Vragen en antwoorden over afdrachtverminderingen

 

Dienstonderdeel Belastingdienst/Centrum voor Proces- en Productontwikkeling, Domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 10 maart 2000,  nr. DB2000/252M[1]

1e herdruk van 20 december 2000, nr. CPP2000/2944M voor de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen; opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001

 

De Directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

 

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) en de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (hierna: Uitv reg WVA) heeft in de uitvoeringspraktijk vragen opgeroepen. Hierna wordt een overzicht gegeven van een aantal van de gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden.

 

Algemeen

 

1. WVA-loon/ niet verhaalde loonheffing bij de KJ-regeling

 

Vraag:

 

Een inhoudingsplichtige maakt gebruik van de KJ-regeling (vereenvoudigde regeling loonheffing voor meewerkende kinderen) en besluit de loonheffing niet te verhalen op de werknemer.

 

Behoort de niet op de werknemer verhaalde loonheffing tot het te toetsen loon?

 

Antwoord:

 

In het geval dat de inhoudingsplichtige het besluit tot niet verhalen eenmaal per jaar achteraf neemt, wordt de beloning eenmaal per jaar toegekend.

 

Loon dat in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar wordt toegekend, behoort ingevolge art. 1, eerste lid, onderdeel c, WVA niet tot het te toetsen loon.

 

2. Verrekening afdrachtvermindering bij meerdere subnummers

 

Vraag:

 

Een inhoudingsplichtige heeft één loonbelastingnummer met meerdere subnummers (L01, L02 enz.).

 

Op één subnummer is de te verrekenen afdrachtvermindering hoger dan de af te dragen loonheffing. Het is nu niet mogelijk de gehele vermindering op de af te dragen loonheffing in mindering te brengen. De aangifte mag op grond van art. 3, eerste lid, WVA immers niet op een negatief bedrag uitkomen.

 

Is hier een oplossing voor?

 

Antwoord:

 

Ja, er is sprake van één inhoudingsplichtige met één loonbelastingnummer. De niet te verrekenen afdrachtvermindering van het ene subnummer mag verrekend worden met een ander subnummer.

 

Bovenstaande geldt echter niet voor de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk, aangezien hier na afloop van het kalenderjaar een eindafrekeningsaangifte volgt.

 

Voorbeeld:

 

Een inhoudingsplichtige heeft twee subnummers.

 

In de maand januari is bij de L01 de af te dragen loonheffing f 10 000 (EUR 4 538) en het bedrag aan afdrachtvermindering is f 15 000 (EUR 6 807).

 

Bij de L02 is de af te dragen loonheffing f 20 000 (EUR 9 076) is er geen afdrachtvermindering.

 

De aangifte L01 luidt als volgt:

 

 

 

Af te dragen loonheffing        f 10 000 (EUR 4 538)

Afdrachtvermindering           f 10 000 (EUR 4.538)

                             --------

Per saldo af te dragen            nihil

 

 

 

Het restant van de afdrachtvermindering kan verrekend worden met de L02

 

De aangifte L02 luidt dan als volgt:

 

 

 

Af te dragen loonheffing        f 20 000 (EUR 9 076)

Afdrachtvermindering           f 5 000 (EUR 2 269)

                              -------

Per saldo af te dragen         f 15 000 (EUR 6 807)

 

 

 

 

3. Regeling voor seizoenwerknemers en WVA

 

Vraag:

 

De regeling voor seizoenwerknemers kent twee faciliteiten, te weten:

 

* vertraagde aangifte en afdracht;

 

* vertraagde vervulling van een gedeelte van de administratieve verplichtingen.

 

Mag toepassing van de afdrachtvermindering voor seizoenwerknemers ook vertraagd plaatsvinden?

 

Antwoord:

 

Op grond van artikel 27, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is de inhoudingsplichtige verplicht de in een tijdvak ingehouden loonbelasting op aangifte af te dragen. Hierdoor is hoofdstuk IV Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing. De afdracht dient op grond van artikel 19, eerste lid, van die wet binnen één maand na het einde van het aangiftetijdvak (kalenderkwartaal of -maand) overeenkomstig de aangifte gedaan te worden.

 

Toepassing van de regeling voor seizoenwerknemers heeft tot gevolg dat het tijdvak waarbinnen de aangifte en afdracht moet worden gedaan niet een maand is maar verlengd wordt tot vier maanden.

 

Omdat de afdrachtverminderingen voorzien in een vermindering van de per aangiftetijdvak af te dragen loonheffing (art. 3, eerste lid, WVA), kan een afdrachtvermindering met betrekking tot werknemers ten aanzien van wie de regeling voor seizoenwerknemers geldt, worden gerealiseerd bij de vertraagde aangifte en afdracht.

