Uitvoeringsaspecten werknemersspaarregelingen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 7 september 2001, nr. CPP2001/923M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

1.            Inleiding

Dit besluit bevat een aantal vragen en antwoorden over de werknemersspaarregelingen die reeds eerder zijn gepubliceerd. Deze vragen en antwoorden zijn waar nodig geactualiseerd en zijn opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Bovendien zijn in dit besluit niet eerder gepubliceerde vragen en antwoorden opgenomen.

De bedoelde eerdere publicaties vonden plaats in de besluiten van 8 april 1994, nr. DB94/1119M, van 21 juni 1996, nr. DON-LB6/72 en van 11 augustus 1997, nr. DON-LB7/455. Deze besluiten hebben in zoverre hun belang verloren.

Uit deze besluiten zijn zes vragen en antwoorden niet in dit besluit opgenomen. Het betreft de vragen 15 en 16 uit het besluit van 8 april 1994 en vraag 18 uit het besluit van 21 juni 1996. Deze vragen, die betrekking hebben op premies ingevolge een levensverzekering, zijn nog in heroverweging. Na afronding van deze heroverweging zal dit besluit worden geactualiseerd. De vragen 18 en 20 uit het besluit van 8 april 1994 en vraag 16 uit het besluit van 21 juni 1996 zijn niet in dit besluit opgenomen omdat ze hun actualiteit hebben verloren.

2.         Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

a.   Kan een werknemer die een ziektewetuitkering of een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, deelnemen aan een spaarregeling van zijn (vroegere) werkgever?

Een werknemer kan alleen deelnemen aan een spaarregeling als zijn werkgever loon uit tegenwoordige dienstbetrekking toekent. Bij een ziektewetuitkering of een arbeidsongeschiktheidsuitkering is dat slechts het geval als de witte tabel van toepassing is.

3.            Compensatie van loon

a.   Is het mogelijk in een premiespaarreglement de voorwaarde te stellen dat de spaarpremie verkregen wordt in ruil voor een deel van het loon van de deelnemers?

Indien in het reglement is bepaald dat de werknemers alleen recht hebben op een spaarpremie voor zover zij afstand doen van een deel van hun loon, is de spaarpremie afhankelijk van het afstand doen van loon. Dit is niet toegestaan. De spaarpremie mag immers alleen afhankelijk zijn van de ingehouden spaargelden. In het reglement kan eventueel wel opgenomen worden dat de werknemers mogen deelnemen aan de regeling indien zij afstand doen van een deel van hun loon. In dat geval is namelijk alleen de deelname aan de regeling afhankelijk van het afstand doen van loon. Hierbij zij opgemerkt dat de voorwaarde dat de regeling moet openstaan voor ten minste driekwart van het personeel (hierna: het 75%-criterium) in het geding kan komen.

 

b.   Wat zijn de gevolgen voor een premiespaarregeling indien werknemers die niet deelnemen een extra bedrag als belast loon zullen ontvangen (of indien het loon van degenen die wel deelnemen zal worden gekort met het bedrag van de spaarpremie)?

Dit hoeft voor de premiespaarregeling in beginsel geen gevolgen te hebben als hieromtrent in het contract vastgelegde (individuele) loonafspraken zijn gemaakt. Hierbij kan van belang zijn welke overige gevolgen aan deze afspraak zijn of worden verbonden. Indien het normale loon contractueel wordt verlaagd (of minder wordt verhoogd) kan dit bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de hoogte van een pensioenpremie.
In dit verband moet worden bedacht dat een spaarpremie moet worden toegekend naar gelang van de ingehouden besparing en niet rechtstreeks afhankelijk mag zijn van de winst of de winstuitkering. Indien de premie voortaan in mindering zal worden gebracht op een winstuitkering, zal bijvoorbeeld deze winstuitkering tot het bedrag van de spaarpremie moeten worden gegarandeerd, aangezien deze spaarpremie anders winstafhankelijk is.
Het is niet mogelijk loon dat fiscaal als genoten moet worden beschouwd achteraf tot spaarpremie te bestempelen.
Zie in dit verband overigens het besluit inzake Wijzigingen beloningen, waaronder het afzien van verlofdagen in ruil voor (vergoeding van) computers en bijbehorende apparatuur, van 23 november 1998, nr. DB98/968M (1e herdruk van 21 december 2000, nr. CPP2000/2942M voor de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen; opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001).

 

c.   Aan werknemers die deelnemen in een spaarloonregeling wordt de mogelijkheid geboden een lening af te sluiten van maximaal € 272 (f 600). Op die manier kan de netto inkomensachteruitgang als gevolg van die deelname gedeeltelijk worden gecompenseerd. Maakt het aangaan van deze overeenkomst tot geldlening de spaarloonregeling onzuiver?

Nee, tenzij de overeenkomst tot geldlening in het spaarreglement is opgenomen.

4.         Het maximaal te sparen bedrag

a.   Kan een werknemer bij deelname aan een premiespaarregeling zijn hele netto loon sparen?

