MvM URLB 2011

Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011

 

(tekst 2011 - bijgewerkt voor http://www.loonheffing.nl/)

 

 

Vastgesteld op 8 september 2010, nr. DB 2010-178M, Stcrt 2010, 14212, zoals zoals laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 16 juni 2011, nr. DV 2011/283M, Stcrt. 2011, 11029.

 

INHOUDSOPGAVE (Red.: cursief is niet van toepassing bij keuze voor het oude regime.)

(aanhef)

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1.1 Reikwijdte

Artikel 1.2 Definities

HOOFDSTUK 2 BELASTINGPLICHT (HOOFDSTUK I VAN DE WET)

Artikel 2.1 Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden

Artikel 2.2 Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

Artikel 2.3 Niet-inhoudingsplichtigen

Artikel 2.4 Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

Artikel 2.5 Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest of een beroepssporter

Artikel 2.6 Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

HOOFDSTUK 3 VOORWERP VAN DE BELASTING (HOOFDSTUK II VAN DE WET)

Artikel 3.1 Loon voor de toepassing van enkele regelingen

Artikel 3.2 Niet tot het loon behorende aanspraken

Artikel 3.3 Geclausuleerd verlof

Artikel 3.4 Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

Artikel 3.5 Niet tot het loon gerekende premie

Artikel 3.6 Fooien en dergelijke prestaties van derden

Artikel 3.7 Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (waarde nihil)

Artikel 3.8 Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (lager dan waarde in het economische verkeer of factuurwaarde)

Artikel 3.9 Bepaling waarde privégebruik van openbaar vervoerkaart en voordeelurenkaart

Artikel 3.10 Bepaling waarde rentevoordeel personeelsleningen

Artikel 3.11 Bepaling waarde genot van de dienstwoning

Artikel 3.12 Bepaling waarde aanspraken, waaronder aanspraken op ziektekostenregelingen

Artikel 3.13 Privégebruik auto; rittenregistratie, loontijdvakken en verklaring geen privégebruik

HOOFDSTUK 4 PENSIOENREGELINGEN (HOOFDSTUK IIB VAN DE WET)

Artikel 4.1 Splitsing pensioenregeling

Artikel 4.2 Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Artikel 4.3 Samenloop verschillende pensioenstelsels

HOOFDSTUK 5 LEVENSLOOPREGELING (HOOFDSTUK IIC VAN DE WET)

Artikel 5.1 Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

Artikel 5.2 Levensloopregeling

Artikel 5.3 Levenslooprekening

Artikel 5.4 Levensloopverzekering

Artikel 5.5 Levenslooprecht van deelneming

Artikel 5.6 Maximale opbouw in een jaar

Artikel 5.7 Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening, bij een levensloopverzekering en bij een levenslooprecht van deelneming

Artikel 5.8 Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

Artikel 5.9 Kredietfaciliteit

Artikel 5.10 Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen

Artikel 5.11 Aangewezen buitenlandse aanbieders

HOOFDSTUK 6 TARIEF (HOOFDSTUK III VAN DE WET)

Artikel 6.1 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

Artikel 6.2 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken

Artikel 6.3 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

Artikel 6.4 Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen

HOOFDSTUK 7 WIJZE VAN HEFFING (HOOFDSTUK IV VAN DE WET)

Artikel 7.1 In de onderneming van de ouder werkzame kinderen

Artikel 7.2 Loonstaat

Artikel 7.3 Administratie uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet

Artikel 7.4 Jaaropgaaf

Artikel 7.5 Identificatieplicht

Artikel 7.6 Eerstedagsmelding

Artikel 7.7 Einde inhoudingsplicht

Artikel 7.8 Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht

Artikel 7.9 Opgave van gegevens door de werknemer

Artikel 7.10 Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

HOOFDSTUK 8 HEFFING VAN DE INHOUDINGSPLICHTIGE (HOOFDSTUK V VAN DE WET)

Artikel 8.1 Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

Artikel 8.2 Afgifte EVC-verklaringen

Artikel 8.3 Aangewezen regio’s uitgezonden werknemers

Artikel 8.4 Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

Artikel 8.5 Verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers

Artikel 8.6 Niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

Artikel 8.7 Geen regeling voor vervroegde uittreding

HOOFDSTUK 9 AANVULLENDE REGELINGEN (HOOFDSTUK VI VAN DE WET)

Artikel 9.1 Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten

Artikel 9.2 Berekening van de belasting bij aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten

Artikel 9.3 Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

Artikel 9.4 Samenvoeging van loon

Artikel 9.5 Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

Artikel 9.6 Informatieplicht bij loon van derde

Artikel 9.7 Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

HOOFDSTUK 10 BELASTINGHEFFING VAN ARTIESTEN EN BEROEPSSPORTERS (HOOFDSTUK VII VAN DE WET)

Artikel 10.1 Consumpties tijdens werktijd

Artikel 10.2 Gageverklaring

Artikel 10.3 Loonstaat

Artikel 10.4 Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

Artikel 10.5 Jaaropgaaf

Artikel 10.6 Identificatieplicht

Artikel 10.7 Uitzonderingen op de toepassing van artikel 10.3

HOOFDSTUK 11 BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE GEZELSCHAPPEN (HOOFDSTUK VIIA VAN DE WET)

Artikel 11.1 In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

Artikel 11.2 Consumpties tijdens werktijd

Artikel 11.3 Gageverklaring

Artikel 11.4 Loonstaat

Artikel 11.5 Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

Artikel 11.6 Identificatieplicht

Artikel 11.7 Uitzonderingen op de toepassing van artikel 11.4

HOOFDSTUK 12 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 12.1 Overgangsregeling loonbelastingverklaring

Artikel 12.2 Overgangsregeling niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

Artikel 12.2a Overgangsregeling gedeeltelijk drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

Artikel 12.3 Actuariële herrekening bij uitstel ingangsdatum

Artikel 12.4 Overgangsregeling aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling

Artikel 12.5 Verhoging maximale opbouw aanspraken ingevolge een levensloopregeling

Artikel 12.6 Toerekening van door afkoop pensioen ontstane aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan andere inhoudingsplichtige

Artikel 12.7 Toepassing keuzeregime

Artikel 12.7a Overgangsregeling saldering reiskosten

Artikel 12.8 Intrekking Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

Artikel 12.9 Inwerkingtreding

Artikel 12.10 Citeertitel

BIJLAGE BIJ DE TOELICHTING OP DE UITVOERINGSREGELING LOONBELASTING 2011

I.       Transponeringstabel van Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar URLB 2011

II.      Transponeringstabel van URLB 2011 naar Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

 

(aanhef)

De Minister van Financiën,

Handelende wat betreft de artikelen 8, 8a, 11, tweede lid, 12, 13 en 31 van de Wet op de loonbelasting 1964, in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Handelende wat betreft artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, in overeenstemming met de Minister van Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op de artikelen 5b, 6, 8, 8a, 11, 11a, 12, 13, 13bis, 18, 19a, 19f, 19g, 25, vierde lid, 26, zesde lid, 28, 28a, 29, 31, eerste lid, onderdeel c, 31a, 32ab, 32ba, 33, 35d, 35e, 35k, 35l en 35m van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 2e en 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

Besluit:

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

 

(Algemeen) De Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964) wordt met ingang van 1 januari 2011 door de introductie van de werkkostenregeling ingrijpend gewijzigd. In verband daarmee zouden veel wijzigingen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: de URLB 2001) moeten worden aangebracht. Daarom is ervoor gekozen een nieuwe uitvoeringsregeling op te stellen: de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (hierna: de URLB 2011).

In dat kader zijn ook de overige, niet met de werkkostenregeling samenhangende, bepalingen beoordeeld. Waar nodig is de tekst geactualiseerd en zijn met elkaar samenhangende artikelen samengevoegd. Voorts is voor de volgorde van de verschillende bepalingen aangesloten bij de volgorde waarin de bijbehorende delegatiebevoegdheden in de Wet LB 1964 zijn opgenomen. Tevens zijn enkele inhoudelijke aanpassingen en vereenvoudigingen aangebracht met betrekking tot de waardering van:

huisvesting en inwoning op de werkplek;

het rentevoordeel van personeelsleningen;

het genot van dienstwoningen.

In de artikelsgewijze toelichting wordt nader op eventuele wijzigingen in de tekst van de desbetreffende bepaling ingegaan. Daarbij is in beginsel ook steeds het artikel van de Wet LB 1964 vermeld, waarop de bepaling is gebaseerd en – voor zover van toepassing – het artikel uit de URLB 2001 waaraan de tekst is ontleend. Verder kan worden opgemerkt dat de toelichtingen op (de wijzigingen van) de artikelen uit de URLB 2001 waaraan de bepalingen van de URLB 2011 zijn ontleend, de inmiddels gevormde jurisprudentie en het gepubliceerde beleid ook van belang blijven voor de URLB 2011. Het gepubliceerde beleid en het voorlichtingsmateriaal worden waar nodig aangepast aan de URLB 2011.

Als bijlage bij deze toelichting is een tweetal transponeringstabellen opgenomen.

Voor een aantal op een later moment nog in te voegen en daarom vooralsnog op gereserveerd gestelde artikelen geldt dat hiervoor thans geen adequate delegatie in de wet is opgenomen. Het is de bedoeling die artikelen op te nemen in de URLB 2011 zodra de bedoelde delegatiebevoegdheden in de wet zijn opgenomen.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Algemeen) De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, van enkele overige uitvoeringsregelingen en van de Wet op de accijns, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 2011 (hierna: BP 2011), Overige fiscale maatregelen 2011 (hierna: OFM 2011) en de Fiscale verzamelwet 2010. Daarnaast betreft het zelfstandige wijzigingen en de implementatie van Europese regelgeving of internationale verdragen. Ook zijn bedragen en percentages geactualiseerd en aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen, zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd en zijn enige omissies hersteld. (...)

In de onderhavige regeling zijn wijzigingen aangebracht in: de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001), de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001), de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (hierna: URLB 2011), de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering, (...).

De meeste wijzigingen in de onderhavige regeling betreffen technische wijzigingen. Deze houden onder meer verband met de invoering van de werkkostenregeling, de uitvoering van de motie Jurgens c.s.1, het doortrekken van een bestaande anti-ontgaansbepaling inzake de VUT-heffing, (...).

Ook worden diverse regelingen aangepast in verband met de vervanging van de URLB 2001 door de URLB 2011. Ten slotte worden enkele terminologische aanpassingen doorgevoerd in verband met de staatskundige herziening van het Koninkrijk per 10 oktober 2010 en in verband met de wijziging van de namen van enkele ministeries sinds het aantreden van het nieuwe kabinet. (...)

Als bijlage bij deze toelichting zijn de bij de toelichting op de URLB 2011 behorende transponeringstabellen opgenomen in verband met de in de onderhavige regeling ter zake van de URLB 2011 opgenomen wijzigingen. (...)

(nr. DV 2011/283M, Stcrt. 2011, 11029, Algemeen) Onderhavige ministeriële regeling wijzigt enkele fiscale uitvoeringsregelingen en enige overige uitvoeringsregelingen. Het betreft wijzigingen die verband houden met de aftrek van verliezen op als directe beleggingen in durfkapitaal kwalificerende leningen, de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding, de ontheffing van de elektronische aangifte, de gegevensverstrekking met betrekking tot benoemde politieke ambtsdragers en de organisatorische verandering in de Belastingdienst. Voorts worden enige omissies hersteld en redactionele verbeteringen aangebracht. (...)

Fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding

De onderhavige regeling geeft tevens uitvoering aan de bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal Groot en Vermeij aangekondigde wijziging van de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding.(1) Daarbij wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 bewerkstelligd dat het bereik van de met ingang van die datum met betrekking tot die fiscale behandeling aangebrachte wijziging wordt beperkt tot situaties waarvoor die aanpassing was bedoeld. (...)

(1) Aanhangsel Handelingen II 2010/11, nr. 2101.

 

Artikel 1.1 Reikwijdte

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 5b, 6, 8, 8a, 11, 11a, 11b, 12, 13, 13bis, 18, 19a, 19f, 19g, 25, vierde lid, 26, zesde lid, 27, 28, 28a, 29, 31, eerste lid, onderdeel c, 31a, 32ab, 32ba, 33, 35, 35d, 35e, 35g, 35k, 35l, 35m en 39c, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en de artikelen 2e en 10e van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

 

Deze bepaling noemt de bepalingen waaraan deze regeling uitvoering geeft. De tekst is ontleend aan artikel 1 van de URLB 2001, met dien verstande dat de bepaling is geactualiseerd.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) De URLB 2011 geeft met ingang van 1 januari 2011 eveneens uitvoering aan de artikelen 27, 35, 35g en 39c, eerste lid, van de Wet LB 1964 en artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB 1965) en niet meer aan artikel 8 van dat besluit. Artikel 1.1. van de URLB 2011 wordt op dat punt aangepast.

(nr. DV 2011/283M, Stcrt. 2011, 11029, Artikelsgewijs) Met ingang van 1 januari 2011 geeft de URLB 2011 tevens uitvoering aan artikel 11b van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). Laatstgenoemd artikel was abusievelijk nog niet opgenomen in artikel 1.1 van de URLB 2011. Met de onderhavige wijziging wordt deze omissie met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 hersteld. Daarnaast wordt een redactionele verbetering aangebracht.

 

Artikel 1.2 Definities

1.         Deze regeling verstaat onder:

a. wet:

de Wet op de loonbelasting 1964;

b. besluit:

het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

c. belasting:

ingeval artikel 27b, eerste lid, van de wet van toepassing is: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen;

d. inhoudingsplichtigenverklaring:

de verklaring dat degene aan wie die verklaring is afgegeven ten aanzien van artiesten of beroepssporters als inhoudingsplichtige is aangewezen;

e. Minister:

de Minister van Financiën

f. werkplek:

iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt en waarvoor voor de inhoudingsplichtige de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is, met dien verstande dat niet als werkplek wordt aangemerkt een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1 van de Huisvestingswet, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer;

g. verbonden vennootschap:

een verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de wet;

h. jaaropgaaf:

de opgave van het in het kalenderjaar genoten loon, de ingehouden belasting en andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;

i. heffingskorting:

de standaardloonheffingskorting, bedoeld in artikel 21c van de wet.

