Toepassing reiskostenforfait. Optionele toepassing van de 20-dagenregeling. Langdurige onderbreking

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/3126M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

Het besluit van 26 januari 1995, nr. DB289M, nr. LB95/1 is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

1.         Inleiding

Het reiskostenforfait is van toepassing als een werknemer ten minste eenmaal per week pleegt te reizen van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats(en) waar arbeid wordt verricht en hij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug reist. De zogeheten 40-dagenregeling geeft hieraan met ingang van 1 januari 1997 wettelijk invulling.

 

Desgewenst kan het reiskostenforfait echter ook worden toegepast als de 40-dagenregeling niet leidt tot een verplichte toepassing van het reiskostenforfait, maar er wel wordt voldaan aan de zogeheten 20-dagenregeling.

 

Hieronder wordt eerst aangegeven wanneer de 20-dagenregeling van toepassing is. Vervolgens wordt aangegeven hoe de 20-dagenregeling kan worden toegepast bij een langdurige onderbreking.

2.         Toepassing 20-dagenregeling

De 20-dagenregeling is in de eerste plaats van toepassing als een werknemer op meer dan 20 opeenvolgende werkdagen heen en weer reist.

 

Ook is de 20-dagenregeling van toepassing als een werknemer:

 

-     doorgaans ten minste eenmaal per week reist tussen zijn woning of verblijfplaats en eenzelfde arbeidsplaats; en

 

-     dit reizen op meer dan 20 dagen plaatsvindt.

3.         Begripsbepaling voor de toepassing van de 20-dagenregeling bij een langdurige onderbreking

Week

Een week is een periode van zeven aaneengesloten dagen die aanvangt op maandag om 0.00 uur en eindigt op zondag om 24.00 uur.

Referentieperiode

Een referentieperiode is de periode, in weken uitgedrukt, waarin eenzelfde arbeidsplaats zonder lange onderbrekingen wordt bereisd.

De referentieperiode begint met de week waarin voor het eerst naar die arbeidsplaats wordt gereisd en eindigt met de week waarin voor het laatst naar die arbeidsplaats wordt gereisd.

Lange onderbreking

Een lange onderbreking is de periode waarin niet naar dezelfde arbeidsplaats wordt gereisd gedurende:

 

a.   hetzij, bij een te beschouwen periode van 26 weken of minder, 2 of meer aaneensluitende weken anders dan wegens verlof en/of ziekte;

 

b.   hetzij, bij een te beschouwen periode van meer dan 26 weken, 3 of meer aaneensluitende weken anders dan wegens verlof en/of ziekte;

 

c.   dan wel 6 of meer aaneensluitende volle weken wegens verlof en/of ziekte.

 

(NB: kortere onderbrekingen dan hiervoor onder a., b. of c. vermeld worden derhalve niet als onderbreking in aanmerking genomen.)

"Pleegt te reizen"

In een referentieperiode wordt "plegen te reizen" naar eenzelfde arbeidsplaats aangenomen:

 

a.   als in een referentieperiode op meer dan 20 dagen naar dezelfde arbeidsplaats wordt gereisd èn in de referentieperiode in minimaal 75% van het aantal weken tenminste eenmaal naar dezelfde arbeidsplaats wordt gereisd (wekennorm); of

 

b.   als in een referentieperiode tenminste eenmaal in elke week in aaneensluitende weken in totaal op meer dan 20 dagen naar dezelfde arbeidsplaats gereisd wordt.

 

De wekennorm wordt alleen toegepast op gehele reisperioden die beginnen en eindigen met een "lange onderbreking".

4.         Uitwerking

Indien volgens bovenstaande definities in een referentieperiode sprake is van "plegen te reizen" van de woning of verblijfplaats naar de arbeidsplaats, is in die referentieperiode het reiskostenforfait van

toepassing.

Voor de bepaling van het tabelbedrag van het reiskostenforfait, kan het aantal dagen per week waarop de werknemer naar dezelfde arbeidsplaats pleegt te reizen worden gesteld op het gemiddelde aantal reisdagen per week in de referentieperiode. Hierbij wordt afgerond op hele dagen (1/2 en minder naar beneden, meer dan 1/2 naar boven).

5.         Voorbeelden

Vooraf: de cijferreeksen in de voorbeelden geven het aantal reizen naar de arbeidsplaats in de opeenvolgende weken aan. De letter z geeft een volle week van ziekte aan.

voorbeeld 1

--------------- 5 5 5 5 0 1 0 1---------------

-     géén lange onderbrekingen tijdens referentieperiode: 1 referentieperiode;

-     > 20 dagen gereisd;

-     wekennorm: 75% (6 uit 8);

-     forfait van 3 dagen over de gehele periode (22 dagen in 8 weken).

voorbeeld 2

--------1 0 1 0 1 0 3 2 4 4 2 4 2 0 1 0 1 0 1 0 1 0 1 0 1---------------------------

-     géén lange onderbrekingen tijdens referentieperiode: 1 referentieperiode;

-     > 20 dagen gereisd;

-     wekennorm: 64% (16 uit 25);

-     geen forfait voor de hele periode, echter:

-     wel forfait over week 7 t/m 13: aaneensluitende weken waarin H 20 dagen is gereisd; forfait van 3 dagen (21 dagen in 7 weken).

voorbeeld 3

------------- 1 1 1 1 1 1 1 z z z z z z 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1------------------

-     ziekte vormt een lange onderbreking ( = 6 weken): 2 referentieperioden;

referentieperiode 1:

-     < 20 dagen;

-     geen forfait;

referentieperiode 2:

-     < 20 dagen;

-     geen forfait.

 

NB: In de genoemde voorbeelden wordt op minder dan 40 dagen in het kalenderjaar gereisd. De 40-dagenregeling is daarom niet van toepassing.

Het reiskostenforfait is dus niet verplicht van toepassing, maar desgewenst, naar keuze van de werkgever.

6.         Slotopmerking

Het besluit van 26 januari 1995, nr. DB/289M (V-N 1995/558.12), nr. Don‑LB95/1 (Infobulletin 1995/137) wordt hierbij ingetrokken.