Bij een premiespaarregeling kan een werknemer zijn hele netto loon sparen, mits het spaarreglement van de werkgever dit toelaat.

 

b.   Kan een werknemer bij deelname aan een spaarloonregeling zijn hele bruto loon sparen met inachtneming van het wettelijke maximum?

Het ontmoet geen bezwaar als de werknemer bij deelname aan een spaarloonregeling zijn hele bruto loon spaart mits het spaarbedrag het wettelijke maximum niet te boven gaat.

 

c.   Mag een spaarloonregeling bepalen dat het spaarloon meer kan bedragen dan het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel f, Wet loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), waarbij slechts het in de Wet LB genoemde bedrag onder de vrijstelling valt?

Volgens artikel 14, eerste lid, Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen (hierna: URWW) mag het spaarloon niet meer bedragen dan het in de Wet LB vermelde bedrag. Een regeling die anders bepaalt, voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 32, vijfde lid, Wet LB, in samenhang met artikel 14, eerste lid, URWW. Dit leidt tot heffing over het volledige bedrag aan spaarloon.

 

d.   Mag er bij een premiespaarregeling onbeperkt worden gespaard en wat betekent dit voor de spaarpremies?

In beginsel is bepalend wat hierover in het spaarreglement staat. In het spaarreglement mag evenwel niet worden bepaald dat uit eigen middelen kan worden (bij)gestort. Het moet immers gaan om ingehouden besparingen. De werkgever kan slechts besparingen inhouden tot het (netto) bedrag dat hij aan de werknemer verschuldigd is.
Bovendien moet het gaan om spaarpremies naar gelang van de ingehouden besparingen.

Wel toegestaan is een reglement waarin de werknemer zelf de hoogte van de in te houden besparing mag kiezen en de spaarpremie ten hoogste 100%, met een maximum van € 526 (f 1.158) (bedragen 2001) bedraagt. In geval de werknemer voor een ander doel dan de erkende bestedingsdoelen bedragen van de rekening opneemt, moet de spaarpremie evenwel naar evenredigheid aan de gehele ingehouden besparing worden toegerekend.

Voorbeeld
In 2001 wordt in totaal € 2.330 (f 5.135) ingehouden en bijgeschreven op de premiespaarrekening. De spaarpremie van € 526 (f 1.158) wordt voorlopig bijgeschreven. In 2002 neemt de deelnemer € 907 (f 1.999) van zijn besparing op. In dat geval moet van de voorlopige spaarpremie 1999/5135 x 1158 = € 204 (f 450) teruggestort worden naar de werkgever of naar een in het reglement aangewezen derde.
Het is ook toegestaan dat in een reglement het premiëringspercentage wordt verlaagd als de werknemer meer besparing laat inhouden dan het jaarlijkse maximum-premiebedrag. Voorbeeld: bij een inhouding van € 526 (f 1.158) bedraagt de spaarpremie 100% en bij een inhouding van € 1.052 (f 2.316) is de spaarpremie 50%.

5.            Premiedifferentiatie

a.   Op welke wijze kan een werkgever de spaarpremie in een premiespaarregeling laten differentiëren voor verschillende (groepen) werknemers?

De spaarpremie in een premiespaarregeling kan alleen beperkt worden door:

-     het wettelijke maximum;

-     een vast percentage van de spaargelden, welk percentage voor alle werknemers gelijk moet zijn;

-     een vast bedrag dat voor alle werknemers gelijk moet zijn.

 

Indien de spaarpremie een percentage is van de spaargelden of een vast bedrag, dat per (groep) werknemer(s) verschilt, is er sprake van meerdere spaarregelingen. Er wordt dan waarschijnlijk niet voor alle regelingen voldaan aan het 75%-criterium.

6.            Combinatie spaarloonregeling en premiespaarregeling

a.   Kan deelname aan een premiespaarregeling gekoppeld worden aan deelname aan een spaarloonregeling?
Deelname aan de premiespaarregeling staat bijvoorbeeld alleen open voor werknemers die deelnemen aan de spaarloonregeling. Het maximum spaarbedrag voor een werknemer en de daaraan gekoppelde spaarpremie hangt af van het voordeel dat de werkgever geniet door de deelname van deze werknemer aan de spaarloonregeling.

Indien de spaarloonregeling openstaat voor ten minste 75% van het personeel, vormt het feit dat deelname aan de premiespaarregeling alleen openstaat voor werknemers die deelnemen aan de spaarloonregeling, geen belemmering voor het 75%-criterium.
De voorwaarde dat werknemers alleen kunnen deelnemen aan de premiespaarregeling als zij ten minste een bepaald bedrag sparen via de spaarloonregeling, kan wel in strijd zijn met het 75%-criterium. Dit hangt af van de samenstelling van de groep werknemers gelet op de hoogte van hun beloning. Toetsing van het 75%-criterium moet daarom per inhoudingsplichtige plaatsvinden.

7.         Het 75%-criterium

a.   Mag in een spaar- of winstdelingsregeling de deelname aan voorwaarden worden gebonden?

