Overdracht van pensioenkapitaal door een toegelaten verzekeraar aan een niet-toegelaten buitenlandse verzekeraar

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 16 juli 2002, nr. CPP2002/192M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1.       Inleiding

Met ingang van 1 januari 2001 is in artikel 19b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) de mogelijkheid geschapen om pensioenkapitaal belastingvrij over te dragen aan een (buitenlandse) pensioenverzekeraar als bedoeld in het per die datum ingevoerde nieuwe onderdeel f van artikel 19a, eerste lid, van de Wet LB. Daarnaast bepaalt artikel 19b, vierde lid, van de Wet LB dat Onze Minister, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, toestemming kan verlenen pensioenkapitaal belastingvrij over te dragen aan een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent, indien daarmee in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland pensioenaanspraken worden verworven. Het gaat dan om een fonds of een lichaam, anders dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, van de Wet LB. Het betreft derhalve een niet op grond van artikel 19a, eerste lid, van de Wet LB toegelaten verzekeraar. Waar in het navolgende wordt gesproken over een “buitenlandse verzekeraar” wordt daarmee steeds gedoeld op een niet-toegelaten verzekeraar.

 

In onderdeel 2 van dit besluit wordt de in artikel 19b, vierde lid, van de Wet LB bedoelde toestemming onder voorwaarden nader uitgewerkt. Voor de volledigheid zij vermeld dat deze uitwerking uiteraard toepassing van verdragen die een verdergaande regeling inzake de overdracht van pensioenkapitaal hebben, onverlet laat (zie bijvoorbeeld artikel 19, derde lid, van de Overeenkomst tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting van 1992 (boekwerk Internationale Fiscale Zaken nr. 50.00.00)).

 

Een ingevolge de Wet LB toegestane overdracht van pensioenkapitaal aan een buitenlandse verzekeraar laat onverlet dat de werknemer (hierna te noemen: belanghebbende) vanwege het einde van zijn binnenlandse belastingplicht of de overdracht van het pensioenkapitaal door middel van conserverende aanslagen in de inkomstenbelasting kan worden betrokken op grond van artikel 3.83, eerste of tweede lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Vanwege het feit dat de verzekeraar die de pensioenaanspraak op grond van artikel 19b, vierde lid, van de Wet LB overdraagt op grond van artikel 44b van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk is voor de belasting en de revisierente die op grond van de bedoelde conserverende aanslagen verschuldigd zijn of verschuldigd worden, heb ik in onderdeel 3 van dit besluit voorwaarden geformuleerd voor een verklaring van de ontvanger waarin wordt afgezien van het aansprakelijk stellen van de verzekeraar. Op deze wijze behoeft artikel 44b van de Invorderingswet niet in de weg te staan aan de overdracht van het pensioenkapitaal door een toegelaten verzekeraar aan een buitenlandse verzekeraar.

 

Onderdeel 4 van dit besluit regelt de bevoegdheid tot afhandeling van verzoeken van belanghebbenden om toepassing van dit besluit.

2.  Voorwaarden voor belastingvrije overdracht van pensioenkapitaal in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking in het buitenland

De overdracht van pensioenkapitaal in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking in het buitenland kan voor de heffing van de loonbelasting belastingvrij geschieden indien is of wordt voldaan aan alle hiernavolgende voorwaarden:

 

1.   De voor belanghebbende bevoegde inspecteur gaat akkoord met de hoogte van het over te dragen kapitaal.

 

2.   Het pensioenkapitaal wordt rechtstreeks en in zijn geheel overgedragen aan de buitenlandse verzekeraar ter verwerving van pensioenaanspraken.

 

3.   De Pensioen- & Verzekeringskamer heeft voor de overdracht ontheffing verleend indien dit op grond van wet- of regelgeving geboden is. Indien een dergelijke ontheffing niet vereist is, maakt belanghebbende zulks aannemelijk.

 

4.      Belanghebbende maakt aannemelijk dat hij in het desbetreffende land een substantiële dienstbetrekking heeft aanvaard. Een dienstbetrekking wordt in ieder geval substantieel geacht indien deze voor een termijn van vijf jaar is aangegaan.

