bepaalde uitkeringen tussen bepaalde instanties is een vereenvoudigde regeling in het leven geroepen. Deze regeling geldt voor verrekening van sociale uitkeringen tussen UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen), gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank. In mijn besluit van 11 december 2000, nr. CPP2000/2234M, heb ik laatstelijk goedkeuring verleend voor de toepassing van deze vereenvoudigde regeling. Bij brief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met het kenmerk BZ/IW/00/83403 bent u nader over dit besluit geïnformeerd.

 

Voor wat betreft de bijstandsuitkeringen ziet de regeling op de volgende verrekeningen:

-     verrekening van belaste bijstand met een door een uitvoeringsinstelling toegekende sociale-verzekeringsuitkering;

-     verrekening van belaste bijstand met een door een andere gemeente toegekende belaste bijstandsuitkering;

-     verrekening van belaste bijstand met een andere door de gemeente toegekende belaste uitkering;

-     verrekening van door een uitvoeringsinstelling verstrekte (voorschotten op een) sociale-verzekeringsuitkering met een toegekende bijstandsuitkering;

-     verrekening van belaste bijstand met een door de Sociale Verzekeringsbank toegekende AOW- of Anw-uitkering.

 

De betrokken instanties dienen in deze gevallen als volgt te handelen.

 

De vorderende instantie doet aan de andere instantie een schriftelijke opgaaf toekomen met het bruto bedrag van de door haar over de verrekeningsperiode verstrekte uitkering (d.w.z. met inbegrip van de daarover geheven loonheffing). De andere instantie bewaart deze opgaaf bij de loonadministratie.

De andere instantie zondert van de door haar over de verrekeningsperiode toegekende bruto uitkering ter overmaking aan de vorderende instantie af, het bruto gevorderde bedrag (met inbegrip van de daarover geheven loonheffing).

De andere instantie beschouwt dit afgezonderde bruto bedrag niet als loon en berekent de loonheffing over het resterende deel van de door haar toegekende bruto uitkering.

De vorderende instantie vermeldt op de loonbelastingkaarten van de desbetreffende jaren (inclusief die van het lopende kalenderjaar) de door haar verstrekte bruto uitkering, zonder rekening te houden met de hiervoor bedoelde verrekening.

De andere instantie vermeldt met betrekking tot de nabetaling op de loonbelastingkaart van het desbetreffende jaar het gedeelte van de bruto uitkering dat na de hiervoor bedoelde verrekening resteert.

Andere verrekeningssituaties en terugvordering

De hiervoor vermelde vereenvoudigde verrekeningsregeling geldt niet in de volgende situaties:

-     verrekening van bijstand met een andere dan de hiervoor genoemde instanties;

-      terugvordering van verstrekte bijstand;

-     verrekening van onbelast verstrekte bijstand met een door UWV dan wel de Sociale Verzekeringsbank toegekende sociale verzekeringsuitkering of met een door een andere gemeente verstrekte (belaste of onbelaste) bijstandsuitkering.

 

In deze gevallen vordert de gemeente de bruto bijstand (inclusief de definitief vastgestelde loonheffing) dan wel, indien het onbelast verstrekte bijstand betreft, de uitbetaalde bijstandsuitkering.

Bij verrekening beschouwt de andere instantie het volledige bedrag van de door haar toegekende uitkering als loon. Daarbij wordt dus geen rekening gehouden met het door de gemeente gevorderde bedrag.

6.     Verzelfstandiging van uitkeringsrechten

In gevallen waarin gezinsbijstand wordt verstrekt aan gehuwden en daarmee gelijkgestelden bestaat voor beide partners een gelijke aanspraak op de (aanvullende) bijstandsuitkering. Voor beide partners is er sprake van een periodieke uitkering in de zin van artikel 3.101, lid 1 aanhef en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Hierbij is niet van belang aan wie van de partners de bijstand daadwerkelijk wordt uitbetaald.

Dit betekent dat voor het bepalen van de verschuldigde loonheffing, de heffingspercentages van het bijstandspercentagetarief voor elk van de partners afzonderlijk moeten worden toegepast. Deze individuele benadering geldt ook met betrekking tot de definitieve vaststelling van de verschuldigde loonheffing na afloop van het kalenderjaar. Daarbij moet de loonheffingskorting (en het eventueel al gebruikte deel daarvan) per partner berekend worden.