De deelname aan deze regelingen moet openstaan voor ten minste driekwart van het personeel. Aan deze voorwaarde dient niet alleen op papier te worden voldaan; de mogelijkheid van deelname dient reëel te zijn.

Voorbeelden van bepalingen die mogelijk inbreuk maken op een reële deelnamemogelijkheid.

-     Bij een spaarloonregeling wordt als voorwaarde voor deelname gesteld dat uit het normale salaris het maximale spaarloon wordt gespaard; dit kan een feitelijke belemmering vormen voor lagergesalarieerde werknemers.

-     De deelname aan een (spaar)regeling wordt afhankelijk gesteld van de deelname aan andere (spaar)regelingen; in deze gevallen kan soms door een cumulatie van voorwaarden de reële deelnamemogelijkheid van een of meer regelingen te zeer worden beperkt.

-     De deelnamemogelijkheid wordt gekoppeld aan prestaties of andere criteria waaraan slechts een beperkt deel van het personeel feitelijk zal voldoen.

 

b.   Mag in spaar- of winstdelingsregeling onderscheid gemaakt worden tussen (categorieën) werknemers?

Indien al te zeer onderscheid wordt gemaakt, kan in feite sprake zijn van meer regelingen, ook indien de verschillende regelingen in één reglement zijn opgenomen. In dat geval dient per regeling te worden bezien of deze (feitelijk) openstaat voor ten minste driekwart van het personeel.
Indien differentiatie gewenst is kan worden gedacht aan het hanteren van objectieve normen, waarbij niet meer dan 25% van het personeel wordt uitgesloten (zie vraag 7.a).
Voorbeelden van - met dit voorbehoud - toegestane differentiatie.

-     Indien in een periode een bepaald aantal ziektedagen wordt overschreden wordt een korting toegepast. Bij een premiespaarregeling moet evenwel sprake blijven van een spaarpremie naar gelang van de besparing. Een van het ziekteverzuim afhankelijke korting op de besparing ontmoet geen bezwaar. Niet toegestaan is een aan het ziekteverzuim gerelateerde spaarpremie.

-     De besparing of het spaarloon stijgt naar mate de productienormen voor een afdeling worden gehaald.

-     Het in te houden spaarbedrag van een premiespaarregeling of het spaarloon wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het salaris of van de hoogte van een winstuitkering.

 

c.   Moet een regeling ook openstaan voor driekwart van het personeel indien een groot deel van de werknemers min of meer incidenteel werkt?

Ja, in beginsel moet ook dan aan deze voorwaarde worden voldaan. Het is in deze gevallen mogelijk het spaarbedrag, het spaarloon of de winstdeling naar gelang van de tijd vast te stellen. Het ontmoet bij mij geen bezwaar indien in een regeling als ondergrens wordt opgenomen dat werknemers die doorgaans gedurende minder dan 8 uren per week of gedurende minder dan 1 maand per jaar werkzaam zijn niet kunnen deelnemen. Het zogenaamde 75%-criterium wordt in dat geval beoordeeld voor alle werknemers die niet aldus zijn uitgesloten.

 

d.   Een werkgever heeft een aantal werknemers in dienst onder andere voorwaarden dan de andere werknemers die in vaste dienst zijn. Het gaat bijvoorbeeld om oproepkrachten of werknemers die vallen onder de WIW-regeling. De werkgever wil een spaarregeling instellen, waarbij eerdergenoemde werknemers worden uitgesloten van deelname. De werkgever verzoekt voor deze groep werknemers ontheffing van het 75%-criterium.

De belastingdienst verleent geen ontheffing van het 75%-criterium. De werkgever kan wellicht gebruikmaken van de onder vraag 7.c opgenomen goedkeuring dat werknemers die minder dan 8 uur per week of 1 maand per jaar werken niet hoeven mee te tellen voor het 75%-criterium.

8.         Het reglement

a.   Is het toegestaan dat de omschrijving van de toe te kennen spaarpremie of de maximale hoogte van de in te houden besparingen niet is opgenomen in het premiespaarreglement zelf, maar in een afzonderlijk geschrift?

Het is toegestaan dat bepalingen of voorwaarden die behoren tot een spaarreglement, in afzonderlijke schriftelijke bescheiden worden opgenomen, onder de voorwaarde dat het spaarreglement en de bescheiden naar elkaar verwijzen. In feite vormen alle schriftelijke bescheiden te samen het spaarreglement.

 

b.   Mag een premiespaarregeling of een spaarloonregeling minder deblokkeringmogelijkheden bevatten dan wettelijk is toegestaan?

Ja, een spaarregeling hoeft niet alle toegestane deblokkeringmogelijkheden te bevatten.

9.            Administratie spaartegoeden

a.   Is het mogelijk dat er gespaard wordt bij een buitenlandse bank?

Artikel 2, achtste lid, en artikel 15, tweede lid, URWW geven aan welke instellingen als spaarinstelling kunnen gelden. Er worden geen voorwaarden gesteld aan de vestigingsplaats van de spaarinstelling. Op grond van artikel 10, 11 en 18 URWW moeten alle gegevens betreffende de spaarregelingen bij de werkgever in Nederland controleerbaar zijn.