2.         In deze regeling wordt onder een uitkering ingevolge een sociale verzekeringswet mede verstaan de toeslag die ingevolge de Toeslagenwet wordt verleend op die uitkering.

 

Deze bepaling, waarin voor de URLB 2011 van belang zijnde begrippen worden gedefinieerd, is grotendeels ontleend aan artikel 2 van de URLB 2001. Het begrip openbaar vervoer is niet meer gedefinieerd omdat dit begrip niet meer in de URLB 2011 gebruikt wordt.

Nieuw is de definitie van het begrip werkplek, die is opgenomen in het eerste lid, onderdeel f. Dit begrip is van belang voor een waardering lager dan de waarde in het economische verkeer van het genot van voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden. Dergelijke verstrekkingen, die in het algemeen verbonden zijn met de bedrijfsvoering van de werkgever, worden naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als loon ervaren, ook al kan sprake zijn van enig privévoordeel.

De werkplek is in dit kader gedefinieerd als iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt gebruikt en waarvoor de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet verantwoordelijk is, met dien verstande dat – tenzij expliciet anders bepaald – niet als werkplek wordt aangemerkt een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1 van de Huisvestingswet, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer.

Het gaat om de werkplek in ruime zin, waaronder bijvoorbeeld ook vergaderzalen, bedrijfskantines en de parkeergarage op het bedrijfsterrein vallen. De definitie van het begrip werkplek sluit aan bij de verantwoordelijkheid van de werkgever voor de arbeidsplaats en bij de zorgplicht voor te treffen voorzieningen. De ruime werking van de Arbeidsomstandighedenwet maakt ook een ruime uitleg voor de werkplek mogelijk. In een samenleving waar de opvattingen over plaatsgebonden werken zich ontwikkelen past de ruime definitie van de werkplek niet alleen bij de meer traditionele werkplekken, zoals het bureau of de lopende band, maar ook bij nieuwere vormen van werken, althans voor zover de zorgplicht van de inhoudingsplichtige zich daartoe uitstrekt. De definitie van werkplek is niet zo ruim dat bij werken onderweg, zoals bij het bewerken van mail in de trein of bus, sprake is van een werkplek. Ook ingeval de journalist zijn stukjes schrijft in een horecagelegenheid, is dat – gelet op het ook in die situatie ontbreken van de ARBO-verantwoordelijkheid van de werkgever – niet voldoende om de desbetreffende horecagelegenheid als werkplek van de journalist aan te merken.

De zorgplicht van de inhoudingsplichtige voor de werkplek kan blijken uit een ARBO-plan of uit de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) die een werkgever op grond van de Arbeidsomstandighedenwet moet maken. De ruime uitleg van het begrip werkplek ziet bijvoorbeeld ook op de situatie van een gemeentelijke hovenier die de openbare beplanting verzorgt, of van een bouwvakker die graafwerkzaamheden in de openbare ruimte verricht.

De ARBO-verantwoordelijkheid van de werkgever voor de werkplek ziet ook op uitzendkrachten en andere inleensituaties.

Tegelijk past een ruime definitie van de werkplek bij de met de werkkostenregeling beoogde vereenvoudiging. De definitie ziet op de meer traditionele werkplek, zoals dat bijvoorbeeld voor kantoorpersoneel een kamer of een bureau in een kantoortuin betreft, voor productiepersoneel de fabriekshal, of voor keukenpersoneel een keuken. De definitie omvat bijvoorbeeld voor een vrachtwagenchauffeur of een piloot ook (een cabineruimte van) een vrachtauto respectievelijk een vliegtuig en voor een machinist of conducteur een trein. Tevens vallen algemene ruimtes onder de definitie, bijvoorbeeld de fietsenstalling, de aanwezige fitnessruimte en de parkeergarage op het bedrijfsterrein, mits voor de inhoudingsplichtige van de werknemer hier de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is.

Wat betreft de werkplek in een woning van de werknemer is een beperking aangebracht. Een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1 van de Huisvestingswet, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer wordt niet als werkplek aangemerkt. Dit betreft niet alleen werkplekken in woningen die als hoofdverblijf dienen, maar bijvoorbeeld ook werkplekken in vakantiewoningen. Ook is niet van belang of er sprake is van een koopwoning of van een huurwoning. In geval van een werkplek in een woning is de rol van de werkgever beperkt en speelt de privévoorkeur van de werknemer een sterke rol. Daardoor is bij dergelijke voorzieningen niet of nauwelijks sprake van loon met een gebonden karakter zoals dat wel het geval is bij voorzieningen op de werkplek die onder verantwoordelijkheid van de inhoudingsplichtige valt. Een lage waardering van dergelijke voorzieningen in het privédomein van de werknemer ligt dan ook niet voor de hand. De forfaitaire ruimte is juist bedoeld voor verstrekkingen met een dergelijk ongebonden karakter.

 

HOOFDSTUK 2 BELASTINGPLICHT (HOOFDSTUK I VAN DE WET)

Artikel 2.1 Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden

1.         Aan het in artikel 5b, eerste lid, onder 2°, van de wet bedoelde aannemelijk maken wordt voldaan, indien degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt:

a.         voor aanvang van het optreden of de sportbeoefening aan de hand van een document – waarvan hij een afschrift voor controle beschikbaar houdt – als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van ten minste het merendeel van de leden heeft vastgesteld dat zij inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden;

b.         beschikt over de volgende documenten:

1°.      een afschrift van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht dat betrekking heeft op de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap;

2°.      een schriftelijke verklaring van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van of gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden;

3°.      een schriftelijke overeenkomst betreffende het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland, of een afschrift van die overeenkomst, waarin het gezelschap als vestigingsland vermeldt een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden, en

4°.      een afschrift van een bank- of girorekening waaruit blijkt dat de gage van het gezelschap is overgemaakt naar een rekeninghouder die woont of is gevestigd in het in onderdeel c bedoelde vestigingsland.

2.         Het eerste lid is niet van toepassing indien aan degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of aan degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, onjuiste verklaringen, documenten of gegevens zijn verstrekt en deze dit weet of redelijkerwijs had moeten weten.

 

De tekst van deze op artikel 5b van de Wet LB 1964 gebaseerde bepaling is ontleend aan artikel 2a van de URLB 2001, met dien verstande dat de tekst, vooruitlopend op de transitie van de Nederlandse Antillen, die voorzien is in het najaar van 2010, is geactualiseerd.

In verband met het opheffen van de Nederlandse Antillen als land, en de staatkundige herindeling van de eilanden die voorheen tot de Nederlandse Antillen behoorden, wordt in artikel 2.1 van de URLB 2011 verwezen naar ‘Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden’ in plaats van   zoals in artikel 2a van de URLB 2001 – naar ‘de Nederlandse Antillen of Aruba’.

 

Artikel 2.2 Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

1.         De arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht, wordt niet als dienstbetrekking beschouwd, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a.         met betrekking tot de arbeidsverhouding van de sekswerker wordt voldaan aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden;

b.         met betrekking tot de inkomsten van de sekswerker wordt voldaan aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden;

c.         de exploitant leeft de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens alsmede artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen na;

d.         artikel 2g van het besluit wordt toegepast;

e.         de exploitant verstrekt het voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst over de arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht, aan de sekswerker;

f.          de exploitant heeft met de sekswerker een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin wordt verklaard dat aan de onderdelen a tot en met e zal worden voldaan;

g.         de exploitant voldoet met betrekking tot al zijn arbeidsverhoudingen met degenen die als sekswerker persoonlijk arbeid verrichten, aan de onderdelen a tot en met f;

h.         de exploitant draagt, binnen de geldende betalingstermijnen, de verschuldigde loonbelasting, premie volksverzekeringen, omzetbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet af en leeft hoofdstuk 7 na;

i.           de administratie van de exploitant is duidelijk en inzichtelijk en de exploitant voldoet aan artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

j.          de exploitant heeft een vergunning voor het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling indien dat vereist is op grond van de daarvoor geldende regels;

k.         de exploitant is met de Belastingdienst schriftelijk overeengekomen dat hij zal voldoen aan de voorwaarden in dit lid.

2.         De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarden met betrekking tot de arbeidsverhouding van de sekswerker zijn dat:

a.         de sekswerker werkzaamheden kan weigeren en de eigen werktijden bepaalt;

b.         de sekswerker vrij is in de kledingkeuze, mits de gekozen kleding gangbaar is in de branche;

c.         de sekswerker mag weigeren om alcohol te drinken, en

d.         de sekswerker vrij is in de keuze van een medische begeleider.

3.         De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voorwaarden met betrekking tot de inkomsten van de sekswerker zijn dat:

a.         de afspraken met betrekking tot de inkomsten schriftelijk zijn vastgelegd en worden nageleefd, en door de werkgever bij de administratie worden bewaard;

b.         de exploitant bij iedere uitbetaling van inkomsten een overzicht aan de sekswerker verstrekt en aan het eind van het jaar een jaaroverzicht van de inkomsten verstrekt;

c.         de inkomsten direct opeisbaar zijn;

d.         de exploitant de sekswerker geen boeten volgens een boetesysteem of vergelijkbaar systeem in rekening brengt, en

e.         de vergoeding voor extra werkzaamheden, die niet vooraf zijn overeengekomen met een cliënt, volledig toekomt aan de sekswerker.

4.         Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a. inkomsten van de sekswerker:

al hetgeen door de sekswerker uit de arbeidsverhouding met de exploitant wordt genoten;

b. exploitant:

degene op wie de verplichting rust het loon van de sekswerker te betalen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 4 van de Wet LB 1964 en artikel 2e, vierde lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB 1965). De tekst is ontleend aan artikel 2b van de URLB 2001.

 

Artikel 2.3 Niet-inhoudingsplichtigen

1.         Niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd:

a.         United Nations:

1°.      International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY);

2°.      International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR);

3°.      International Court of Justice (ICJ);

4°.      United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR);

5°.      Maastricht Economic and social Research and training centre on Innovation and Technology (UNU-MERIT);

6°.      International institute for Infrastructural, Hydraulic and Environmental Engineering, Institute for Water Education (UNESCO-IHE);

7°.      Special Tribunal for Lebanon;

8°.      Special Court for Sierra Leone;

b.         International Criminal Court (ICC);

c.         Permanent Court of Arbitration;

d.         Hague Conference on Private International Law;

e.         North Atlantic Treaty Organization (NATO):

1°.      NATO C3 Agency;

2°.      Joint Force Command Headquarters Brunssum (JFC HQ Brunssum);

3°.      NATO AEW&C Programme Management Agency (NAPMA);

f.          European Union:

1°.      Vertegenwoordiging van de Europese Commissie;

2°.      Voorlichtingsbureau van het Europese Parlement;

3°.      European Police Office (Europol);

4°.      European Union’s Judicial Cooperation Unit (Eurojust);

g.         Office of the High Commissioner on National Minorities of the Organisation for Security and Cooperation in Europe (HCNM/OSCE);

h.         Eurocontrol;

i.           European Space Agency / European Space Research and Technology Center (ESA/ESTEC);

j.          European Patent Organisation;

k.         Technical Centre for Agriculture and Rural Cooperation (CTA);

l.           Iran-United States Claims Tribunal;

m.       African Management Services Company BV (AMSCO);

n.         International Organisation for Migration (IOM);

o.         Common Fund for Commodities (CFC);

p.         Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW);

q.         Benelux Office for Intellectual Property;

r.          Institute for Energy;

s.         Centre for Integrated Surveys: International Institute for Aerial Survey and Earth Sciences (ITC-UNESCO);

t.          Nederlandse Taalunie.

 

2.         De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 6, vierde lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 3 van de URLB 2001, met dien verstande dat de lijst met internationale organisaties die niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd is geactualiseerd, omdat enerzijds een aantal organisaties niet langer in Nederland is gevestigd en anderzijds een aantal, andere organisaties zich nu juist recentelijk in Nederland heeft gevestigd.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) De in artikel 2.3 van de URLB 2011 opgenomen lijst met internationale organisaties die niet-inhoudingsplichtig zijn, wordt door de onderhavige wijziging geactualiseerd en opnieuw ingedeeld. Bij de actualisering is het uitgangspunt gehandhaafd dat organisaties op de lijst worden opgenomen waarmee op enigerlei wijze, bijvoorbeeld in een zetelverdrag, is overeengekomen dat de betreffende organisatie geen inhoudingsplichtige voor de loonbelasting is. Bij de indeling is, voor zover overeenkomstig, de indeling aangehouden van de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010.

 

Artikel 2.4 Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

In afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet wordt ten aanzien van de hulp van de thuiswerker die doorgaans voor een opdrachtgever arbeid verricht, de opdrachtgever van die thuiswerker als inhoudingsplichtige aangewezen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8, onderdeel b, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 4 van de URLB 2001.

 

Artikel 2.5 Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest of een beroepssporter

1.         In afwijking van artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet wordt, voor zover de voor het optreden van een artiest of de sportbeoefening van een beroepssporter overeengekomen gage, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet, wordt verstrekt aan degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring, als inhoudingsplichtige aangewezen: degene aan wie die verklaring is afgegeven.

2.         Voor zover degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven gage van artiesten of beroepssporters verstrekt aan een ander aan wie een zodanige verklaring is afgegeven, wordt in zijn plaats die ander als inhoudingsplichtige aangewezen.

3.         Een inhoudingsplichtigenverklaring kan op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden afgegeven aan:

a.         de artiest of beroepssporter die als leider van een gezelschap optreedt;

b.         de leider van een gezelschap die, of het lichaam in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat het optreden van artiesten of de sportbeoefening van beroepssporters overeenkomt;

c.         degene met wie of degene door wiens bemiddeling het optreden van artiesten of de sportbeoefening van beroepssporters wordt overeengekomen;

d.         degene die als onderneming uitoefent het verrichten van administratieve werkzaamheden voor derden, en de inhoudingsplicht en de daarmee samenhangende verplichtingen overneemt van degene met wie de artiest of de beroepssporter het optreden respectievelijk de sportbeoefening is overeengekomen.

