LB-besluiten Wet IB 2001

 

De volgende besluiten zijn afgegeven in het kader van de invoering van het nieuwe belastingstelsel.

Het betreft vernieuwde besluiten die zijn uitgebracht voor het nieuwe belastingstelsel.

 

Loonbelasting: Voordeel uit renteloze of laagrentende personeelsleningen in verband met de eigen woning

Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/2748M

 

(…)

 

Voordeel uit renteloze of laagrentende personeelsleningen in verband met de eigen woning

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 20 december 2000, nr. CPP2000/2748M

 

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

 

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001 en de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

1.         Inleiding

Tot 1 januari 2001 gold een goedkeuring voor het niet tot het loon rekenen van bepaalde voordelen uit renteloze of laagrentende (hypothecaire) personeelsleningen. Deze goedkeuring was opgenomen in het besluit van 20 december 1996, nr. DB96/5160M. Dit besluit is met ingang van 1 januari 2001 vervallen.

 

In artikel 59 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001) is aangegeven onder welke voorwaarden en tot welke omvang een rentevoordeel uit een personeelslening tot de vrije verstrekkingen behoort. Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 15c van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2001) in verbinding met artikel 17, tweede lid, van die wet. In artikel 108 van de URLB 2001 is voor de jaren 2001 en 2002 een overgangsbepaling opgenomen voor het rentevoordeel uit personeelsleningen tot een gezamenlijk bedrag van f 7.499 (e 3403). In aanvulling op de genoemde artikelen geeft het onderhavige besluit regels voor het buiten de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen laten van – op zich – belaste voordelen uit personeelsleningen die zijn aangegaan in verband met een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 van de werknemer of diens partner in de zin van de Wet IB 2001.

2.         Goedkeuring

Uit praktische overweging keur ik goed dat met ingang van 1 januari 2001 onder de in onderdeel 3 genoemde voorwaarden de volgende rente- en kostenvoordelen uit personeelsleningen bij de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen bij wege van inhouding niet tot het loon worden gerekend: rente- en kostenvoordelen uit personeelsleningen, voorzover deze – zo de werknemer of diens partner ze zelf zou betalen – in het kalenderjaar waarin het desbetreffende loontijdvak valt aftrekbare kosten zouden vormen in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet IB 2001.

3.         Voorwaarden

Voor de goedkeuring als bedoeld in onderdeel 2 gelden de volgende voorwaarden:

 

De werknemer verklaart schriftelijk aan de inhoudingsplichtige, onder vermelding van het bestedingsdoel en onder bijvoeging van afschriften van aankoopbewijzen en kostennota's e.d., dat en in hoeverre de lening voor de inkomstenbelasting kan worden aangemerkt als een lening waarvan de rente en de kosten aftrekbare kosten zijn in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet IB 2001.

 

De inhoudingsplichtige bewaart de schriftelijke verklaring van de werknemer bij de loonadministratie. Desgewenst kan daarvan met overeenkomstige toepassing van artikel 68, derde lid van de URLB 2001 worden afgeweken.

 

De inhoudingsplichtige vermeldt jaarlijks op de loonbelastingkaart van de werknemer door middel van een codering dat sprake is van een personeelslening waarbij hij de rente- en/of kostenvoordelen op grond van de in onderdeel 2 bedoelde goedkeuring (gedeeltelijk) niet tot het loon heeft gerekend.

4.         Tot het loon te rekenen rente- en kostenvoordelen

Uiteraard bestaat de mogelijkheid om geen gebruik te maken van de hiervoor opgenomen goedkeuring. In dat geval moet de wettelijke regeling onverkort worden toegepast. De werknemer kan vervolgens het als loon in aanmerking genomen voordeel met inachtneming van de wettelijke bepalingen als aftrekpost opnemen in een verzoek om voorlopige teruggaaf van inkomstenbelasting en in zijn aangifte inkomstenbelasting.

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001.