 

b.   Ingehouden spaargelden moeten door de werkgever of een in de spaarregeling aangewezen instelling worden geadministreerd. Als instelling kunnen worden aangewezen spaarbanken, handelsbanken, landbouwkredietinstellingen, bouwkassen, spaarfondsen, verzekeringsmaatschappijen en daarmee vergelijkbare rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. Aan welke voorwaarden moet een rechtspersoon voldoen om als vergelijkbare rechtspersoon te kunnen worden aangemerkt?

Als een vergelijkbare rechtspersoon kan worden aangemerkt iedere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de spaargelden per werknemer op een juiste en voor de belastingdienst controleerbare wijze kan administreren.

 

c.   Mogen een premiespaarrekening en een spaarloonrekening bij een bank een zelfde rekeningnummer hebben?

Ja, beide rekeningen mogen onder hetzelfde nummer worden geadministreerd. Er moet op grond van artikel 10 en artikel 15 URWW wel sprake zijn van afzonderlijke rekeningen, met afzonderlijke opening en sluiting en bij- en afboeking van de rekeningen.

 

d.   In welke volgorde moeten de spaargelden of het spaarloon worden opgenomen, indien een gedeelte van een spaartegoed van een premiespaarrekening of van een spaarloonrekening wordt opgenomen?

Er is geen voorschrift over de volgorde van opnemen (lifo, fifo of anderszins). Dat betekent dat het spaarreglement daarover een voorschrift kan bevatten of dat anders de werknemer bij opname mag kiezen.

 

e.   Hoe moeten spaarloon en spaarpremies op de loonstaat worden geboekt?

Spaarloon (waaronder aandelenopties, aandelen en geblokkeerde winstdeling) en spaarpremies mogen op de loonstaat worden verwerkt, het is niet verplicht.
Indien gekozen wordt voor boeking in de loonstaat, moeten spaarloon en/of spaarpremie worden geboekt in kolom 3 of 4 èn in kolom 7 (spaarloon op het moment van bijschrijving op de spaarloonrekening of het toekennen van aandelenopties of aandelen; spaarpremie op het moment van toekennen, niet op het moment van voorlopig bijschrijven).
Als de spaarpremie of het spaarloon alsnog, op grond van respectievelijk artikel 13 of artikel 22 URWW, moet worden belast, moet deze in kolom 3 of 4 worden geboekt (en dus niet in kolom 7).

10.            Spaarloon vergeten

a.   Een werknemer vraagt zijn werkgever tijdig om bij de loonbetaling over december 2000 rekening te houden met het maximumbedrag aan spaarloon voor dat jaar. De werkgever zegt toe dit te zullen doen, maar maakt een fout en betaalt het volledige maandloon uit, zonder rekening te houden met het spaarloon. De werkgever is bereid in januari 2001 alsnog rekening te houden met het spaarloon over 2000, zodat de werknemer de faciliteit over 2000 alsnog volledig kan benutten. Kan dat?

Nee. In 2000 heeft de werkgever geen spaarloon aan de werknemer toegekend er kan dus geen sprake zijn van een faciliteit over 2000. Dat in 2001 alsnog spaarloon wordt toegekend over 2000 doet daaraan niet af.

11.            Opname van spaartegoeden, anders dan in verband met een toegestane besteding

a.   Mag een spaarloonregeling de mogelijkheid bevatten het spaarloon tussentijds belast te deblokkeren? Mag bijvoorbeeld in een spaarloonregeling de volgende bepaling worden opgenomen: “Indien een werknemer over (een deel van) het saldo wil beschikken binnen de spaartermijn en de gelden voor een ander doel wil gebruiken dan de erkende bestedingsdoeleinden, houdt de werkgever alsnog loonbelasting, premie volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen in over het op te nemen bedrag. Het resterende netto bedrag wordt vrijgegeven aan de werknemer.”?

Nee, behoudens de toegestane uitzonderingen moet het spaarloon tenminste vier jaren op de spaarloonrekening blijven staan (artikel 19 URWW). Een spaarloonregeling mag dus niet de mogelijkheid geven dat er in strijd met de wettelijke regeling over het spaarloon beschikt wordt. Een regeling waarin bovengenoemde of een soortgelijke bepaling is opgenomen, is geen spaarloonregeling in de zin van artikel 32, eerste lid, Wet LB 1964.

 

b.   In welke gevallen moet bij een premiespaarregeling loonbelasting en premie volksverzekeringen worden ingehouden over de ingehouden spaargelden van een werknemer?

Bij een premiespaarregeling hoeft nooit loonbelasting en premie volksverzekeringen ingehouden te worden over de ingehouden spaargelden. Een werknemer kan altijd over zijn ingehouden spaargelden beschikken, aangezien het spaargelden uit zijn netto loon betreft. Indien een werknemer zijn ingehouden spaargelden opneemt voordat de spaartermijn is verstreken, dan wel besteedt aan een niet toegestaan bestedingsdoel, kan geen voor de werknemer onbelaste spaarpremie worden toegekend. Een eventueel reeds toegekende voorlopige spaarpremie moet worden teruggestort naar de werkgever.