4.         De inspecteur geeft geen inhoudingsplichtigenverklaring af indien de persoon of het lichaam, bedoeld in het derde lid, niet in Nederland woont of is gevestigd.

5.         De inhoudingsplichtigenverklaring is van toepassing gedurende een termijn van ten hoogste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte.

6.         Degene aan wie de inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven, bewaart het origineel van deze verklaring bij zijn loonadministratie en verstrekt een kopie van deze verklaring aan degene die op grond van artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn, ter bewaring bij diens loonadministratie.

7.         De inspecteur trekt bij voor bezwaar vatbare beschikking de inhoudingsplichtigenverklaring in, indien:

a.         de verklaring haar belang heeft verloren;

b.         de op de verklaring vermelde gegevens niet juist zijn of niet meer juist zijn;

c.         degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring niet meer in Nederland woont of is gevestigd;

d.         degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring bij herhaling de inhoudingsplicht of de daarmee samenhangende verplichtingen niet nakomt;

e.         degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring geen kopie van die verklaring verstrekt aan degene die op grond van artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8a, derde lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 5 van de URLB 2001 en is geactualiseerd. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel 2.6 Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

Indien artikel 2.5 niet van toepassing is en met de Minister is overeengekomen dat de belasting zal worden ingehouden door een ander dan degene met wie de sportbeoefening is overeengekomen ten aanzien van de beroepssporter, wordt in afwijking van artikel 8a, eerste en tweede lid, van de wet als inhoudingsplichtige aangewezen: degene die op grond van de overeenkomst de inhouding overneemt.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8a, derde lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 6 van de URLB 2001.

 

HOOFDSTUK 3 VOORWERP VAN DE BELASTING (HOOFDSTUK II VAN DE WET)

Artikel 3.1 Loon voor de toepassing van enkele regelingen

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet, en van artikel 3.2, onderdeel b, wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:

a.         artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet vindt geen toepassing;

b.         tantièmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 8 van de URLB 2001.

 

Artikel 3.2 Niet tot het loon behorende aanspraken

Tot het loon behoren niet:

a.         aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking anders dan wegens arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

b.         aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, indien deze uitkering driemaal het loon van een maand niet overtreft;

c.         aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen in door de Minister aan te wijzen gevallen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11, tweede lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 7 van de URLB 2001.

 

Artikel 3.3 Geclausuleerd verlof

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 2°, van de wet wordt als geclausuleerd verlof aangewezen: verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend, zoals buitengewoon verlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof, kraamverlof, ouderschapsverlof, adoptieverlof, verlof in verband met pleegzorg, calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, kort- en langdurend zorgverlof, educatief verlof, politiek verlof en palliatief verlof.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 2°, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 11 van de URLB 2001 met dien verstande dat een tekstuele wijziging heeft plaatsgevonden om de gebruikte begrippen in overeenstemming te brengen met terminologie uit de Wet arbeid en zorg. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd.

 

Artikel 3.4 Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

1.         De minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering, bedoeld in artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, van de wet, wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.


 

Ingeval de gerechtigde tot de uitkeringen, bedoeld in artikel 11a, derde lid, van de wet bij ingang van de uitkeringen, een leeftijd heeft bereikt van

maar nog niet de leeftijd heeft bereikt van

bedraagt de minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering het in deze kolom vermelde aantal jaren

I

II

III

25

18

25

30

15

30

35

12

35

40

9

40

45

6

45

50

4

50

55

3

55

60

2

60

1

 

2.         Ingeval de uitkeringen toekomen aan kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, bedraagt het aantal jaren tussen de eerste en de laatste uitkering, in afwijking van het eerste lid, nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 12 van de URLB 2001.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) De tabel in artikel 3.4 van de URLB 2011 ter zake van de minimale uitkeringsperiode bij een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht, wordt met deze wijziging geactualiseerd. De minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering, zoals genoemd in de derde kolom van de tabel, is gebaseerd op de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde overlevingstafels 2003–2008. De levensverwachting is gestegen voor met name mannen en vrouwen in de leeftijdscategorieën tot 45 jaar.

De geactualiseerde tabel is uitsluitend van toepassing in situaties waarin de eerste uitkering op of ná 1 januari 2011 plaatsvindt. Voor situaties waarin de eerste uitkering reeds vóór 1 januari 2011 heeft plaatsgevonden, blijft de tabel zoals opgenomen in artikel 12 van de URLB 2001 zoals die per 31 december 2010 luidde, van toepassing.

 

Artikel 3.5 Niet tot het loon gerekende premie

Tot het loon behoort niet de krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verstrekte premie, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, mits in het jaar waarin de premie is verstrekt geen vergoeding is genoten als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel c, van dat besluit.

 

Het is de bedoeling om dit artikel in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 op te nemen zodra  een adequate delegatiebevoegdheid in de wet is opgenomen. Een voorstel voor deze delegatiebevoegdheid wordt op korte termijn aanhangig gemaakt.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Door het gereserveerde artikel 3.5 wordt geregeld dat de krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen toegekende eenmalige premie, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, niet tot het fiscale loon wordt gerekend, mits niet tevens een vergoeding voor vrijwilligerswerk wordt genoten als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel c, van dat besluit. Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan de met ingang van 1 januari 2011 in artikel 11b, onderdeel b, van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiegrondslag. De eenmalige premie, bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, betreft de premie van ten hoogste € 2253 per kalenderjaar die door burgemeester en wethouders kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

 

Artikel 3.6 Fooien en dergelijke prestaties van derden

1.         Fooien en dergelijke prestaties van derden worden niet tot het loon gerekend, voor zover bij het bepalen van het voor de werknemer rechtens geldende loon met het ontvangen van deze fooien of dergelijke prestaties van derden geen rekening is gehouden.

2.         De werknemer die werkzaam is bij een onderneming waarin horeca-activiteiten worden verricht en die van zijn werkgever niet ten minste het voor hem rechtens geldende loon ontvangt, wordt geacht fooien en dergelijke prestaties van derden te genieten tot een bedrag ter grootte van dat rechtens geldende loon verminderd met het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon. Indien de werkgever in overeenstemming met de werknemer het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden op een hoger bedrag schat, wordt van dat geschatte bedrag uitgegaan.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 12 van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 17 van de URLB 2001.

 

Artikel 3.7 Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (waarde nihil)

1.         De waarde van de volgende voorzieningen, in redelijkheid, wordt gesteld op nihil, ingeval deze geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden:

a.         voorzieningen waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken;

b.         voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet;

c.         ter beschikking gestelde kleding die:

1°.      uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen;

2°.      per kledingstuk is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70cm², of

3°.      achterblijft op de werkplek;

d.         consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd;

e.         ter beschikking gestelde hulpmiddelen, waaronder computers en dergelijke apparatuur, gereedschappen en toebehoren, die ook elders gebruikt kunnen worden en die geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden;

f.          ter beschikking gestelde mobiele communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke apparatuur – waarvan het zakelijke gebruik van meer dan bijkomstig belang is;

g.         huisvesting en inwoning, met inbegrip van – indien mede verstrekt – het genot van energie, water en bewassing, ter vervulling van de dienstbetrekking, indien de werknemer niet op de werkplek woont en zich redelijkerwijs niet aan deze voorziening kan onttrekken.

2.         In afwijking in zoverre van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, in geval van thuiswerk in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet onder werkplek tevens verstaan een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1 van de Huisvestingswet, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer.

 

Bij de invoering van de werkkostenregeling is in artikel 13, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964 een delegatiebepaling opgenomen om voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden te waarderen op een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer dan wel de factuurwaarde. Het ruim op te vatten begrip voorzieningen ziet op allerlei faciliteiten, in zeer uiteenlopende situaties, die de werkgever aan de werknemer ter beschikking stelt om de werkzaamheden te kunnen uitoefenen, maar waarvan de werknemer mogelijk ook voor zijn persoonlijke aangelegenheden gebruik kan maken. De werkgever heeft de mogelijkheid om het gebruik van de werkplek als zodanig en de aldaar getroffen voorzieningen geheel en naar eigen inzicht in te richten en te bepalen. Maakt een werkgever daarvan optimaal gebruik, dan heeft dit tot positief gevolg dat de verstrekking van deze voorzieningen niet ten laste gaat van de forfaitaire ruimte, maar dat deze verstrekkingen op nihil worden gewaardeerd. Een werkgever die er echter voor kiest om zijn werknemers leidend te laten zijn in hun keuze rond de inrichting van de werkplek en de aldaar te treffen voorzieningen en aan hen daarvoor een vergoeding betaalt, anders dan voor intermediaire kosten, zal na aanwijzing als eindheffingsbestanddeel deze kosten ten laste van de forfaitaire ruimte moeten brengen. Een verschil in behandeling tussen vergoedingen en verstrekkingen is inherent aan de systematiek van de werkkostenregeling met nadere bepalingen voor de waardering van voorzieningen op de werkplek.

In de artikelen 3.7 en 3.8 van de URLB 2011 wordt invulling gegeven aan de delegatiebevoegdheid om de verstrekking van bepaalde voorzieningen lager te waarderen dan op de waarde in het economische verkeer of factuurwaarde. Voorwaarde voor de toepassing van artikel 3.7 van de URLB 2001 is daarbij – zoals uit het voorgaande volgt – dat deze voorzieningen geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden. Voor werkplekgerelateerde voorzieningen die ook elders – buiten de werkplek – kunnen worden gebruikt geldt aanvullend een zakelijkheidstoets. Gebruik ziet op de situatie waarbij de werkgever het gebruik van een voorziening toestaat. Dit betreft bijvoorbeeld de mogelijkheid om op de werkplek mede privé te internetten of te telefoneren. Gebruik ziet ook op de situatie waarin de werkgever een zaak in bruikleen geeft aan de werknemer, die bij wijziging van omstandigheden – bijvoorbeeld door beëindiging van de dienstbetrekking – weer ingeleverd moet worden, zoals dat bij een computer vaak het geval is. Om te verduidelijken dat het niet ziet op de situatie dat de eigendom overgaat naar de werknemer, wordt de term ‘ter beschikking gesteld’ gebruikt. Voor het gebruik van dergelijke ter beschikking gestelde voorzieningen is een nihilwaardering van toepassing. Worden dergelijke voorzieningen verstrekt, waarbij de eigendom overgaat, dan geldt deze nihilwaardering in zoverre niet. Een dergelijke verstrekking leidt tot individueel loon van de werknemer of valt – bij aanwijzing als eindloonbestanddeel – in de forfaitaire ruimte dan wel in de grondslag waarover de eindheffing wordt berekend.

Verbruik heeft, anders dan gebruik, meer een eenmalig karakter (per verstrekking), zoals dat bijvoorbeeld bij consumpties op de werkplek of bij maaltijden op de werkplek het geval is.

De in artikel 3.7, eerste lid, van de URLB 2011 opgenomen bepaling voorziet erin dat het genot van de in dat lid genoemde geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikte of verbruikte voorzieningen op de (in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011 gedefinieerde) werkplek op nihil wordt gewaardeerd. Voorwaarde voor de nihilwaardering is – in lijn met de voorwaarde die gold onder de werking van artikel 15a van de Wet LB 1964 zoals dat luidt op 31 december 2010 – dat een dergelijke verstrekking in redelijkheid gedaan wordt.

Het betreft een diversiteit aan voorzieningen, die op de werkplek worden getroffen en veelal de keuze zijn van de werkgever, die dergelijke voorzieningen in het belang van het arbeidsproces of het bedrijfsproces noodzakelijk vindt en daarom bepaalde kosten wil maken of vanwege wettelijke verplichtingen moet maken. Voor zover in het gebruik van voorzieningen op de werkplek al een element van een voordeel te onderkennen valt – zoals een paar kopieën van privéstukken, het (privé) gebruik van internet of de behandeling van privémail onder werktijd – is het gebruikelijk en gewenst een dergelijk voordeel buiten beschouwing te laten bij de bepaling van het loon.

Voorzieningen die niet elders gebruikt of verbruikt worden (eerste lid, onderdeel a)

De in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de URLB 2011 opgenomen bepaling voorziet erin dat het genot van voorzieningen waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken, op de (in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011 gedefinieerde) werkplek op nihil wordt gewaardeerd. Voor de meeste voorzieningen op de werkplek zal het overigens duidelijk zijn dat het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken.

Het gaat in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, om het genot van de inrichting van de werkplek in brede zin, waaronder het gebruik van de werkplek zelf, zoals van de vaste computer, van het kopieerapparaat en van de vaste telefoon. Als voorbeeld van voorzieningen op de werkplek kan gedacht worden aan de koffie- en frisdrankautomaat, de fietsenstalling of de parkeergarage in het bedrijfsgebouw van de werkgever. Een ander voorbeeld betreft een medewerker van een zwembad (zijn werkplek). Het genot van het gebruik van het zwembad wordt op nihil gewaardeerd. Tevens wordt het genot van het gebruik van een fitnessruimte op de werkplek op nihil gewaardeerd.

Ook ter beschikking gestelde materialen, gereedschappen en hulpmiddelen die op de werkplek gebruikt worden zijn – voor zover het gebruikelijk is deze daar na afloop van de werktijd achter te laten – te rangschikken onder voorzieningen op de werkplek waarvan de waarde op nihil wordt gesteld. Te denken valt aan schrijfgerei, papier en dergelijke.

ARBO-verstrekkingen (eerste lid, onderdeel b)

In artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de URLB 2011 is bepaald dat geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikte of verbruikte voorzieningen, in redelijkheid, op de (in het tweede lid nader gedefinieerde) werkplek die rechtstreeks voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet, op nihil worden gesteld. De samenwerking tussen werkgever en werknemers om te komen tot een arbeidsomstandighedenbeleid op grond van de Arbeidsomstandighedenwet leidt tot wat in de praktijk vaak een ARBO-plan genoemd wordt. Voorzieningen die de werkgever verstrekt of aanbrengt op grond van een dergelijk ARBO-plan, worden op nihil gewaardeerd.