Verder behoort na afloop van het kalenderjaar voor beide partners afzonderlijk een loonbelastingkaart te worden ingezonden en moet aan beide partners een jaaropgave van de verleende bijstand en de daarop ingehouden loonheffing worden verstrekt.

7.     Administratie

De bijstandsgerechtigde die onder het bijstandspercentagetarief valt hoeft voor de bijstand geen loonbelastingverklaring in te leveren. De gemeente is ten aanzien van deze bijstandsgerechtigde vrijgesteld van de verplichting tot het bijhouden van loonstaten.

 

De berekening van de verschuldigde loonheffing geschiedt aan de hand van de bijstandsadministratie. De hiervoor benodigde gegevens zijn genoemd in onderdeel 4.2 van deze circulaire.

 

Voor de berekening van de verschuldigde loonheffing in de loop van het kalenderjaar en de betaling daarvan op aangifte worden de percentages van het bijstandspercentagetarief toegepast op het totale bedrag aan belastbare netto bijstand per categorie bijstandsuitkeringen.

In overleg tussen de gemeente en de bevoegde inspecteur van de Belastingdienst worden voorlopige betalingen gedaan.

8.     Loonbelastingkaarten

Gemeenten moeten de loonbelastingkaarten van bijstandsgerechtigden na afloop van het jaar, doch vóór 1 februari van het daaropvolgende jaar inleveren. De gegevens voor de loonbelastingkaarten worden ontleend aan de loonstaten c.q. de bijstandsadministratie.

Op de loonbelastingkaarten wordt als loon vermeld het totaalbedrag van:

-     de belastbare netto bijstand;

-     de eventuele vergoeding voor het werknemersaandeel in de ziekenfondspremie;

-     het werkgeversaandeel in de ziekenfondspremie;

-     de ter zake geheven loonheffing.

 

Vanaf het jaar 2001 moet op de loonbelastingkaart met een code worden vermeld of de loonheffingskorting is toegepast; code 0 als dat niet het geval is en code 1 als de loonheffingskorting wel is toegepast. Voor bijstandsuitkeringen geldt dat in beginsel altijd de loonheffingskorting wordt toegepast. Alleen als de loonheffingskorting voor alle perioden in het kalenderjaar bij andere looninkomsten is gebruikt, kan deze bij de bijstand niet toegepast worden. Alleen in dat laatste geval wordt op de loonbelastingkaart code 0 ingevuld (geen loonheffingskorting). Voor alle andere gevallen wordt code 1 (wel loonheffingskorting) ingevuld, ook in de gevallen waarin over één of meer tijdvakken de loonheffingskorting niet bij de bijstand in aanmerking mag worden genomen omdat die al bij andere looninkomsten is gebruikt.

 

Als bij het vaststellen van de aanvullende bijstandsuitkering rekening is gehouden met een (belaste) alimentatie-uitkering gelden daarnaast voor de invulling van enkele rubrieken van de loonbelastingkaart afwijkende regels:

 

-     indien in de door de gemeente uitgekeerde bedragen de door haar geïnde alimentatie is begrepen, wordt vermeld in de rubriek:

*     loon: het gezamenlijke bedrag van de aanvullende bijstand en de doorbetaalde alimentatie;

*     speciale aanduidingen: code 25 en het bedrag van de doorbetaalde alimentatie;

 

-     indien de gemeente loonheffing heeft ingehouden over het gezamenlijke bedrag van de door de onderhoudsplichtige rechtstreeks aan de bijstandsgerechtigde betaalde alimentatie en de aanvullende bijstand, wordt vermeld in de rubriek:

*     loon: het gezamenlijke bedrag van de aanvullende bijstand en de rechtstreeks aan de bijstandsgerechtigde betaalde alimentatie waarmee bij het vaststellen van de aanvullende bijstand rekening is gehouden;

*     speciale aanduidingen: code 26 en het bedrag waarmee rekening is gehouden.