 

c.   In een spaarloonregeling is vastgelegd dat de gelden, zoals die vrijkomen bij beëindiging van de deelname aan de spaarloonregeling, zullen worden aangewend ter aflossing van een geldlening. Is deze bepaling in strijd met artikel 15, derde lid, URWW?

Nee. De gelden zoals die vrijvallen bij de beëindiging van de dienstbetrekking kunnen niet meer worden aangemerkt als spaarloon. De door de werknemer aangegane verplichting, het in de toekomst vrij te vallen spaarloon aan te wenden voor de aflossing van een schuld, kan niet worden aangemerkt als een bezwaring als bedoeld in artikel 15, derde lid, URWW.

12.       Einde dienstbetrekking

a.   Mag een premiespaarregeling een bepaling bevatten dat de voorlopig bijgeschreven spaarpremie - onder inhouding van de belasting en premies - wordt uitgekeerd aan de werknemer indien hij bij ontslag zijn gehele spaarsaldo opneemt?

Nee. Het deel van de spaarpremie dat niet voor de werknemer onbelast kan worden toegekend moet teruggestort worden naar de werkgever of naar een in het reglement aangewezen derde. Het deel van de spaarpremie dat wèl voor de werknemer onbelast mag worden toegekend moet per inhouding worden berekend, ook als de inhoudingen per maand plaatsvinden. Er is geen voorschrift over de volgorde van opnemen (zie ook vraag 9.d hiervoor).

13.       De eigen woning

a.   Welke termijn mag er verstrijken tussen de aankoop van een eigen woning en de opname van spaartegoeden, om nog te kunnen spreken van een opname van spaartegoeden ter zake van de aankoop van een eigen woning?

Als spaarloon of premiespaargeld en bijbehorende spaarpremie binnen zes maanden na de verwerving van de eigen woning worden opgenomen dan wordt voor toepassing van artikel 5 of artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, URWW aangenomen dat de opname heeft plaatsgevonden ter zake van de verwerving van de eigen woning. Bij een langer tijdsverloop dan zes maanden zal het verband tussen de opname van de gelden van de spaarloon- of premiespaarrekening en de verwerving van de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 aannemelijk moeten worden gemaakt.

 

b.   Tot welk bedrag mogen de spaargelden of het spaarloon worden besteed ter verwerving van de eigen woning?


In alle gevallen van verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet IB mag spaarloon of premiespaargeld en spaarpremie worden opgenomen tot ten hoogste het bedrag van de koopprijs inclusief bijkomende kosten en ten hoogste tot het bedrag dat ten tijde van de verwerving op de spaarrekening aanwezig was. Daarbij is het niet van belang of de werknemer de koopprijs uit andere middelen heeft voldaan, ook wanneer de werknemer de verwerving van de eigen woning volledig financiert met een hypothecaire geldlening mag de werknemer in verband met deze verwerving beschikken over zijn spaarloon of premiespaargeld en spaarpremie.
Het is niet noodzakelijk dat de feitelijke betaling ter zake van de verwerving van de eigen woning vanaf de spaarloonrekening of premiespaarrekening plaatsvindt; een betaling uit privé gevolgd door een overboeking van spaarloon of premiespaargeld naar privé is eveneens toegestaan.

 

c.   Zowel een spaarloonregeling als een premiespaarregeling kan de mogelijkheid bieden dat de werknemer onder bepaalde voorwaarden bedragen van zijn spaartegoed mag opnemen ter verwerving van een eigen woning. Een dergelijke opname mag plaatsvinden tot ten hoogste het bedrag dat, ten tijde van de verwerving op de spaarrekening aanwezig is. In het algemeen begint de verwerving van een nieuw te bouwen eigen woning op het moment waarop de grond wordt aangekocht met het doel daarop een eigen woning te bouwen en eindigt de verwerving bij de eerste oplevering. Is gedurende deze gehele periode sprake van de verwerving van een eigen woning in de zin van de URWW?

Ja. Daarbij zal belanghebbende zonodig aannemelijk moeten maken dat de grond is aangekocht met het doel daarop een eigen woning te bouwen. Wanneer binnen zes maanden na aankoop van de grond wordt aangevangen met de bouw van de eigen woning, kan worden aangenomen dat de grond met dat doel is aangekocht.

 

d.   Een werknemer verwerft een nieuwbouwwoning in eigendom. In hetzelfde jaar maakt hij kosten van eerste tuinaanleg. Mag het spaartegoed voor deze tuinaanleg worden aangewend?

Nee. Spaargelden mogen worden besteed voor de verwerving van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 en de bijkomende kosten. Voor de toepassing van artikel 5 of artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, URWW, wordt aangenomen dat de eigen woning wordt verworven bij de oplevering (nieuwbouw) of notariële overdracht (bestaande bouw). Kosten die zijn gemaakt na de verwerving van de eigen woning worden, voor toepassing van artikel 5 of artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, URWW, niet meer tot de verwervingskosten van de eigen woning gerekend. Te denken valt hierbij aan het bijkopen van grond, latere verbouwingen en tuinaanleg na aankoop van de woning.