Van werkplekgerelateerde voorzieningen in het kader van het arbeidsomstandighedenbeleid dat een werkgever voert, is bijvoorbeeld sprake bij geneeskundige keuringen of bij inentingen in het kader van preventie- en verzuimbeleid. Ook bij een veiligheidsbril met geslepen glazen voor een laborant of lasser, een zonnebril voor een chauffeur of piloot, of een beeldschermbril kan sprake zijn van een werkplekgerelateerde verstrekking in het kader van het arbeidsomstandighedenbeleid van een werkgever. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een EHBO-cursus, speciale isolerende of beschermende kleding of een stoelmassage op de werkplek, maar bijvoorbeeld niet voor het verstrekken van een fiets teneinde het welzijn en de gezondheid van werknemers in het algemeen te bevorderen. Voor het verstrekken van een fiets biedt de werkkostenregeling wel andere mogelijkheden, zoals het aanwijzen van de fiets als eindheffingsbestanddeel. Aan een dergelijke verstrekking worden geen nadere voorwaarden gesteld.

Een voorwaarde voor de nihilwaardering van de voorzieningen in het kader van het gevoerde arbeidsomstandighedenbeleid is dat de inhoudingsplichtige die voorzieningen in redelijkheid doet. Daarbij spelen de feiten en omstandigheden van het geval een rol. Een zeer dure, luxe zonnebril voor een chauffeur of piloot, is een voorbeeld van een voorziening die niet in redelijkheid op nihil gewaardeerd kan worden. In een dergelijk geval wordt de bril tegen de waarde in het economische verkeer tot het loon gerekend.

Werkkleding (eerste lid, onderdeel c)

In artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 1°, van de URLB 2011 is bepaald dat de waarde van ter beschikking gestelde kleding die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen op nihil kan worden gesteld. In het verlengde daarvan is in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 2°, van de URLB 2011 bepaald dat ingeval de werkgever kleding ter beschikking stelt die op de (in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011 gedefinieerde) werkplek achterblijft – waardoor die kleding niet buiten de vervulling van de dienstbetrekking kan worden gedragen – eveneens een waarde van nihil geldt.

De waarde van kleding die ook buiten werktijd gedragen kan worden, zoals in de situatie dat de werkgever sportkleding – met of zonder logo – verstrekt, en die niet achterblijft op de werkplek, wordt niet op nihil gesteld. Deze kleding komt – mits als eindheffingsbestanddeel aangewezen – tegen de factuurwaarde of waarde in het economische verkeer ten laste van de forfaitaire ruimte. Bij de vaststelling van de hoogte van het forfait is rekening gehouden met de beperking van de reikwijdte van de regeling voor ter beschikking gestelde kleding ten opzichte van de thans in artikel 24 van de URLB 2001 opgenomen regeling.1 Voorbeelden van kleding die geacht wordt uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt te zijn om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen, zijn onder meer het uniform van de politieagent, brandweerman, piloot, militair en stewardess, maar ook de sloof van een medewerker in de horeca, het jasschort van de slager en de doorwerkjas in de bouw.

Reinigingskosten van ter beschikking gestelde kleding worden geacht de kleding te volgen. Dit houdt in dat de reinigingskosten voor ter beschikking gestelde kleding die geheel of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de dienstbetrekking te worden gedragen, niet ten laste komen van de forfaitaire ruimte. Hetzelfde geldt voor de reinigingskosten van kleding die achterblijft op de werkplek. Wordt kleding die pleegt te worden achtergelaten op de werkplek desondanks door de werknemer meegenomen naar huis om daar te worden gereinigd, dan komen zowel de waarde van de kleding als de reinigingskosten ten laste van de forfaitaire ruimte.

Consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd (eerste lid, onderdeel d)

In artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel d, onder 1°, van de URLB 2011 is bepaald dat de waarde van geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikte of verbruikte consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd, in redelijkheid, op nihil kan worden gesteld. Deze kleine versnaperingen kunnen, in zoverre in lijn met de voor consumpties tijdens werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd in artikel 15a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964 zoals dat luidde op 31 december 2010, opgenomen regeling, derhalve zonder fiscale gevolgen worden verstrekt. Het maakt hierbij niet uit welke kleine consumpties worden verstrekt. Koffie, thee, snacks, soep, een gebakje bij een verjaardag of een drankje aan het einde van de werkweek zijn voorbeelden van consumpties op de werkplek. De voorwaarde dat de verstrekking tijdens werktijd gedaan moet zijn vervalt, aangezien deze voorwaarde vrijwel geheel samenvalt met het werkplekvereiste.

Consumpties bij extern gehouden personeelsfestiviteiten, zoals dat vaak bij recepties en de viering van jubilea gebeurt, vallen niet onder deze bepaling. De kosten voor dergelijke festiviteiten kunnen als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen en komen dan ten laste van de forfaitaire ruimte. Bij extern gehouden activiteiten waarbij het zakelijk karakter overheerst en het karakter van festiviteit niet meer dan bijkomstig is hoeft de werkgever de totale kosten niet te splitsen. Het geheel kan dan onder de gerichte vrijstelling ter zake van tijdelijke verblijfkosten worden gebracht. Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de werkgever een seminar organiseert, dat wordt afgesloten met een hapje en een drankje.

Hulpmiddelen, waaronder computers en dergelijke apparatuur, gereedschappen en toebehoren (eerste lid, onderdeel e)

Dit onderdeel vormt een aanvulling op artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de URLB 2011 dat mede ziet op de ter beschikking stelling van geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt gereedschap, waarvan het gebruikelijk is deze op de werkplek te gebruiken en daar achter te laten. Voor situaties waarin dit niet gebruikelijk hoeft te zijn, is in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de URLB 2011 geregeld dat de waarde van het genot van geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikte of verbruikte zakelijke hulpmiddelen, zoals computers en dergelijke apparatuur, gereedschappen en toebehoren, op nihil gesteld wordt. Voorwaarde daarbij is dat deze hulpmiddelen geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat deze hulpmiddelen bij gewijzigde omstandigheden – zoals einde van de dienstbetrekking – weer aan de werkgever teruggegeven moeten worden. Deze waarderingsregel maakt het mogelijk om de waarde van het privégebruik (van ten hoogste 10%) van geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikte

hulpmiddelen, zoals draagbare computers (bijvoorbeeld notebooks en netbooks), die naar hun aard ook elders – buiten de (in artikel 1.2 van de URLB 2011 gedefinieerde) werkplek – bruikbaar zijn, op nihil te stellen.

De in dit onderdeel gestelde voorwaarde betekent dat het zakelijk gebruik van de hulpmiddelen 90% of meer moet bedragen. Wordt het ter beschikking gestelde hulpmiddel voor minder dan 90% zakelijk gebruikt, dan vindt waardering plaats via de hoofdregel (waarde in het economische verkeer of factuurwaarde). Het vereiste van zakelijk gebruik geldt niet alleen voor het toestel, zoals de draagbare computer zelf, maar eveneens voor andere, samenhangende ter beschikking gestelde hulpmiddelen, zoals een mobiel internetmodem.

Tevens wordt tegemoet gekomen aan andere in de praktijk voorkomende situaties van gebruik van hulpmiddelen, zoals de timmerman die zijn gereedschapskist uit de ter beschikking gestelde bedrijfsauto ook thuis gebruikt. De mogelijkheid om dit gereedschap in privé te gebruiken zal – mede door de verantwoording aan de werkgever bij (snelle) slijtage – overigens beperkt zijn.

Mobiele telefoons (eerste lid, onderdeel f)

In artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de URLB 2011 is geregeld dat de waarde van het genot van het gebruik van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke apparatuur – die geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt worden, onder voorwaarden wordt gesteld op nihil. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat deze communicatiemiddelen bij gewijzigde omstandigheden weer aan de werkgever teruggegeven moeten worden. Als voorwaarde geldt dat het zakelijk gebruik meer dan bijkomstig is; voor de in dit onderdeel bedoelde – weliswaar ook als hulpmiddel als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de URLB 2011 te beschouwen – communicatiemiddelen geldt derhalve niet de in het eerste lid, onderdeel e, van de URLB 2011 opgenomen voorwaarde dat deze geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden. Ook in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de URLB 2011 is voor een positieve formulering gekozen. De in dit onderdeel gestelde voorwaarde betekent dat het zakelijk gebruik meer dan 10% moet bedragen.

De nihilwaardering is ook en onder dezelfde voorwaarde van toepassing in de situatie dat de werknemer gebruik maakt van een eigen mobiele telefoon en de werkgever hem daarvoor een telefoonabonnement ter beschikking stelt. Wordt het ter beschikking gestelde communicatiemiddel, bijvoorbeeld een mobiele telefoon, voor 10% of minder zakelijk gebruikt, dan vindt waardering plaats via de hoofdregel (waarde in het economische verkeer of factuurwaarde).

Werkruimte thuis (tweede lid)

In artikel 3.7, tweede lid, van de URLB 2011 is geregeld dat, in afwijking van de definitie van werkplek in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011, voor de waardering van de in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de URLB 2011 bedoelde ARBO-voorzieningen in geval van thuiswerk in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet ook als werkplek kan worden beschouwd de werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1 van de Huisvestingswet, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer (kort gezegd: een thuiswerkplek, gelegen in een woning). De Arbeidsomstandighedenwet kan van toepassing zijn op een thuiswerkplek, waardoor de werkgever verantwoordelijk is voor deze werkplek. Thuiswerk wordt in artikel 1.1, vijfde lid, onderdeel f, van het Arbeidsomstandighedenbesluit gedefinieerd. Van thuiswerk is sprake indien een werkgever een werknemer de arbeid in de woning van de werknemer doet verrichten. In het Arbeidsomstandighedenbesluit staat een aantal specifieke bepalingen vermeld dat van toepassing is op thuiswerk. Dit betreft in het bijzonder de artikelen 5.4, 5.12, 6.3, tweede lid, en 6.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Deze bepalingen bevatten voorschriften ter zake van een ergonomische inrichting van de werkplek, de beeldschermwerkplek en het dag- of kunstlicht. Voorzieningen, in redelijkheid, die voortvloeien uit het naleven van deze voorschriften en die passen binnen het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert, worden evenals de ARBO-voorzieningen voor een werkplek in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011, op nihil gewaardeerd.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) In het kader van het BP 2011 is een verruiming van de werkkostenregeling aangekondigd met betrekking tot werkkleding met een bedrijfslogo, waarvan de nadere invulling thans plaatsvindt in lagere regelgeving. In artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 2°, van de URLB 2011 wordt bepaald dat ook de waarde van ter beschikking gestelde kleding die per kledingstuk is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70cm² op nihil wordt gesteld. Van de gelegenheid is derhalve gebruik gemaakt om, zoals dat ook in de jurisprudentie is bevestigd ter zake van de tot 1 januari 2011 op grond van de URLB 2001 geldende regeling, ter verduidelijking in de tekst op te nemen dat de logo-eis per kledingstuk geldt. Ingevolge de aanhef van artikel 3.7, eerste lid, van de URLB 2011 geldt tevens de voorwaarde dat deze kleding geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt wordt. De afbakening middels de grootte van het bedrijfslogo vormt een werkbaar handvat voor de uitvoeringspraktijk en beperkt het aantal situaties aanzienlijk dat overleg met de inspecteur nodig is om te bepalen in hoeverre sprake is van kleding die niet in de vrije tijd draagbaar is of op de werkplek achterblijft. De waardering op nihil blijft namelijk eveneens gelden voor geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikte kleding die niet voldoet aan de logo-eis, maar die wel anderszins uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen, of die achterblijft op de werkplek.

Voorts wordt aan artikel 3.7, eerste lid, van de URLB 2011 een nieuw onderdeel toegevoegd. In het nieuwe onderdeel g wordt bepaald dat de waarde van huisvesting en inwoning, met inbegrip van – indien mede verstrekt – het genot van energie, water en bewassing, op de werkplek ter vervulling van de dienstbetrekking op nihil wordt gesteld indien de werknemer niet op de werkplek woont en het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is zich aan deze voorziening te onttrekken. Daarbij moet gedacht worden aan het overnachten op de werkplek waarbij het, ook praktisch gezien, niet goed mogelijk is elders te overnachten, zoals dat het geval is aan boord van zeeschepen, op boorplatforms, bij parate diensten in een ziekenhuis of in een brandweerkazerne of bij slaapdiensten in de gehandicaptenzorg.

 

Artikel 3.8 Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (lager dan waarde in het economische verkeer of factuurwaarde)

De waarde van de volgende voorzieningen die op de werkplek gebruikt of verbruikt worden, wordt gesteld op de daarbij vermelde bedragen:

a.         maaltijden: de waarde wordt gesteld op € 2,90;

b.         huisvesting en inwoning, anders dan de ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning, met inbegrip van – indien mede verstrekt – het genot van energie, water en bewassing: de waarde wordt gesteld € 5 per dag;

c.         door de inhoudingsplichtige verrichte kinderopvang waarvoor aanspraak op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de voet van artikel 1.5 van de Wet kinderopvangen kwaliteitseisen peuterspeelzalen: de waarde wordt gesteld op het aantal uren genoten kinderopvang maal de uurprijs vastgesteld krachtens artikel 1.7, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

 

Deze bepaling, die is gebaseerd op artikel 13, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964, vormt een aanvulling op artikel 3.7 van de URLB 2011, waarin voorzieningen op de werkplek zijn opgenomen waarvan de waarde op nihil wordt gesteld. De waarde van de in artikel 3.8 van de URLB 2011 opgenomen voorzieningen die op de (in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011 gedefinieerde) werkplek gebruikt of verbruikt worden, wordt – op een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer of factuurwaarde – forfaitair vastgesteld. Daarbij geldt als uitgangspunt de besparingswaarde. Dit vormt een voortzetting – in vereenvoudigde vorm – van de huidige regelingen waarbij de waarde van dergelijke voorzieningen tot een forfaitair bedrag tot het loon gerekend worden.