 

4. Afrondingen bij afdrachtverminderingen

 

Vraag:

 

Een inhoudingsplichtige rondt het bedrag van de afdrachtvermindering lage lonen per werknemer af op hele guldens (euro’s).

 

Is dit juist?

 

Antwoord:

 

Nee.

 

De bedragen die op de aangifte worden vermeld, mogen wel worden afgerond tot op hele guldens (euro’s).

 

5. Bepaling deeltijdfactor bij parttimer

 

Vraag:

 

In een CAO is bepaald dat het aantal arbeidsuren per week 40 bedraagt, inclusief 2 ADV-uren. Feitelijk werkt een fulltime werknemer 38 uren per week.

 

Een parttimer werkt 50%. Dient voor de bepaling van de deeltijdfactor te worden uitgegaan van 20 uur of van 19 uur?

 

Antwoord:

 

Men dient uit te gaan van 20 uur. De overeengekomen arbeidsduur in de zin van art. 6 WVA is immers 40 uren per week. De deeltijdfactor is dan 20/36.

 

(Doorstroom)afdrachtvermindering lage lonen

 

6. (vervallen)

 

7. (vervallen)

 

Afdrachtvermindering onderwijs

 

8. Afdrachtvermindering onderwijs en Vermeend/Moor werknemer (Wet bevordering arbeidsinpassing)

(vervallen)

 

9. Beëindiging leerovereenkomst bij afdrachtvermindering onderwijs

 

Vraag:

 

Leerovereenkomsten worden voor een bepaalde periode gesloten, bijvoorbeeld voor twee jaar. In een aantal gevallen wordt het vakexamen eerder gehaald dan de einddatum van de leerovereenkomst. In een aantal andere gevallen stopt de leerling voortijdig met de opleiding, terwijl het dienstverband wordt voortgezet. Mag, gelet op de periode die is aangegeven in de leerovereenkomst, de afdrachtvermindering onderwijs in deze gevallen worden toegepast?

 

Antwoord:

 

De afdrachtvermindering onderwijs is volgens artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de WVA van toepassing als de werknemer de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg 'volgt'.

 

Na het behalen van het examen kan niet meer worden gesproken van het volgen van de opleiding. De leerovereenkomst is beëindigd. De inhoudingsplichtige heeft voor de resterende periode geen recht meer op de afdrachtvermindering onderwijs.

 

In het geval de leerling de opleiding tussentijds beëindigt, is vanaf dat moment geen sprake meer van het volgen van de opleiding. Ook hier is de leerovereenkomst beëindigd en kan de afdrachtvermindering onderwijs niet meer worden toegepast.

 

Bij controle moet worden nagegaan of de opleiding daadwerkelijk is gevolgd in de periode waarover de afdrachtvermindering is toegepast.

 

Afdrachtvermindering zeevaart

 

10. Arbeidsonderbreking wegens ziekte bij zeevarenden

 

Vraag:

 

Gedurende welke periode kan de afdrachtvermindering zeevaart toepassing vinden met betrekking tot een zeevarende die wegens ziekte niet werkzaam is op een zeeschip.

 

Antwoord:

 

De afdrachtvermindering zeevaart is volgens artikel 17, eerste lid, van de WVA van toepassing met betrekking tot zeevarenden. Volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de WVA wordt onder zeevarende verstaan degene die als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel werkzaam is op een zeeschip dat in Nederland is geregistreerd en de Nederlandse vlag voert.

 

Of sprake is van een zeevarende moet worden beoordeeld op het tijdstip van inhouding. Ingeval het inhoudingstijdstip valt gedurende een kortstondige arbeidsonderbreking, bijvoorbeeld wegens verlof of ziekte, heft dit de status van zeevarende niet op.

 

Een werkgever zal met betrekking tot een zieke werknemer, na enige tijd een redelijke inschatting kunnen maken over de aard en de duur van de ziekte. Op het moment dat de werkgever, gelet op de aard van het ziektegeval en/of de revalidatieduur, in redelijkheid kan vermoeden dat de arbeidsonderbreking niet van korte duur zal zijn, kan de afdrachtvermindering niet langer worden toegepast. Van een kortstondige arbeidsonderbreking wegens ziekte kan in ieder geval niet meer worden gesproken vanaf het moment waarop de ziekte langer duurt dan drie aaneengesloten maanden.

 



[1] 1e herdruk van 20 december 2000, nr. CPP2000/2944M voor de heffing van de loonbelasting/premie volksverzekeringen; opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001.