9.     Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen

Heffingskortingen

Vanaf 1 januari 2001 zijn de tariefgroepen en de daarbij behorende belastingvrije sommen vervangen door een systeem van heffingskortingen. Een heffingskorting is een korting op de verschuldigde belasting. Er zijn in totaal dertien heffingskortingen (tussen haakjes staat steeds het (maximale) bedrag van de heffingskorting in 2003):

-     de algemene heffingskorting (€ 1.766);

-     de arbeidskorting (max. € 1.104 voor personen tot 57 jaar, daarboven verschillende categorieën);

-     de ouderenkorting (€ 346);

-     de aanvullende ouderenkorting (€ 242);

-     de jonggehandicaptenkorting (€ 518);

-     de alleenstaande-ouderkorting (€ 1.348);

-     de aanvullende alleenstaande-ouderkorting (max. € 1.348);

-     de kinderkorting (€ 41);

-     de aanvullende kinderkorting (max. € 597);

-     de combinatiekorting (max. € 214);

-     de korting voor maatschappelijke beleggingen (1,3% van beleggingen);

-     de korting voor beleggingen in durfkapitaal (1,3% van beleggingen);

-     de toetrederskorting volgens overgangsrecht (max. € 2.269 verdeeld over drie jaartranches).

 

Iedere binnenlands belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Afhankelijk van persoonlijke omstandigheden kan recht bestaan op één of meer van de andere heffingskortingen.

Met de eerste vijf heffingskortingen kan een werkgever of uitkeringsinstantie rekening houden bij de inhouding van loonheffing. De overige heffingskortingen kunnen maandelijks door de Belastingdienst worden uitbetaald door middel van een voorlopige teruggaaf. Een voorlopige teruggaaf is ook mogelijk voor de algemene heffingskorting van de niet of weinig verdienende partner.

Op grond van artikel 42 van de Algemene bijstandswet moeten heffingskortingen tot de middelen worden gerekend. Alleen de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting behoren niet tot de middelen (zie hiervoor artikel 43 van de Algemene bijstandswet).

Voorlopige teruggaaf

Voor de volgende heffingskortingen kan een Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen worden gevraagd (gezien de doelgroep worden de kortingen voor maatschappelijke beleggingen en durfkapitaal hier niet behandeld).

 

-      Alleenstaande-ouderkorting: voor degene die meer dan zes maanden in het kalenderjaar geen partner heeft, een huishouden voert met uitsluitend kinderen die bij het begin van het kalenderjaar nog geen 27 jaar zijn, tenminste één van die kinderen in belangrijke mate onderhoudt en dat kind op zijn woonadres is ingeschreven.

 

-     Aanvullende alleenstaande-ouderkorting: voor degene die recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting, inkomsten uit tegenwoordige arbeid heeft en in het kalenderjaar meer dan zes maanden een kind tot zijn huishouden behoort dat bij het begin van het kalenderjaar nog geen 16 jaar is en op zijn woonadres is ingeschreven.

 

-      Kinderkorting: voor degene met een (gezamenlijk) verzamelinkomen van hooguit € 58.214 (bedrag 2003) tot wiens huishouden meer dan zes maanden in het kalenderjaar tenminste één kind behoort dat op 1 januari nog geen 18 jaar is, dat gedurende die periode ingeschreven staat op het woonadres van hem of zijn partner en door hem of zijn partner in belangrijke mate wordt onderhouden. Voor partners geldt dat alleen degene met het hoogste inkomen of, bij een gelijk inkomen, de oudste partner recht heeft op de kinderkorting. Op gezamenlijk verzoek van de partners kan de kinderkorting aan de andere partner worden toegekend.

 

-     Aanvullende kinderkorting: voor degene die recht heeft op de kinderkorting en met zijn eventuele partner geen hoger verzamelinkomen heeft dan € 29.108 (bedrag 2003). Deze korting bedraagt standaard € 354 (bedrag 2003), maar wordt verhoogd tot € 534 (bedrag 2003) als het gezamenlijke verzamelinkomen niet hoger is dan € 27.438 (bedrag 2003). Dat laatste bedrag wordt nog eens verhoogd met € 63 (bedrag 2003) als er gedurende minstens zes maanden in het kalenderjaar drie kinderen tot het huishouden behoren die op 1 januari nog geen 18 jaar zijn, in belangrijke mate door betrokkene of partner worden onderhouden en in die periode op het adres van betrokkene staan ingeschreven. Ook de aanvullende kinderkorting geldt in beginsel voor de partner met het hoogste inkomen.

 

-      Combinatiekorting: voor degene die betaald werk verricht waarmee hij meer dan € 4.206 (bedrag 2003) winst uit onderneming, loon of resultaat uit overige werkzaamheden verdient, of waarvoor hij in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek en in het kalenderjaar tenminste zes maanden een kind in zijn huishouden heeft, dat op 1 januari nog geen 12 jaar was en gedurende die periode op zijn woonadres is ingeschreven. Als er een partner is die ook aan de genoemde voorwaarden voldoet, dan hebben beide partners recht op de combinatiekorting.