Ingeval de werkgever in het kader van de werkkostenregeling de voorziening tegen het forfaitaire bedrag als eindheffingsbestanddeel aanwijst is een registratie op werknemersniveau niet meer vereist en is verdere afstemming op de bedrijfsprocessen mogelijk geworden vanwege het feit dat het nog slechts nodig is de aantallen (onderdelen a en b) of de deelname (onderdeel c) bij te houden.

Volledigheidshalve zij vermeld dat ingeval de werknemer ter zake van het gebruik of verbruik van de voorzieningen, genoemd in dit artikel, een eigen bijdrage levert ter grootte van de forfaitaire waardering of meer, er ingevolge artikel 13, zesde lid, van de Wet LB 1964 per saldo geen bedrag tot het loon wordt gerekend.

Maaltijden op de werkplek (aanhef en onderdeel a)

In deze bepaling is de waarde van een maaltijd die op de werkplek wordt verbruikt forfaitair vastgesteld. Om aan in de praktijk levende bezwaren tegemoet te komen en omwille van een eenvoudige toepasbaarheid van de regeling, blijft differentiatie naar aard van de maaltijd thans geheel achterwege. Het genot van een maaltijd op de werkplek, ongeacht het karakter, is vastgesteld op € 2,90. Dit forfait ziet op alle vormen van maaltijd, zoals ontbijt, lunch of diner en is zodanig vastgesteld dat deze onder het bedrag blijft dat een werknemer gemiddeld op de werkplek aan een lunch besteedt.

Als gevolg van de in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011 opgenomen definitie van het begrip werkplek geldt de forfaitaire waardering zowel voor maaltijden die worden genuttigd in bedrijfskantines of soortgelijke ruimtes op de plaats waar de arbeid wordt verricht als – onder omstandigheden – voor maaltijden van ambulante werknemers. Als gevolg van de met de invoering van de werkkostenregeling bewerkstelligde voortzetting van de gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten, is dit voor maaltijden van ambulante werknemers de facto echter pas relevant vanaf het moment dat sprake is – met toepassing van de thans gebruikelijke uitleg van het 20-dagencriterium – van een vaste arbeidsplaats (die bovendien voldoet aan de in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011 opgenomen voorwaarden).

Huisvesting en inwoning op de werkplek (aanhef en onderdeel b)

In het kader van de met de invoering van de werkkostenregeling beoogde vereenvoudiging is in artikel 3.8, aanhef en onderdeel b, van de URLB 2011 een waarderingsvoorschrift opgenomen voor huisvesting en inwoning op de werkplek. Dit betreft niet het genot van de ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning (zie daartoe artikel 3.11 van de URLB 2011).

Bij huisvesting op de werkplek gaat het – als gevolg van de in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, van de URLB 2011 opgenomen definitie – uitsluitend om huisvesting op een plaats waar de werknemer niet woont, maar in het kader van zijn werkzaamheden verblijft, zoals zich dat voor kan doen aan boord van een schip, op een boorplatform of in een kermiswagen. Naar aanleiding van geluiden uit de praktijk en mede ter versterking van het robuuste karakter van de werkkostenregeling, wordt een vast bedrag per gewerkte dag gehanteerd. De waarde van huisvesting en inwoning op de werkplek, anders dan het genot van de ter vervulling van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde woning, wordt gesteld op € 5 per dag. In het kader van een eenvoudige regeling wordt een onderscheid naar werknemers die met of zonder gezin op de werkplek verblijven niet meer passend en nodig geacht. Een dergelijk onderscheid leidt juist tot een toename van administratieve lasten. De werkgever zou dan van de werknemer moeten bijhouden of en hoe lang hij zijn gezin meeneemt.

Ingeval tevens sprake is van de verstrekking van energie, water en bewassing, wordt het voordeel daarvan geacht te zijn begrepen in het in deze bepaling genoemde bedrag. Om redenen van eenvoud en doelmatigheid wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen situaties waarin energie, water of bewassing al dan niet mede wordt verstrekt. Ook wordt geen onderscheid gemaakt naar de kostprijs of de mate van luxe van de huisvesting. Het waarderingsvoorschrift is op al deze vormen op gelijke wijze van toepassing.

Bij de vaststelling van de hoogte heeft de hoogte van de forfaitaire waarderingsregel van artikel 51 van de URLB 2001 een rol gespeeld, met dien verstande dat werknemers die niet in de onderdelen a, b, c en d, van die bepaling worden genoemd thans als gevolg van de robuuste benadering onder artikel 3.8, aanhef en onderdeel b, van de URLB 2011 vallen.

Nieuw is de vaststelling van de forfaitaire waarde per dag. Ingeval de werkgever ervoor kiest de huisvesting als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen, is een werkwijze mogelijk geworden op basis van aantallen, vergelijkbaar met de maaltijden op de werkplek, zonder registratie op werknemersniveau. Het als eindheffingsbestanddeel in aanmerking te nemen loon kan vastgesteld worden op grond van bijvoorbeeld het werkrooster.

Evenals bij de verstrekking van maaltijden geldt in het geval van verstrekking van huisvesting aan een ambulante werknemer dat de gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten van toepassing is tot het moment dat sprake is van een vaste arbeidsplaats.

De waarde van op de werkplek verstrekte maaltijden is overigens niet in de waarde van huisvesting of inwoning inbegrepen. Hiervoor geldt een aparte waardering op grond van onderdeel a.

Kinderopvang op de werkplek (aanhef en onderdeel c)

De tekst van artikel 3.8, aanhef en onderdeel c, van de URLB 2011 is gedeeltelijk ontleend aan artikel 21b van de URLB 2001. Nieuw is dat de forfaitaire waarderingsnorm per uur genoten kinderopvang slechts geldt ingeval de inhoudingsplichtige op de (in artikel 1.2, onderdeel f, van de URLB 2011 gedefinieerde) werkplek kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen organiseert. De kinderopvang moet door de inhoudingsplichtige worden verricht. Voor de waardebepaling is aangesloten bij de uurprijs die bij het vaststellen van de hoogte van kinderopvangtoeslag of de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang maximaal in aanmerking wordt genomen.

Indien de inhoudingsplichtige kinderopvang verstrekt die door hem zelf wordt verricht buiten de werkplek, wordt de kinderopvang gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer of factuurwaarde. De forfaitaire waarderingsregel geldt niet voor de verstrekking van kinderopvang die de inhoudingsplichtige bij een derde inkoopt.

 

Artikel 3.9 Bepaling waarde privégebruik van openbaar vervoerkaart en voordeelurenkaart

De waarde van het genot van een in het kader van de dienstbetrekking ter beschikking gestelde openbaarvervoerkaart of voordeelurenkaart, bedoeld in artikel 13, derde lid, onderdeel b, van de wet, wordt, indien aannemelijk is dat deze kaart mede dient voor zakelijke reizen, waaronder woon-werkverkeer, gesteld op nihil.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964. De tekst is gedeeltelijk ontleend aan de artikelen 26 en 36 van de URLB 2001, met dien verstande dat de tekst niet langer tevens ziet op vergoedingen. In artikel 3.9 van de URLB 2011 is bepaald dat de waarde van het privégebruik van een door de werkgever aan een werknemer ter beschikking gestelde openbaar vervoerkaart op nihil wordt gesteld. Met de term ‘ter beschikking gestelde’ is weer tot uitdrukking gebracht dat de bepaling uitsluitend geldt met betrekking tot kaarten die moeten worden ingeleverd bij een relevante wijziging van omstandigheden. Een relevante wijziging van omstandigheden doet zich bijvoorbeeld voor als door verhuizing het reistraject verandert of als de wijze van reizen wijzigt door het ter beschikking stellen van een auto. Voorwaarde voor de nihilwaardering is daarnaast dat het aannemelijk is dat de kaart mede wordt gebruikt voor zakelijke reizen, waaronder woon-werkverkeer. Een dergelijke kaart vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde, die – ingeval de werknemer deze bij wijziging van omstandigheden niet hoeft in te leveren – tegen de waarde in het economische verkeer of factuurwaarde tot het loon gerekend moet worden. Dit laatste geldt in beginsel ook voor een voordeelurenkaart die de werkgever aan zijn werknemer verstrekt, met dien verstande dat de restwaarde van een dergelijke kaart bij vertrek in de loop van het kalenderjaar van ondergeschikt belang wordt geacht en daarom op nihil kan worden gewaardeerd.

Zoals hiervoor is aangegeven is de in artikel 3.9 van de URLB 2011 opgenomen bepaling niet van toepassing ingeval de werkgever de kosten van openbaar vervoer vergoedt. In het geval een werknemer een vergoeding ontvangt ter zake van de aanschaf van een recht op (geheel of gedeeltelijk) vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer, kan onder omstandigheden een splitsing aan de orde komen. Gericht vrijgesteld op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964 is een als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoeding voor zover het betreft de werkelijke kosten van vervoer in het kader van de dienstbetrekking, waaronder woon-werkverkeer. Voor zover de vergoeding ziet op andere reizen (privégebruik) kan de werkgever kiezen tussen individuele verloning of aanwijzing als eindheffingsbestanddeel. Splitsing komt niet aan de orde indien de vergoeding die een werkgever heeft betaald voor de kosten van openbaar vervoer overeenkomt met de in redelijkheid te bepalen kosten voor vervoer in het kader van de dienstbetrekking op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964. Splitsing komt derhalve uitsluitend aan de orde indien de vergoeding van de werkgever hoger is dan wat op grond van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964 redelijk is met het oog op woon-werkverkeer en overige zakelijke reizen.

 

Artikel 3.10 Bepaling waarde rentevoordeel personeelsleningen

1.         De waarde van het rentevoordeel van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, daaronder begrepen een gedeelte van een geldlening, wordt gesteld op nihil, indien het rentevoordeel – indien tot het loon gerekend – als aftrekbare kosten in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking zou worden genomen, en:

a.         de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart, onder vermelding van het bestedingsdoel en onderbouwing met schriftelijke bescheiden, dat de geldlening kan worden aangemerkt als een geldlening waarvan de rente aftrekbare kosten zijn in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

b.         de inhoudingsplichtige de verklaring en bescheiden, bedoeld in onderdeel a, bij de loonadministratie bewaart, tenzij daarvan met overeenkomstige toepassing van artikel 7.3, tweede lid, wordt afgeweken, en

c.         de inhoudingsplichtige de toepassing van dit lid in de aangifte loonheffingen vermeldt.

2.         Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op aan een geldlening als bedoeld in het eerste lid verbonden kosten.

3.         Het rentevoordeel van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening ter zake van de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter wordt gesteld op nihil.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13, derde lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964.

Voor personeelsleningen geldt dat, voor zover de verschuldigde rente minder bedraagt dan de rente die in het economische verkeer verschuldigd zou zijn, dit voordeel tot het loon behoort. In artikel 3.10, eerste lid, van de URLB 2011 is als uitzondering hierop bepaald dat de waarde van het rentevoordeel van een personeelslening voor de eigen woning onder voorwaarden op nihil wordt gesteld. Het rentevoordeel wordt op nihil gewaardeerd vanwege het feit dat het wel in aanmerking nemen van het rentevoordeel in de loonbelasting vervolgens zou leiden tot renteaftrek van dit rentevoordeel binnen de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting. Bijtellen heeft dan weinig nut. De nihilwaardering is van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

De werknemer verklaart schriftelijk aan de inhoudingsplichtige, onder vermelding van het bestedingsdoel en onderbouwing met schriftelijke bescheiden, dat de geldlening kan worden aangemerkt als een geldlening waarvan de rente aftrekbare kosten zijn in de zin van de artikelen 3.120 tot en met 3.123 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

De inhoudingsplichtige bewaart de verklaring en bescheiden bij de loonadministratie. Hij mag hiervan afwijken met overeenkomstige toepassing van artikel 7.3, tweede lid, van de URLB 2011.

De inhoudingsplichtige vermeldt de toepassing van de nihilwaardering van het rentevoordeel in de aangifte loonheffingen.

Met de invoering van het eerste lid wordt de goedkeuring in het beleidsbesluit van 20 februari 2009, nr. CPP2009/78M, Stcrt. 48, gecodificeerd.

In artikel 3.10, tweede lid, van de URLB 2011 is bepaald dat de hiervoor toegelichte regeling van het eerste lid ook van toepassing is op aan een personeelslening verbonden kosten.

Met het derde lid van artikel 3.10 van de URLB 2011 is invulling gegeven aan de in bij de parlementaire behandeling van de werkkostenregeling in de motie van de heer Tang2 gevraagde vrijstelling voor personeelsleningen voor de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter. Het rentevoordeel van een renteloze lening die de werkgever of een met de werkgever verbonden inhoudingsplichtige aan een werknemer verstrekt voor de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter wordt eveneens op nihil gesteld. Voorwaarde daarbij is dat de werknemer deze fiets, elektrische fiets of elektrische scooter in overwegende mate voor (een deel van) zijn woon-werkverkeer gebruikt.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Het rentevoordeel van een personeelslening ter zake van de aanschaf van een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter, wordt met ingang van 1 januari 2011 zonder nadere voorwaarden omtrent gebruik gesteld op nihil. In het kader van vereenvoudiging en ter bevordering van uitvoerbaarheid en controleerbaarheid vervalt de aanvankelijk in de per 1 januari 2011 geldende tekst opgenomen voorwaarde dat deze fiets, elektrische fiets of elektrische scooter, in overwegende mate gebruikt moet worden in het kader van woon-werkverkeer.

 

Artikel 3.11 Bepaling waarde genot van de dienstwoning

1.         De waarde van het genot van een ter beschikking gestelde woning waarvan het gebruik voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is vereist, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van dat genot met een maximum van 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon bij een overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per kalenderweek.

2.         Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van het genot van de woning waarvan het gebruik voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is vereist, aangemerkt als niet behorend tot het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon.