 

e.   Behoort de aankoop van een stuk grond, een garage of een schuur bij een al in het bezit zijnde eigen woning tot het verwerven van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 Wet IB 2001?

Indien de grond, de garage of de schuur (aanhorigheden) tegelijkertijd met de woning wordt gekocht of gebouwd, geldt artikel 5 of artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, URWW voor de gehele koopprijs of aanneemsom. Indien de aanhorigheden na de aankoop of bouw van de woning worden aangeschaft, is er voor toepassing van artikel 5 of artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, URWW, niet opnieuw sprake van het verwerven
van een eigen woning.

 

f.    Kan de toebedeling van een eigen woning, in het kader van een boedelscheiding worden beschouwd als de verwerving van een eigen woning?

Ja, indien de woning nog niet geheel in eigendom aan de werknemer toebehoorde. Het besteden van spaargelden of spaarloon ter zake van die verwerving kan evenwel slechts aan de orde zijn indien een schuld wegens overbedeling moet worden voldaan.

 

g.   Kan de spaarpremie ingevolge een premiespaarregeling worden toegekend in verband met de maandelijkse betaling van een spaarhypotheek?

Dit kan niet in verband met de hypotheekaflossing. Bij deze hypotheekvorm wordt immers gedurende de looptijd niet afgelost.
De premie voor het spaarcontract zal in het algemeen wel kunnen worden opgevat als een premie voor een kapitaalverzekering of een zogenaamde gemengde verzekering. Indien de premie voor de spaarpolis en voor de overlijdensrisicoverzekering afzonderlijk in rekening worden gebracht is dit een aanwijzing dat geen sprake is van een gemengde verzekering. In dat geval kan de spaarpremie ingevolge de premiespaarregeling alleen worden toegekend in verband met de storting van de premie voor de spaarpolis.
Bij een
spaarloonregelingis in geen van de genoemde gevallen opname toegestaan, aangezien het gaat om een polis die is verpand tot zekerheid van een hypothecaire lening (artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, URWW).

14.            Levensverzekeringen

a.   Een werknemer heeft een (onbezwaarde) kapitaalverzekering waarvoor de premie wordt voldaan ten laste van de spaarloonrekening. Na verloop van tijd koopt de werknemer een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 Wet IB 2001. De kapitaalverzekering wordt verpand tot zekerheid van de hypothecaire geldlening waarmee deze aankoop is gefinancierd. Vanaf dat moment wordt de premie niet langer ten laste van de spaarloonrekening, maar uit andere middelen voldaan. Moet met de verpanding worden gewacht totdat vier jaren zijn verstreken nadat de laatste premie is voldaan of is verpanding toegestaan, mits na de verpanding geen premies meer ten laste van de spaarloonrekening worden voldaan?

Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, URWW regelt in samenhang met artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, URWW, dat slechts sprake kan zijn van een toegestane besteding, wanneer de polis ten tijde van de premiebetaling onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, Wet IB 2001. Verpanding van de polis nadat de premie is gestort leidt niet tot naheffing. Er hoeft dus alleen op het moment van premiestorting te worden beoordeeld of de verzekering onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2, eerste lid, Wet IB 2001.

 

b.   Een werknemer heeft op een toegestane wijze premies ingevolge een overeenkomst van levensverzekering voldaan ten laste van een spaartegoed. In verband met plotselinge financiële problemen koopt de werknemer de verzekering af voordat de geldende spaartermijn is verstreken. Wat zijn de gevolgen van deze afkoop voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen? Het betreft een werknemersspaarregeling die is aangepast aan de URWW, zoals die geldt vanaf 1 januari 2001.

Het spaargeld is door de werknemer opgenomen in verband met een toegestaan bestedingsdoel. Wat er na die toegestane besteding met de verzekeringsovereenkomst gebeurt, is niet meer van belang voor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen, maar mogelijk wel van belang voor de heffing van de inkomstenbelasting.

 

c.   Is het toegestaan dat een werkgever premies voor een levensverzekering rechtstreeks betaalt aan de verzekeraar.

Ja. In artikel 8, vierde lid, URWW is geregeld dat rechtstreeks betaalde premies ingevolge een levensverzekering als bedoeld in artikel 8, eerste lid, URWW gelijk mogen worden gesteld met premies welke ten laste van de premiespaarrekening zijn voldaan. Hiermee is onder meer de mogelijkheid geschapen dat de werkgever de premies ingevolge een levensverzekering als bedoeld in artikel 8, eerste lid, URWW rechtstreeks betaalt aan de verzekeraar. De bij- en afboeking op de premiespaarrekening kan op deze manier worden overgeslagen.
Door de bepaling in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, URWW is deze vorm van rechtstreeks storten ook mogelijk bij een spaarloonrekening.