 

-     Algemene heffingskorting: voor de niet of weinig verdienende partner, dat wil zeggen voor degene met een laag verzamelinkomen (tot ruim € 5.000 in 2003) die in het kalenderjaar minimaal zes maanden een partner heeft met een inkomen dat hoog genoeg is om met de belasting en premie daarover niet alleen zijn eigen heffingskorting maar ook die van zijn partner te kunnen verrekenen.

 

-      Toetrederskorting: voor degene die een uitkering (bijstand, IOAW, IOAZ, WAO, WAZ, WIK of WAJONG) heeft of gesubsidieerd werk verricht en niet-gesubsidieerd werk gaat verrichten, waarmee hij in het kalenderjaar ten minste € 7.692 verdient en aan de volgende voorwaarden voldoet:

-     vóór het verrichten van niet-gesubsidieerd werk had betrokkene minimaal 12 van de laatste 18 maanden een bijstandsuitkering, een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid of gesubsidieerd werk;

-     de uitkering of gesubsidieerde arbeid is gestopt vanaf het moment dat men is gaan werken. Bij de WAO, WAZ en WAJONG geldt de eis dat de uitkering moet zijn gestopt niet.


Zie voor de toepassing van de inkomenseis bij gefaseerde uitstroom uit de bijstand mijn besluit van 7 januari 2003, nr. CPP2002/3196M.
De toetrederskorting bestaat uit drie tranches en wordt verspreid over drie kalenderjaren uitbetaald. De laatste twee tranches worden niet uitbetaald als betrokkene (weer) één van de hiervoor genoemde uitkeringen of een WW-uitkering gaat genieten, (weer) gesubsidieerde arbeid gaat verrichten, of niet langer ten minste € 7.692 per jaar met de niet-gesubsidieerde arbeid verdient.
De toetrederskorting wordt per 1 januari 2003 afgeschaft. Degenen die vóór 1 januari 2003 niet-gesubsidieerde arbeid is gaan verrichten, blijven onder de bovengenoemde voorwaarden recht houden op de toetrederskorting. Dit heeft tot gevolg dat de toetrederskorting nog uiterlijk tot in 2005 kan voorkomen.

 

Behalve voor heffingskortingen kan ook een voorlopige teruggaaf aangevraagd worden voor bepaalde aftrekposten (bijvoorbeeld hypotheekrente, studie- en ziektekosten). Er zijn verschillende aanvraagformulieren:

-     Voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting, voor de algemene heffingskorting en de arbeidskorting van de niet of weinig verdienende partner;

-     Voorlopige teruggaaf heffingskortingen, voor de (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting, de (aanvullende) kinderkorting en de combinatiekorting;

-     Voorlopige teruggaaf eigen woning, voor de aftrekposten van een eigen woning en de (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting, de (aanvullende) kinderkorting en de combinatiekorting;

-     Voorlopige teruggaaf, voor alle aftrekposten en heffingskortingen waarvoor een voorlopige teruggaaf mogelijk is.

Verplichte aanslag

Als hoofdregel voor het opleggen van aanslagen geldt dat een aanslag wordt opgelegd als de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (de inkomensheffing) de ingehouden loonheffing, verminderd met het bedrag van de voorlopige teruggaven (het voorheffingssaldo), met meer dan € 211 (bedrag 2003) overtreft.

 

Daarnaast wordt er ook een aanslag opgelegd als:

-     er een voorlopige teruggaaf is verleend in verband met aftrekposten (bijvoorbeeld de eigen woning of buitengewone uitgaven zoals ziektekosten of studiekosten);

-     er een voorlopige teruggaaf is verleend voor de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner en achteraf blijkt dat de voorlopige teruggaaf tot een te hoog bedrag of ten onrechte is verleend;

-     er aangifte is gedaan en het terug te geven bedrag meer bedraagt dan € 12 (bedrag 2003), de zogenoemde aanslag op verzoek, vaak via een T-biljet.

 

Uit de hoofdregel volgt dat er vaak een verplichte aanslag moet worden opgelegd als een bijstandsgerechtigde eigen inkomsten heeft die niet aan loonheffing zijn onderworpen. Daarnaast kan ook een voorlopige teruggaaf een verplichte aanslag tot gevolg hebben. Hieronder wordt per soort voorlopige teruggaaf aangegeven of die gevolgd wordt door een aanslag.