 

In deze bepaling, gebaseerd op artikel 13, derde lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964, wordt geregeld dat de waarde in het economische verkeer van het genot van een ter beschikking gestelde woning, waarvan het gebruik voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking vereist is, ten hoogste wordt gesteld op 18% van het op jaarbasis geldende loon bij een overeengekomen arbeidsduur van 36 uur per kalenderweek.

Met deze bepaling wordt een forfaitaire invulling gegeven aan hetgeen ten hoogste als waarde van genot van een dienstwoning als loon bij de werknemer in aanmerking genomen moet worden. Als voorwaarde voor de forfaitaire maximering van de besparingswaarde is opgenomen dat het gebruik van de ter beschikking gestelde woning vereist is voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking (dienstwoning). Van een dienstwoning is sprake in een situatie dat de werknemer zijn werkzaamheden vanuit de dienstwoning moet verrichten en redelijkerwijs niet kan afzien van gebruik van de ter beschikking gestelde woning. Voorbeelden van dienstwoningen zijn de portierswoning, de woning van de brugwachter of de pastorie. In een dergelijke situatie kan het vanwege de vervulling van de dienstbetrekking gaan om veel duurdere woningen dan bij het loon van de werknemer passend zou zijn.

De mogelijkheid om aan de inspecteur een beschikking lagere besparingswaarde te vragen – onder meer denkbaar in het geval van deeltijdarbeid of bij een inkomen dat aanmerkelijk lager is dan het arbeidsinkomen dat genoten wordt uit de dienstbetrekking waaruit ook de dienstwoning wordt genoten – wordt niet meer nodig geacht. In de praktijk bleek zich dat niet of nauwelijks voor te doen.

In het tweede lid is ter verduidelijking (en ter vermijding van een kringverwijzing) een geherformuleerde bepaling opgenomen dat het gaat om 18% van het loon exclusief de waarde van het woongenot.

 

Artikel 3.12 Bepaling waarde aanspraken, waaronder aanspraken op ziektekostenregelingen

1.         De waarde van een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, wordt gesteld op de bedragen die bij een derde worden gestort of, voor zover geen stortingen worden verricht, zouden moeten worden gestort teneinde de aanspraak te dekken.

2.         In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt per kalenderjaar de waarde van een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling ten behoeve van ten minste 25 werknemers of gewezen werknemers die gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar heeft bestaan, voor zover geen stortingen bij derden worden verricht, gesteld op het bedrag van de gemiddelde uitkering. De gemiddelde uitkering is het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de afgelopen vijf kalenderjaren. Het jaargemiddelde is het gezamenlijke bedrag van de ter zake door of namens de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer, gedeeld door het aantal personen dat in het desbetreffende jaar gedurende ten minste zes maanden gerechtigd is geweest. Indien zulks tot een lagere gemiddelde uitkering leidt, worden het hoogste en het laagste jaargemiddelde buiten beschouwing gelaten en is de gemiddelde uitkering het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de andere drie kalenderjaren.

3.         Indien de in het tweede lid bedoelde regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan, is dat lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele kalenderjaren, met dien verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin van dat lid niet van toepassing is.

4.         De waarde van een aanspraak ingevolge een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering bedraagt maximaal het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende standaardpremie, bedoeld in artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag, welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen ingeval sprake is van een op grond van verordening (EU) 883/2004 (Pb EU L314) meeverzekerde echtgenoot als bedoeld in die verordening, en het voor dat jaar geldende maximumbedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens hoofdstuk 5 van de Zorgverzekeringswet.

5.         In afwijking van de vorige leden wordt de waarde van een aanspraak op een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste € 27 per jaar op nihil gesteld.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13, vijfde lid, van de Wet LB 1964. De tekst van het eerste lid is ontleend aan artikel 18 van de URLB 2001 en de tekst van het tweede en derde lid is ontleend aan artikel 19 van de URLB 2001. De tekst van het vijfde lid van het waarderingsvoorschrift is ontleend aan artikel 57 van de URLB 2001. Inhoudelijk is met de verplaatsing van deze bepalingen geen wijziging beoogd.

Het vierde lid van artikel 3.12 van de URLB 2011 maximeert de waarde van een aanspraak ingevolge een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering. Met het vervallen van het toenmalige artikel 58 van de URLB 2001 met ingang van 1 januari 2006 in verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet, bestaat niet langer een maximumwaardering voor aanspraken op een collectieve ziektekostenverzekering waarvan de waardering hoger zou uitkomen dan de kosten van een individuele ziektekostenverzekering. Dit heeft tot een onbedoeld effect geleid voor Nederlandse grensarbeiders die in België werkzaam zijn en uit hoofde van die dienstbetrekking aanspraken ingevolge een Belgische ziektekostenverzekering genieten, terwijl de grondslag waarover de premie voor een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering wordt berekend, geen maximum kent. De Commissie grensarbeiders heeft in zijn rapport van 28 april 2008, dat door de Staatssecretaris van Financiën bij brief van 2 juli 20083 is aangeboden aan de Tweede Kamer, aanbevolen de waarde van een aanspraak op een wettelijke Belgische ziektekostenverzekering te maximeren. In dit kader is in een brief van de Staatssecretaris van Financiën van 9 januari 20094 toegezegd dat deze aanbeveling zal worden overgenomen. Vooruitlopend op de wettelijke regeling is bij besluit van 7 april 2009, nr. CPP2009/93M, Stcrt. 76, goedgekeurd dat de waarde die werknemers (die vallen onder de Nederlandse fiscale wetgeving) ontlenen aan Belgische ziektekostenaanspraken wordt gemaximeerd. In artikel 3.12, vierde lid, van de URLB 2011 is deze maximering vastgelegd.

Het maximum bedraagt het gezamenlijke bedrag van de voor dat jaar geldende standaardpremie volgens artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag (welke standaardpremie tweemaal in aanmerking wordt genomen als sprake is van een op grond van de Europese verordening 883/2004 (Pb EU L314) meeverzekerde echtgenoot) en het voor dat jaar geldende maximale bedrag van de inkomensafhankelijke bijdrage volgens hoofdstuk 5 van de Zorgverzekeringswet. De hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage wordt bepaald aan de hand van het hoge, algemene bijdragepercentage, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Regeling zorgverzekering, (voor het jaar 2010 bedraagt dit percentage 7,05).

 

Artikel 3.13 Privégebruik auto; rittenregistratie, loontijdvakken en verklaring geen privégebruik

1.         De rittenregistratie, bedoeld in artikel 13bis, vierde lid, van de wet, bevat ten minste de volgende gegevens:

a.         merk, type en kenteken van de auto;

b.         periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c.         per rit:

1°.      datum;

2°.      beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3°.      beginadres en eindadres;

4°.      de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5°.      het karakter van de rit.

2.         Indien in een loontijdvak de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privédoeleinden verschuldigd is, uitgaat boven het voor dat loontijdvak op grond van artikel 13bis, eerste tot en met derde lid, van de wet berekende voordeel, wordt in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van het verschil tussen het berekende voordeel en de verschuldigde vergoeding als voordeel in aanmerking genomen, voor zover op kalenderjaarbasis het berekende voordeel ten minste gelijk is aan de vergoeding voor het gebruik voor privédoeleinden.

3.         Een verzoek om een verklaring geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis, dertiende lid, van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a.         de naam, het adres en het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer;

b.         het kenteken van de auto, indien dit bekend is en het verzoek betrekking heeft op één auto;

c.         het jaar van ingang van de verklaring.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13bis, zevende, elfde en zeventiende lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 21c van de URLB 2001, met dien verstande dat er een tekstuele wijziging is aangebracht, zonder dat daarmee een inhoudelijke wijziging is beoogd.

 

HOOFDSTUK 4 PENSIOENREGELINGEN (HOOFDSTUK IIB VAN DE WET)

 

Artikel 4.1 Splitsing pensioenregeling

1.         Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen, bedoeld in artikel 18, derde lid, van de wet, kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat.

2.         Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet, alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld.

3.         Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen, verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur.

 

De artikelen 4.1 tot en met 4.3 van de URLB 2011 geven nadere uitwerking aan de pensioenbepalingen in de Wet LB 1964. De delegatiebevoegdheden daartoe zijn opgenomen in de artikelen 18, 19a en 19f van de Wet LB 1964. De teksten zijn ontleend aan de artikelen 60, 60a en 61 van de URLB 2001, met dien verstande dat aan artikel 4.2 van de URLB 2011 ten opzichte van artikel 60a van de URLB 2001 een opschrift is toegevoegd dat de strekking van het artikel weergeeft.

 

Artikel 4.2 Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 4.1)

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Met de onderhavige wijziging wordt in artikel 4.2 van de URLB 2011 Liechtenstein toegevoegd als aangewezen staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

 

 

 

Artikel 4.3 Samenloop verschillende pensioenstelsels

1.         Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel.

2.         In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd.

3.         Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd.

4.         Bij wijziging van een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare-premiestelsel.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 4.1)

 

HOOFDSTUK 5 LEVENSLOOPREGELING (HOOFDSTUK IIC VAN DE WET)

 

Artikel 5.1 Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

1.         Een levensloopregeling moet schriftelijk zijn vastgelegd. In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen:

a.         dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof;

b.         dat de aanspraken ingevolge de levensloopregeling niet kunnen worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 5.11 bedoelde verpanding, kunnen worden;

c.         de instelling waarbij de voorziening wordt aangehouden;

d.         een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart of hij bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen aanspraken ingevolge een levensloopregeling heeft opgebouwd, die ingevolge artikel 5.8, derde lid, geacht worden te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige;

e.         een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de wet.

2.         In afwijking van het eerste lid mag een levensloopregeling voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking.

3.         In afwijking van het eerste lid mag een levensloopverzekering voorzien in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke afkoop van de aanspraken voor zover overeenkomstig artikel 19g, tweede lid, van de wet over de voorziening wordt beschikt.

 

De artikelen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op artikel 19g, negende lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan de artikelen 61a tot en met 61k van de URLB 2001, met dien verstande dat er enige wijzigingen van vooral tekstuele aard zijn aangebracht zonder dat met die wijzigingen een inhoudelijke wijziging beoogd is.

In artikel 5.7 van de URLB 2011 zijn de teksten van de artikelen 61f en 61g van de URLB 2001 samengevoegd. In artikel 5.8 van de URLB 2011 zijn wijzigingen aangebracht die verband houden met het sinds het Belastingplan 2010 aan artikel 22a van de Wet LB 1964 toegevoegde zesde lid, waarin is geregeld dat een uitkering uit levensloopverlof, opgenomen door werknemers die aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar hebben bereikt, aangemerkt wordt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Met de redactie van het tweede en vierde lid van artikel 5.8 van de URLB 2011 wordt dat artikel met die wetsystematiek in overeenstemming gebracht.

 

Artikel 5.2 Levensloopregeling

1.         Het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling vindt plaats door inhouding op het loon, waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een voorziening voor een periode van extra verlof. Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 5.3, onderscheidenlijk door de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 5.4 en door het ingehouden loon vermeerderd met de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 5.5, en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het levenslooploon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode. Onder ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt tevens verstaan een door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de levensloopregeling verstrekte bijdrage.

2.         Onder levenslooploon wordt verstaan het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 5.3, onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 5.4 en het ingehouden loon vermeerderd met de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 5.5.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.3 Levenslooprekening

1.         Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening – levenslooprekening – bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling, waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd.

2.         De op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen worden op de levenslooprekening bijgeschreven.

3.         Het tegoed op een levenslooprekening mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon.

4.         De instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

5.         In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen; in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.4 Levensloopverzekering

1.         Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt ten behoeve van een verzekering – levensloopverzekering – bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling, waar de waarde van de polis voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd.

2.         De bij de levensloopverzekering behaalde rendementen moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal.

3.         Het verzekerde kapitaal op grond van een levensloopverzekering mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon.

4.         De instelling waar de levensloopverzekering is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

5.         In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen; in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt.

6.         Een aanspraak ingevolge een levensloopverzekering mag voorzien in een hogere uitkering bij leven dan de in artikel 19g, eerste lid, van de wet opgenomen maxima, indien deze verhoging met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen is gebaseerd op een verlaging van de ingevolge de levensloopregeling bij overlijden te ontvangen uitkering tot een niveau beneden of gelijk aan 90% van de premievrije waarde op de dag van overlijden.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.5 Levenslooprecht van deelneming

1.         Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar de in de levensloopregeling aangewezen beheerder van een beleggingsinstelling ter verwerving van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in die instelling – levenslooprecht van deelneming –, die voor iedere werknemer afzonderlijk worden geadministreerd.

2.         Het met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendement wordt aangewend ter verwerving van levenslooprechten van deelneming.

3.         Het levenslooprecht van deelneming mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon.

4.         De beheerder van de beleggingsinstelling maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voor zover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

5.         In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de beheerder van de beleggingsinstelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen; in dit geval wordt de beheerder van de beleggingsinstelling als inhoudingsplichtige aangemerkt.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.6 Maximale opbouw in een jaar

1.         Het per kalenderjaar ingehouden loon ingevolge een levensloopregeling bedraagt:

a.         indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon minder bedraagt dan 2,1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon: ten hoogste 12% van het loon in het kalenderjaar;

b.         indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon: nihil.

2.         Voor zover het ingevolge de levensloopregeling ingehouden loon uitgaat boven hetgeen ingevolge het eerste lid is toegestaan en dit ingehouden loon in hetzelfde kalenderjaar door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer, wordt aangenomen dat is gebleven binnen de begrenzingen van het eerste lid.

3.         Voor de toepassing van het eerste lid mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode.

4.         Voor de toepassing van de in dit artikel gestelde grenzen worden de aanspraken die zijn opgebouwd bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap mede in aanmerking genomen, tenzij deze aanspraken met toepassing van artikel 5.8 geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige dan een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.7 Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening, bij een levensloopverzekering en bij een levenslooprecht van deelneming

Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 5.6 bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt, leiden de nadien op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen, de nadien bij een levensloopverzekering behaalde rendementen en de nadien met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.8 Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

1.         Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat, tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon, niet uitgaat boven het laatstgenoten loon. In afwijking in zoverre van de eerste volzin mag niet over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening worden beschikt ten behoeve van de aanvulling van loon dat is verlaagd tijdens een periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid.