 

5.      Belanghebbende maakt aannemelijk dat:

a.   de nieuwe pensioenregeling een in het desbetreffende land gebruikelijke pensioenregeling is;

b.   de te zijner tijd te verrichten uitkeringen, in welke vorm dan ook, betrokken zullen worden in een in het desbetreffende land van kracht zijnde heffing naar het inkomen, een en ander met inbegrip van het deel van de uitkeringen dat gerelateerd kan worden aan het bij de toegelaten verzekeraar opgebouwde pensioenkapitaal. Onderdeel b is alleen van toepassing bij (voorgenomen) emigratie.

 

6.      Belanghebbende overlegt een exemplaar van de nieuwe pensioenregeling.

 

7.      Belanghebbende overlegt een verklaring van de buitenlandse verzekeraar waarin wordt aangetoond dat sprake zal zijn van een substantieel pensioentekort voor het geval het pensioenkapitaal niet wordt overgedragen. De overdracht moet geschieden ter voorkoming van pensioenbreuk.

 

8.   Indien sprake is van (voorgenomen) emigratie verstrekt belanghebbende gegevens waaruit de nieuwe woonplaats blijkt.

 

9.   Ter zake van de overdracht wordt geen enkele aftrek op het inkomen van belanghebbende en/of van zijn partner toegepast.

3.  Verklaring van ontvanger

Indien is voldaan aan de voorwaarden van onderdeel 2 van dit besluit, kan de ontvanger op verzoek van de overdragende verzekeraar aan deze een verklaring doen toekomen. Daarin deelt de ontvanger de verzekeraar mede dat hij onherroepelijk afziet van het inroepen van de aansprakelijkheid van de verzekeraar op grond van artikel 44b van de Invorderingswet 1990 voor de door belanghebbende verschuldigde belasting en revisierente als gevolg van toepassing van artikel 3.83, eerste of tweede lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de Wet IB 2001, alsmede artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

 

De ontvanger geeft de bedoelde verklaring af nadat is voldaan aan één van de navolgende voorwaarden:

 

1.   de belanghebbende heeft jegens de bevoegde ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid gesteld in de vorm van een bankgarantie of borgstelling die, of een hypotheek- of pandrecht dat, toereikend is voor de invordering van de inkomstenbelasting en de revisierente die zijn of worden verschuldigd door toepassing van artikel 3.83, eerste of tweede lid, of artikel 7.2, achtste lid, van de wet IB 2001 en artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

 

of

 

2.   de buitenlandse verzekeraar heeft jegens de bevoegde ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid gesteld in de vorm van een bankgarantie of borgstelling die, of een hypotheek- of pandrecht dat, toereikend is voor de invordering van de inkomstenbelasting en de revisierente die zijn of worden verschuldigd door toepassing van de onder 1 genoemde wettelijke bepalingen.

 

De bovenstaande verklaring kan ook worden verstrekt indien op een overdracht van pensioenkapitaal mijn besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/3178M, inzake de overdracht van pensioenkapitaal aan de EU/ECB van toepassing is (geweest). Uiteraard dient ook dan eerst aan één van de beide hierboven vermelde voorwaarden te zijn voldaan. De voorwaarden van onderdeel 2 van dit besluit gelden in dat geval niet.

4.  Bevoegdheid

De bevoegdheid tot het verlenen van toestemming voor een belastingvrije overdracht als bedoeld in onderdeel 2 van dit besluit en tot het afgeven van de verklaring als bedoeld in onderdeel 3 van dit besluit berust bij het Hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen buitenland Heerlen.

 

Verzoeken om belastingvrije overdracht van pensioenkapitaal in andere gevallen dan waarin is voorzien door de Wet LB of dit besluit dienen aan mij te worden gericht.

5.  Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 16 juli 2002.

6.  Vervallen besluit

Het besluit van 2 december 1996, nr. DB96/113M vervalt per 16 juli 2002.