 

d.   Een werknemer betaalt maandelijks de premie voor zijn levensverzekering rechtstreeks van zijn privé-rekening. De werkgever wil niet elke maand het spaargeld eerst op de premiespaarrekening van de werknemer storten, om het dan vervolgens door de werknemer van die rekening te laten afhalen in verband met een toegestane besteding. Mag de werkgever de spaargelden rechtstreeks aan de werknemer uitbetalen.

Ja. In artikel 8, vierde lid, URWW is geregeld dat rechtstreeks betaalde premies ingevolge een levensverzekering als bedoeld in artikel 8, eerste lid, URWW gelijk mogen worden gesteld met premies welke ten laste van de premiespaarrekening zijn voldaan. Hiermee is onder meer de mogelijkheid geschapen dat de werknemer de premies ingevolge een levensverzekering als bedoeld in artikel 8, eerste lid, URWW vanaf zijn privé-rekening betaalt aan de verzekeraar. De werkgever kan vervolgens de spaargelden rechtstreeks overmaken aan de werknemer, als vergoeding voor de betaalde verzekeringspremies. De bij- en afboeking op de premiespaarrekening kan op deze manier worden overgeslagen.
Door de bepaling in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b, URWW is deze vorm van rechtstreeks storten ook mogelijk bij een spaarloonrekening.

15.            Effecten

a.   Is het mogelijk met geleend geld effecten te verwerven en de lening af te lossen met het tegoed van een premiespaarrekening of een spaarloonrekening?

Het is niet mogelijk ten laste van de spaarrekening een lening af te lossen, ook niet als deze is aangegaan voor de aankoop van effecten. Wel kunnen ten laste van de spaarrekening effecten worden gekocht, maar het moet wel gaan om nieuw verworven effecten. Deze effecten worden dan geblokkeerd. Met (gedeeltelijke) aflossing van de eventuele lening ten laste van de spaartegoeden moet dus worden gewacht tot de spaartermijn is volbracht.

 

b.   Op grond van artikel 31, achtste lid 1), Wet LB wordt het bedrag dat ingevolge artikel 31, eerste lid, Wet LB in de eindheffing wordt betrokken verdubbeld, voor zover het spaarloon betreft dat wordt genoten in de vorm van aandelenopties.

.....

1)   Deze bepaling is als volgt toegelicht: “In het nieuwe achtste lid van art. 31 is een bepaling opgenomen op grond waarvan het bedrag voor spaarloon- en winstdelingsregelingen wordt verdubbeld voor zover het spaarloon wordt verkregen in de vorm van aandelenoptierechten. Ingeval uitsluitend gespaard wordt in de vorm van aandelenoptierechten, wordt het bedrag van f 1.638 (cijfer 1997) verdubbeld. Bij samenloop van gespaard loon in de vorm van aandelenoptierechten en ander spaarloon geldt de verdubbeling slechts voor het bedrag dat resteert nadat het bedrag aan spaarloon is verminderd met het deel dat niet in de vorm van aandelenoptierechten is gespaard. Wordt bijvoorbeeld voor het maximum ad f 1.638 gespaard en is daarvan f 638 gespaard in contanten en de rest in aandelenoptierechten, dan wordt het maximum bedrag dat beschikbaar is voor aandelenoptierechten gesteld op (f 1.638 -/- f 638) x 2 f 2.000. Het totale bedrag voor de spaarloonregeling bedraagt in dat geval f 2.000 + f 638 = f 2.638.
MvT Wet van 24 juni 1998, Stb. 370 (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten), Kamerstukken II, 25 721, nr. 2, blz. 8.”

 

Wat betekent dit in de volgende situaties?

 

1.            Werknemer A ontvangt in januari 2001 aandelenopties ter waarde van € 2.269 (f 5.000).

 

2.            Werknemer B ontvangt in januari 2001 € 182 (f 400) spaarloon in geld en in mei 2001 spaarloon in de vorm van aandelenopties ter waarde van € 2.269 (f 5.000).

 

3.            Werknemer C ontvangt in januari 2001 spaarloon in de vorm van aandelenopties ter waarde van € 908 (f 2.000) en in mei 2001 € 499 (f 1.100) spaarloon in geld.

 

4.            Werknemer D ontvangt in januari 2001 een winstdeling van € 499 (f 1.100) waarbij wordt gekozen voor eindheffing en in mei 2001 ontvangt D spaarloon in de vorm van aandelenopties ter waarde van € 908 (f 2.000).

 

In deze vier situaties sluit de getroffen spaarloonregeling aan bij de wettelijke maxima.