2.         In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak:

a.         als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld ingeval de overleden werknemer bij het begin van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt;

b.         als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld ingeval de overleden werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt.

3.         Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige, geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienst treedt, tenzij bij deze inhoudingsplichtige geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden opgebouwd of de bij de gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken reeds geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking staat.

4.         Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de levensloopregeling, worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen. In afwijking van de eerste volzin wordt de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking:

a.         ingeval de werknemer bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt;

b.         in geval van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking.

5.         Indien in strijd met de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk over het levenslooploon wordt beschikt, wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer.

6.         Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.9 Kredietfaciliteit

Indien het ingevolge artikel 5.8, eerste lid, opgenomen bedrag het op dat moment aanwezige tegoed overtreft, kan het negatieve saldo – uitgezonderd de daarover verschuldigde rente – met inachtneming van de in artikel 5.6 gestelde begrenzingen via een inhouding op het loon worden aangevuld, in welk geval deze aanvulling wordt aangemerkt als het opbouwen van een voorziening als bedoeld in artikel 5.2.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.10 Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen

Voor de toepassing van artikel 19g, achtste lid, van de wet wordt het ouderdomspensioen van een werknemer geacht niet te zijn ingegaan indien het niet meer dan voor een deel is ingegaan.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

 

Artikel 5.11 Aangewezen buitenlandse aanbieders

1.         Als kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, onderdeel d, van de wet kan door de Minister worden aangewezen een kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die wettelijk bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.

2.         Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling zich tegenover de Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling, deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling uitgevoerde levensloopregeling, bedoeld in artikel 19g van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van deze levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 5.3, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 5.4, vijfde lid, of artikel 5.5, vijfde lid. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in IJsland, Noorwegen en Liechtenstein gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze kredietinstelling, deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling, onder door de Minister te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.

3.         De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de kredietinstelling, de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld, waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan de ontvanger, mits de kredietinstelling, onderscheidenlijk de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling instemt met deze verpanding.

4.         De aanwijzing kan door de Minister worden ingetrokken wanneer de kredietinstelling, de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.

5.         Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, of indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de gerechtigden tot de aanspraken, indien de aanspraken onder door de Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling, een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling van een levensloopregeling die voldoet aan de in artikel 19g, vierde lid, van de wet gestelde voorwaarden.

6.         De Minister maakt het aanwijzen als een kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de Minister een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 5.1)

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Met de wijziging van artikel 5.11 van de URLB 2011 wordt geregeld dat onder de in dat artikel gestelde voorwaarden het stellen van een uitwinbare zekerheid door een kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die is gevestigd in Liechtenstein voor aanwijzing in de zin van dat artikel achterwege kan blijven, net zoals dat geldt voor een in een lidstaat, anders dan Nederland, van de Europese Unie of in IJsland of Noorwegen gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling. De aanwijzing van Liechtenstein houdt verband met de inwerkingtreding van het op 10 november 2009 te Brussel tot stand gekomen verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Vorstendom Liechtenstein inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingen (Trb. 2010, 14, en Trb. 2010, 107).

 

 

HOOFDSTUK 6 TARIEF (HOOFDSTUK III VAN DE WET)

 

Artikel 6.1 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaam is, wordt in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet, als loontijdvak aangemerkt:

a.         indien het loon per week wordt uitbetaald: de week;

b.         indien het loon per vier weken wordt uitbetaald: het tijdvak van vier weken;

c.         indien het loon per maand wordt uitbetaald: de maand.

 

De artikelen 6.1 tot en met 6.3 van de URLB 2011 zijn gebaseerd op artikel 25, vierde lid, van de Wet LB 1964 en artikel 6.4 van de URLB 2011 is gebaseerd op artikel 26, zesde lid, van de Wet LB 1964. De teksten zijn ontleend aan artikel 61 en de artikelen 62 tot en met 64a van de URLB 2001. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.

 

Artikel 6.2 Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken

1.         Ten aanzien van de werknemer wiens loon mede omvat de waarde van regelmatig bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken, wordt in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet, als loontijdvak aangemerkt:

a.         ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 20 of meer vakantiedagen: een door vermenigvuldiging met de factor 260/231 verlengd loontijdvak;

b.          ingeval op jaarbasis aanspraken worden verleend voor 19 of minder vakantiedagen: een door vermenigvuldiging met de factor 260/245 verlengd loontijdvak.

2.         Voor de toepassing van het eerste lid wordt het aantal vakantiedagen in aanmerking genomen tot het krachtens de publiekrechtelijke regeling of de collectieve arbeidovereenkomst voor een volwassen werknemer geldende aantal zonder rekening te houden met feestdagen en met extra vakantiedagen die aan de werknemer worden toegekend in verband met zijn leeftijd of de duur van zijn dienstverband.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 6.1)

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) De wijziging van artikel 6.2 van de URLB 2011 houdt verband met de vaststelling van de factor ten behoeve van de berekening van een afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken. Voor het jaar 2011 wordt de factor voor de werknemer met vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar gesteld op 260/231. De factor voor de werknemer met vakantiebonnen voor 19 of minder vakantiedagen per jaar blijft ongewijzigd, namelijk 260/245.

 

Artikel 6.3 Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

1.         Ten aanzien van de loon uit tegenwoordige dienstbetrekking genietende werknemer die met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier wordt aangemerkt en die schriftelijk, gedagtekend en ondertekend te kennen heeft gegeven dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak wordt aangemerkt, kan, in afwijking in zoverre van artikel 25, eerste lid, van de wet, voor loonbetalingen waarvan het inhoudingstijdstip in dat kwartaal is gelegen, dat kwartaal als loontijdvak worden aangemerkt.

2.         Voor de toepassing van het eerste lid wordt met betrekking tot een kalenderkwartaal als student of scholier aangemerkt:

a.         de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

b.         de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

c.         de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet;

d.         de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie, van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en die in het bezit is van een door de Minister aangewezen internationale studentenkaart.

3.         Voor de toepassing van het eerste lid bewaart de inhoudingsplichtige bij zijn loonadministratie een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende verklaring dat te zijnen aanzien het kwartaal als loontijdvak kan worden aangemerkt, alsmede:

a.         ingeval het tweede lid, onderdeel a of b, van toepassing is: het correspondentienummer;

b.         ingeval het tweede lid, onderdeel c, van toepassing is: het registratienummer;

c.         ingeval het tweede lid, onderdeel d, van toepassing is: een kopie van de internationale studentenkaart.

4.         Indien in het kwartaal meer dan eens loon wordt verstrekt, wordt de op een inhoudingstijdstip verschuldigde belasting bepaald op de belasting die is verschuldigd over het in dat kwartaal in totaal verstrekte loon, verminderd met de reeds ingehouden belasting.

5.         Bij toepassing van dit artikel is in geval van twee opeenvolgende dienstbetrekkingen artikel 23 van de wet niet van toepassing.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 6.1)

 

Artikel 6.4 Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen

Ingeval de inhoudingsplichtige van de werknemer en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoren tot een samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet, wordt de werknemer voor de toepassing van artikel 26, vierde lid, van de wet geacht het van deze inhoudingsplichtigen genoten loon van één inhoudingsplichtige te hebben genoten.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 6.1)

 

HOOFDSTUK 7 WIJZE VAN HEFFING (HOOFDSTUK IV VAN DE WET)

 

Artikel 7.1 In de onderneming van de ouder werkzame kinderen

1.         Ten aanzien van een in artikel 27, zesde lid, van de wet bedoeld kind, kan de inspecteur onder door hem te stellen voorwaarden toestaan dat de belasting wordt ingehouden op de eerste werkdag van het volgende kalenderjaar, met toepassing van de loonbelastingtabellen voor het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt. Alsdan wordt het in dat kalenderjaar verstrekte loon geacht in gelijke delen te zijn verstrekt over de kalenderkwartalen waarin het kind werkzaam is geweest, en vinden artikel 26 van de wet en de krachtens dat artikel vastgestelde loonbelastingtabellen voor bijzondere beloningen geen toepassing.

2.         Voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belasting, bedoeld in het eerste lid, geacht te zijn ingehouden in het kalenderjaar waarin het loon is verstrekt.

3.         Indien de belasting wordt ingehouden op de voet van het eerste lid, zijn ten aanzien van het in dat lid bedoelde kind de artikelen 7.2 en 7.9 niet van toepassing.

 

Het is de bedoeling om dit artikel in de URLB 2011 op te nemen zodra op dat punt een delegatiebevoegdheid in de wet is opgenomen. Een voorstel voor een dergelijke delegatiebevoegdheid is inmiddels aanhangig gemaakt.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) In de op 14 september 2010 vastgestelde URLB 2011 is artikel 7.1 gereserveerd, omdat nog niet voor alle onderdelen van het op te nemen artikel een adequate delegatiegrondslag in de Wet LB 1964 was opgenomen. Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt per 1 januari 2011 in artikel 27 van de Wet LB 1964 een delegatiebepaling opgenomen, welke met de onderhavige wijziging wordt ingevuld in artikel 7.1 van de URLB 2011.

In het kader van de eerder aangehaalde motie Jurgens c.s. is artikel 10g van het UBLB 1965 (waarin een afwijkend tijdstip van inhouding van loonbelasting voor in de onderneming van de ouder werkzame kinderen is geregeld) in gewijzigde vorm opgenomen in de URLB 2011. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de tekst van artikel 76 van de URLB 2001 en de tekst van artikel 10g van het UBLB 1965 in dat kader te integreren, nu artikel 76 van de URLB 2001 eveneens ziet op in de onderneming van de ouder werkzame kinderen. Deze geïntegreerde tekst wordt opgenomen in artikel 7.1 van de URLB 2011. Het eerste en tweede lid van artikel 7.1 van de URLB 2011 zijn gebaseerd op artikel 27, zesde lid, van de Wet LB 1964. Het derde lid is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdelen a, c en e, van de Wet LB 1964. Inhoudelijk is met deze aanpassingen geen wijziging beoogd.

 

Artikel 7.2 Loonstaat

1.         De inhoudingsplichtige legt voor iedere werknemer voor de eerste loonverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

2.         De inhoudingsplichtige wordt geacht aan het eerste lid te voldoen ingeval hij met behulp van elektronische apparatuur alle van belang zijnde gegevens vastlegt en hij die gegevens op elk gewenst tijdstip op schrift in de vorm van een van de in het eerste lid bedoelde loonstaten ter inzage kan verstrekken.

3.         De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige de op de loonstaat te vermelden gegevens op een andere dan de in het eerste of het tweede lid bedoelde wijze administreert. De instemming kan te allen tijde worden ingetrokken indien de administratie niet zodanig is ingericht dat een deugdelijke controle gewaarborgd is.

4.         De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:

a.         de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7.9 verstrekte informatie;

b.         de door de werknemer of de Belastingdienst verstrekte opgave van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer.

5.         In afwijking in zoverre van het vierde lid, aanhef en onderdeel a, vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

a.         indien hij weet dat de laatstelijk door de werknemer op grond van artikel 7.9 verstrekte informatie onjuist is;

b.         zolang de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7.9 heeft verstrekt;

c.         indien de werknemer geen informatie als bedoeld in artikel 7.9 hoeft te verstrekken.

6.         De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 26b van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens, vermeld in het hoofd van de loonstaat.

7.         De inhoudingsplichtige houdt de loonadministratie op de plaats waar hij in Nederland kantoor houdt of, indien zodanig kantoor niet wordt gehouden, op de plaats waar hij in Nederland woont of gevestigd is, of op de plaats waar hij in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft. Bij gebreke daarvan houdt hij de loonadministratie onder zijn berusting. De inspecteur kan een andere plaats aanwijzen.

8.         Ingeval de loonberekening door derden wordt uitgevoerd met behulp van mechanische of elektronische apparatuur, kan de Minister, onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat de loonadministratie op een andere plaats wordt bewaard.

9.         Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en inkomen kunstenaars.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel c, van de Wet LB 1964. De tekst van artikel 7.2, eerste lid tot en met achtste lid, van de URLB 2011 is ontleend aan artikel 67 van de URLB 2001. In het negende lid van artikel 7.2 van de URLB 2011 is een uitzondering opgenomen voor werknemers die uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren of de Wet werk en inkomen kunstenaars genieten. Deze bepaling is ontleend aan de artikelen 77 en 78 van de URLB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel 7.3 Administratie uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet

1.         De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet.

2.         De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren dan bij de loonadministratie, mits:

a.         hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b.         de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de loonadministratie wordt gevoerd.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel c, van de Wet LB 1964 en ontleend aan artikel 68 van de URLB 2001, met dien verstande dat de tekst is aangepast naar aanleiding van de invoering van de werkkostenregeling. Dit artikel regelt de verplichting voor de inhoudingsplichtige om gegevens met betrekking tot bepaalde uitkeringen en verstrekkingen te administreren.

 

Artikel 7.4 Jaaropgaaf

1.         De inhoudingsplichtige verstrekt aan de werknemer een jaaropgaaf.

2.         Ten aanzien van de werknemer van wie in verband met gemoedsbezwaren geen premie voor de volksverzekeringen is geheven, bevat de jaaropgaaf de mededeling dat in plaats van premie voor de volksverzekeringen tot eenzelfde bedrag premievervangende belasting is ingehouden.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel d, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 74 van de URLB 2001.

 

Artikel 7.5 Identificatieplicht

1.         De inhoudingsplichtige stelt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden van de werknemer, of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, de identiteit van de werknemer vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2.         Indien uit het afschrift van het in het eerste lid bedoelde document niet de aard en het nummer van dat document blijkt, administreert de inhoudingsplichtige de aard en het nummer van dat document bij de loonadministratie.