-     Voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting: Er wordt altijd een aanslag opgelegd als de algemene heffingskorting tot een te hoog bedrag of ten onrechte is verleend.

-     Voorlopige teruggaaf heffingskortingen: Er wordt alleen een aanslag opgelegd als het verschil tussen de inkomensheffing en het voorheffingssaldo meer bedraagt dan € 211 (bedrag 2003).

-     Voorlopige teruggaaf toetrederskorting: Er wordt alleen een aanslag opgelegd als het verschil tussen de inkomensheffing en het voorheffingssaldo meer bedraagt dan € 211 (bedrag 2003).

-     Voorlopige teruggaaf eigen woning: Er wordt altijd een aanslag opgelegd.

-     Voorlopige teruggaaf (voor alle aftrekposten en heffingskortingen waarvoor een voorlopige teruggaaf mogelijk is): Er wordt altijd een aanslag opgelegd.

10.     Stimuleringspremies

Op grond van artikel 3 van de Wet inschakeling werkzoekenden (hierna: WIW) kunnen gemeenten aan onder meer bijstandsgerechtigden stimuleringspremies verstrekken. Het gaat daarbij met name om premies in verband met werkaanvaarding, scholing en vrijwilligerswerk.

 

Met ingang van 1 januari 2001 is in artikel 3 van de WIW een nieuw lid 2 ingevoerd. Op grond van deze nieuwe bepaling kunnen gemeenten bepaalde uitstroompremies verstrekken. Deze uitstroompremies zijn niet belast. Met de invoering van de toetrederskorting per 1 januari 2002 is dit tweede lid vervallen. Alleen degenen die op dat moment al recht hadden op de uitstroompremie van lid 2, houden dat recht.

 

Overige premies die op grond van artikel 3 van de WIW verstrekt worden in verband met de aanvaarding van een dienstbetrekking zijn altijd belast. Premies in verband met scholing zijn voor de loonheffing alleen belast als ze aangemerkt moeten worden als een periodieke uitkering. Datzelfde geldt in veel gevallen voor premies voor vrijwilligerswerk. Gaat het echter niet zozeer om premies, maar om kostenvergoedingen, dan kunnen deze onder bepaalde voorwaarden onbelast zijn, bijvoorbeeld omdat ze onder de vrijwilligersregeling vallen. In mijn besluit van 4 oktober 2001, nr. CPP2001/2477M, heb ik aangegeven onder welke voorwaarden premies voor vrijwilligerswerk onbelast zijn.

 

Voor premies die belast zijn hoeft de (ex-)bijstandsgerechtigde geen loonbelastingverklaring in te leveren. De gemeente mag bij de inhouding van loonheffing op belaste premies geen rekening houden met de loonheffingskorting. Verder geldt voor werkaanvaardingspremies de witte tabel en voor premies in verband met scholing of vrijwilligerswerk de groene tabel.

11.     Kwijtschelding

In de gevallen waarin een te betalen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen moet worden opgelegd, blijft de mogelijkheid bestaan dat op daartoe gedaan verzoek op de voet van artikel 26 van de Invorderingswet 1990 kwijtschelding wordt verleend van het op die aanslag openstaande bedrag of een gedeelte daarvan. Of er aanleiding bestaat een zodanige kwijtschelding te verlenen kan slechts van geval tot geval worden beoordeeld.

Uitgangspunt daarbij is, dat niet de financiële omstandigheden in het jaar waarop die aanslag betrekking heeft (het belastingjaar) relevant zijn, doch de ten tijde van de indiening van het verzoek om kwijtschelding. Naarmate de omstandigheden op laatst bedoeld tijdstip in vergelijking met de situatie in het belastingjaar zijn verbeterd, bestaat minder aanleiding tot het verlenen van kwijtschelding van het op de aanslag openstaande bedrag. Anderzijds kan het zich voordoen dat die omstandigheden in vergelijking met de situatie in het belastingjaar niet zijn verbeterd of wellicht zijn verslechterd. In dat geval kan er aanleiding bestaan het op die aanslag openstaande bedrag geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

12.   Vorige circulaire

Deze circulaire vervangt de circulaire van 20 december 2000, nr. CPP2000/3098M. De laatstgenoemde circulaire wordt hierbij ingetrokken.