In situatie 1 heeft A op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB de mogelijkheid om € 788 (f 1.736) te sparen. Op grond van artikel 31, achtste lid, Wet LB wordt dit bedrag geheel verdubbeld omdat hij tot dan toe nog geen ander spaarloon (of winstdeling) heeft genoten. A kan in deze situatie op grond van de getroffen spaarloonregeling dus maximaal € 1.576 (f 3.472) van zijn aandelenopties als spaarloon ontvangen.
In situatie 2 heeft B op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB de mogelijkheid om naast de € 182 (f 400) in geld nog € 606 (f 1.336) in aandelenopties te sparen. Op grond van artikel 31, achtste lid, Wet LB wordt het in aandelenopties gespaarde bedrag verdubbeld. B kan in deze situatie op grond van de getroffen spaarloonregeling dus maximaal 2 * € 606 (f 1.336)= € 1.212 (f 2.672) van zijn aandelenopties als spaarloon ontvangen.
In situatie 3 heeft C op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB de mogelijkheid om € 788 (f 1.736) te sparen. Op grond van artikel 31, achtste lid, Wet LB wordt het in aandelenopties gespaarde bedrag verdubbeld. Met het sparen van aandelenopties ter waarde van € 908 (f 2.000) maakt C dus voor € 454 (f 1.000) gebruik van de mogelijkheid zoals geboden in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB. C kan vervolgens nog € 334 (f 736) in geld als spaarloon ontvangen.
In situatie 4 heeft D op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB de mogelijkheid om naast de winstdeling van € 499 (f 1.100) nog € 289 (f 636) in aandelenopties te sparen. Op grond van artikel 31, achtste lid, Wet LB wordt het in aandelenopties gespaarde bedrag verdubbeld. B kan in deze situatie op grond van de getroffen spaarloonregeling dus maximaal 2 * € 289 (f 636) = € 578 (f 1.272) van zijn aandelenopties als spaarloon ontvangen.

 

c.   Werknemer A heeft in 1996, overeenkomstig een spaarloonregeling effecten gespaard als bedoeld in artikel 16, eerste lid, URWW. Per 1 januari 2001 komen de effecten ter vrije beschikking van A. Op dat moment staat op de spaarloonrekening van werknemer A een spaartegoed in geld. Mag A (een gedeelte van) dat spaarloon in geld omzetten in de effecten die hem ter vrije beschikking komen, zodat A per 1 januari 2001 niet de vrije beschikking krijgt over de in 1996 gespaarde effecten, maar over spaarloon in geld, dat in een later jaar is gespaard?

Neen. In artikel 16, eerste lid, URWW wordt verwezen naar de artikelen 6 en 7 URWW. Gelet op die artikelen wordt met het omzetten van spaarloon in effecten bedoeld het door de werknemer aankopen van effecten ten laste van het spaartegoed. Hiervan is geen sprake wanneer de werknemer de effecten reeds in zijn bezit had.

 

d.   Werknemer A heeft in 2000, overeenkomstig een spaarregeling effecten gespaard. Deze effecten zijn, onder toepassing van artikel 31, achtste lid, Wet LB, tot een bedrag van € 1.548 (f 3.412) aangemerkt als spaarloon. In 2001 worden de effecten verkocht voor een bedrag van € 2.269 (f 5.000). Welk deel van deze verkoopopbrengst moet op grond van artikel 16 URWW, in samenhang met artikel 6, onderdeel b, URWW op de spaarloonrekening worden teruggestort?

Het bedrag dat bij aankoop van de effecten is aangemerkt als spaarloon moet op de spaarloonrekening worden teruggestort. Werknemer A moet dus € 1.548 (f 3.412) van de verkoopopbrengst terugstorten op zijn spaarloonrekening.

16.            Uitsluiting groot aandeelhouder/enig werknemer

a.   Geldt de uitsluiting van de groot aandeelhouder/enig werknemer (artikel 23 URWW) ook als er twee of meer werknemers zijn die allen, al dan niet tezamen met een partner in de zin van artikel 1.2 Wet IB 2001 of een bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde van de aandelen bezitten van de vennootschap waarvoor zij werkzaam zijn?

De uitsluiting van de groot aandeelhouder/enig werknemer geldt alleen bij één werknemer, of bij twee werknemers die elkaars partner zijn in de zin van artikel 1.2 Wet IB 2001.

 

b.   Geldt de uitsluiting van de groot aandeelhouder/enig werknemer ook indien nieuw personeel wordt aangenomen dat aan de regeling mag meedoen?

Nee, indien sprake is van een reële personeelsuitbreiding niet .De uitsluiting geldt alleen gedurende de periode dat de groot aandeelhouder, eventueel samen met zijn partner in de zin aan artikel 1.2 Wet IB 2001, enig werknemer is.

 

c.   Mag een werknemer van een holding-BV deelnemen aan de spaarregeling of winstdelingsregeling van de werkmaatschappij waarbij hij niet in dienstbetrekking is?

Nee, het is van belang of de holding-BV voor haar werknemers een regeling heeft getroffen. De regelingen van verschillende inhoudingsplichtigen worden afzonderlijk beoordeeld.

 

d.   Geldt de uitsluiting van de groot aandeelhouder/enig werknemer ook wanneer de groot aandeelhouder enig werknemer is van een holding, die 100% van de aandelen bezit in een werkmaatschappij waar aan alle werknemers de mogelijkheid wordt geboden deel te nemen in eenzelfde spaarloonregeling als die aan de groot aandeelhouder/enig werknemer van de holding is aangeboden?

Ja. Het begrip “enig” werknemer moet per inhoudingsplichtige worden beoordeeld.