3.         De inspecteur kan, al dan niet onder door hem te stellen voorwaarden, bepalen dat de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften op een andere plaats worden bewaard.

4.         De inhoudingsplichtige bewaart de in dit artikel bedoelde gegevens en afschriften ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel e, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 66 van de URLB 2001.

 

Artikel 7.6 Eerstedagsmelding

1.         De eerstedagsmelding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de wet, wordt langs elektronische weg gedaan.

2.         Ingeval met toepassing van artikel 20, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 voor de loonbelasting ontheffing is verleend van de in het tweede lid van dat artikel genoemde verplichting tot het doen van aangifte langs elektronische weg, wordt, in afwijking van het eerste lid, de eerstedagsmelding gedaan door het invullen, ondertekenen en inleveren of toezenden van het door de inspecteur uitgereikte of toegezonden meldingsformulier.

3.         De eerstedagsmelding bevat:

a.         het loonheffingennummer van de inhoudingsplichtige;

b.         het burgerservicenummer van de werknemer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer of, bij het ontbreken van deze nummers, een uniek personeelsnummer;

c.         de naam van de werknemer;

d.         de geboortedatum van de werknemer;

e.         de datum van aanvang van de werkzaamheden.

Ingeval de eerstedagsmelding ingevolge het tweede lid met een meldingsformulier wordt gedaan, bevat de eerstedagsmelding tevens de naam van de inhoudingsplichtige.

4.         De vorige leden zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel f, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 66a van de URLB 2001.

(nr. DV 2011/283M, Stcrt. 2011, 11029, Artikelsgewijs) De wijziging in artikel 7.6 van de URLB 2011 houdt verband met een technische aanpassing in artikel 28 van de Wet LB 1964 per 1 januari 2011. De verwijzing in het eerstgenoemde artikel naar een onderdeel van artikel 28 van de Wet LB 1964 was abusievelijk nog niet aangepast aan die wijziging. Met de onderhavige wijziging wordt deze verwijzing alsnog met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 dienovereenkomstig aangepast.

 

Artikel 7.7 Einde inhoudingsplicht

Indien een inhoudingsplichtige in enig tijdvak voorziet dat hij gerekend vanaf het einde van dat tijdvak ten minste 12 maanden geen inhoudingsplichtige zal zijn, doet hij daarvan binnen een maand na afloop van dat tijdvak mededeling aan de inspecteur.

 

Het is de bedoeling om dit artikel in de URLB 2011 op te nemen zodra op dat punt een delegatiebevoegdheid in de wet is opgenomen. Een voorstel voor een dergelijke delegatiebevoegdheid is inmiddels aanhangig gemaakt.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) In de op 14 september 2010 vastgestelde URLB 2011 is artikel 7.7 gereserveerd, omdat voor het op te nemen artikel nog geen adequate delegatiegrondslag in de Wet LB 1964 was opgenomen. Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt per 1 januari 2011 in artikel 28, onderdeel g, van de Wet LB 1964 een delegatiebepaling opgenomen, welke met de onderhavige wijziging wordt ingevuld in artikel 7.7 van de URLB 2011.

De tekst van artikel 7.7 van de URLB 2011 is ontleend aan artikel 73 van de URLB 2001, met dien verstande dat aan het begrip ‘tijdelijk’ invulling is gegeven. Ingeval een inhoudingsplichtige voorziet dat hij binnen 12 maanden weer werknemers in dienst neemt, zoals bij seizoensarbeid voorkomt, hoeft hij geen mededeling te doen van het einde van zijn inhoudingsplicht.

 

Artikel 7.8 Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht

1.         Indien degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a, eerste lid, van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, is hij verplicht binnen acht weken na deze constatering door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

2.         Indien de inspecteur ten aanzien van degene die is opgehouden inhoudingsplichtige te zijn binnen de in artikel 28a, tweede lid, van de wet bedoelde termijn van vijf jaren constateert dat deze een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, kan hij deze verplichten binnen een door hem te stellen termijn door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken.

3.         Voor de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a, eerste lid, van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid moet worden verstrekt.

4.         Ten aanzien van de inhoudingsplichtige voor wie het tijdvak waarover de loonbelasting moet worden betaald een kalenderhalfjaar of kalenderjaar is, geldt in afwijking in zoverre van artikel 28a, tweede lid, van de wet dat het correctiebericht met de juiste en volledige gegevens binnen een door de inspecteur te stellen termijn moet worden verstrekt.

5.         Indien een correctiebericht betrekking heeft op een aangifte over een tijdvak in een verstreken kalenderjaar kan:

a.         de inhoudingsplichtige, in afwijking van artikel 28a, eerste lid, van de wet, dat correctiebericht binnen acht weken na de constatering van de onjuistheid of onvolledigheid los van een aangifte aan de inspecteur toezenden;

b.         de inspecteur, in afwijking van artikel 28a, tweede lid, van de wet, de inhoudingsplichtige verplichten dat correctiebericht al dan niet gelijktijdig met een aangifte binnen een door hem te stellen termijn aan hem toe te zenden.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28a, vierde lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 80a van de URLB 2001.

 

Artikel 7.9 Opgave van gegevens door de werknemer

1.         De werknemer verstrekt voor de datum van aanvang van de werkzaamheden, of voor de aanvang van de werkzaamheden indien de dienstbetrekking is overeengekomen op de datum waarop de werkzaamheden aanvangen, aan de inhoudingsplichtige schriftelijk, gedagtekend en ondertekend:

a.         zijn naam met voorletters;

b.         zijn geboortedatum;

c.         zijn burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer;

d.         zijn adres met postcode;

e.         zijn woonplaats en, ingeval hij niet in Nederland woont, zijn woonland en regio.

Ingeval de werknemer geen werkzaamheden verricht, wordt de in de vorige volzin bedoelde opgave gedaan voordat de werknemer loon van de inhoudingsplichtige geniet.

2.         De inhoudingsplichtige bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd.

3.         De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van:

a.         de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren;

b.         de werknemer die uitkeringen geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars;

c.         de werknemer die uitkeringen geniet wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid of uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet, indien degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of laatstelijk heeft gestaan, de voor de heffing van de belasting vereiste gegevens, daaronder begrepen het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer, schriftelijk mededeelt aan de inhoudingsplichtige;

d.         de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt en loon uit vroegere dienstbetrekking geniet indien de inhoudingsplichtige weet dat de werknemer tevens een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of een uitkering of een inkomensvoorziening ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten geniet;

e.         de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet, of loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin niet zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;

f.          de in Nederland wonende werknemer die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en loon geniet in de vorm van uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet of loon uit vroegere dienstbetrekking geniet waarin zijn begrepen de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;

g.         de werknemer die loon geniet in de vorm van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

4.         Indien de inhoudingsplichtige niet bekend is met het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de in het vierde lid bedoelde werknemer, verzoekt de inhoudingsplichtige voor de eerste loonverstrekking de werknemer om opgave van zijn burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer. De werknemer doet deze opgave voor de eerste loonverstrekking toekomen aan de inhoudingsplichtige.

 

In artikel 7.9 van de URLB 2011 is artikel 29, eerste lid, van de Wet LB 1964 nader uitgewerkt. De tekst van artikel 7.9, eerste tot en met derde lid, van de URLB 2011 is ontleend aan artikel 65 van de URLB 2001. In het vierde lid is nader bepaald welke werknemers niet verplicht zijn de in artikel 7.9, eerste en tweede lid, van de URLB 2011 genoemde gegevens te verstrekken. Hierbij heeft een hergroepering plaatsgevonden van de in artikel 77, artikel 78 en artikel 79, eerste lid, van de URLB 2001 genoemde groepen werknemers waarvan normaal gesproken de gegevens al bekend zijn bij een uitkeringsinstantie. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt de bepaling die tot en met 31 december 2010 is opgenomen in artikel 65, tweede lid, van de URLB 2001, verplaatst naar artikel 23, eerste lid, van de Wet LB 1964. De tekst van artikel 65, tweede lid, van de URLB 2001 was in de op 14 september 2010 vastgestelde URLB 2011 opgenomen in artikel 7.9, tweede lid, van de URLB 2011. De onderhavige wijziging houdt verband met het verplaatsen van de inhoud van dat tweede lid naar de Wet LB 1964.

 

Artikel 7.10 Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

1.         De artikelen 7.5 en 7.9 zijn niet van toepassing ingeval de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt bij een inhoudingsplichtige die met de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtige van de werknemer behoort tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen in de zin van artikel 27e van de wet.

2.         Zodra de inhoudingsplichtige en de zonder onderbreking voorafgaande inhoudingsplichtigen van de werknemer niet langer tot dezelfde samenhangende groep inhoudingsplichtigen behoren, zijn de artikelen 7.5 en 7.9 alsnog van toepassing alsof de inhoudingsplichtige op dat moment ten aanzien van de werknemer inhoudingsplichtige wordt en de werknemer op dat moment zijn werkzaamheden aanvangt.

3.         Het tweede lid is niet van toepassing indien de ten aanzien van de werknemer van belang zijnde stukken, bedoeld in de artikelen 7.5 en 7.9, aan de inhoudingsplichtige zijn overgedragen. Artikel 7.5, vierde lid, en artikel 7.9, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel e, en artikel 29, eerste lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 79a van de URLB 2001.

 

HOOFDSTUK 8 HEFFING VAN DE INHOUDINGSPLICHTIGE (HOOFDSTUK V VAN DE WET)

 

Artikel 8.1 Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

Als uitkeringen van publiekrechtelijke aard die buiten aanmerking worden gelaten in het kader van de heffing van andere belastingen of in het kader van andere wettelijke regelingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel c, van de wet worden aangewezen:

a.         uitkeringen ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen;

b.         tegemoetkomingen ingevolge artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964 en ziet op een tweetal eindheffingsbestanddelen dat door de werkkostenregeling niet geraakt wordt. De tekst is ontleend aan artikel 81 van de URLB 2001, met dien verstande dat de onderdelen a, c en d van genoemd artikel 81 niet zijn overgenomen, omdat de in die onderdelen genoemde uitkeringen niet meer voorkomen.

In artikel 8.1, onderdeel a, van de URLB 2011 zijn uitkeringen ingevolge de Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen aangemerkt als eindheffingsbestanddeel.

In artikel 8.1, onderdeel b, van de URLB 2011 zijn tegemoetkomingen ingevolge artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten aangemerkt als eindheffingsbestanddeel.

 

Artikel 8.2 Afgifte EVC-verklaringen

De verklaring, bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, van de wet, wordt afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31a, tweede lid, onderdeel d, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 28 van de URLB 2001.

 

Artikel 8.3 Aangewezen regio’s uitgezonden werknemers

1.         Als regio als bedoeld in artikel 10e, tweede lid, onderdeel c, onder 4º, van het besluit worden aangewezen:

a.         de landen in Azië (waaronder Hong Kong en het gedeelte van Turkije dat ten oosten van de Bosporus is gelegen);

b.         de landen in Afrika;

c.         de landen in Latijns Amerika (waaronder Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES eilanden);

d.         de volgende landen in Europa: Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Estland, Georgië, Hongarije, Kosovo, Kroatië, Letland, Litouwen, Macedonië, Moldavië, Montenegro, Oekraïne, Polen, Roemenië, Rusland, Servië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.

2.         Onder de in het eerste lid genoemde landen worden begrepen gebieden gelegen buiten de territoriale wateren van die landen waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kunnen uitoefenen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB 1964 en artikel 8, tweede lid, onderdeel c, onder 4º, van het UBLB 1965. De tekst is ontleend aan artikel 27 van de URLB 2001, met dien verstande dat de lijst is geactualiseerd.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Vanwege de vernummering van artikel 8 van het UBLB 1965 tot artikel 10e van dat besluit wordt de in de aanhef van artikel 8.3 van de URLB 2011 opgenomen verwijzing naar artikel 8 van het UBLB 1965 eveneens aangepast. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel 8.4 Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

1.         Voor de toepassing van artikel 31a, tweede lid, onderdeel f, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking door de verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking met ten minste 60% verkleint terwijl tot die verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking ten minste 25 kilometer bedroeg.

2.         Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31a, tweede lid, onderdeel f, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 25 van de URLB 2001 met dien verstande dat de tekst is geactualiseerd. Met de actualisering wordt een nadere invulling gegeven aan de beschrijving van de situaties waarbij in ieder geval wordt aangenomen dat de werknemer in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd. Gebleken is namelijk dat er meer verhuizingen zijn waarbij op voorhand op basis van de verkleining van de woon-werkafstand kan worden gezegd dat sprake is van een verhuizing in het kader van de dienstbetrekking. Het betreft een codificatie van situaties die nu reeds op basis van de huidige wet- en regelgeving in aanmerking kunnen komen voor een onbelaste verhuiskostenvergoeding.

Met ingang van 1 januari 2009 geldt op grond van artikel 25, eerste lid, van de URLB 2001 dat de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd als hij binnen twee jaar na aanvaarding van een nieuwe diensbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking is verhuisd naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde. In andere situaties geldt de gebruikelijke bewijslastverdeling. In de praktijk wordt een verhuizing die binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking plaatsvindt daardoor ook zonder aanvullend bewijs als zakelijk aangemerkt ingeval de werknemer niet is verhuisd naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking, maar als gevolg van de verhuizing de tot die verhuizing ten minste 25 kilometer belopende afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking wel met ten minste 60% heeft verkleind. Met de actualisering van de regeling wordt dit gecodificeerd. Hiermee wordt vastgelegd dat iedere verhuizing binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking waarbij de woon-werkafstand voor de verhuizing ten minste 25 kilometer was en door de verhuizing de woon-werkafstand met ten minste 60% wordt verkleind, wordt beschouwd als een verhuizing in het kader van de dienstbetrekking. Hierdoor wordt de verhuizing waarbij de woon-werkafstand wordt teruggebracht van ten minste 25 kilometer naar 10 kilometer of minder nog steeds zonder nadere toets als een verhuizing in het kader van de dienstbetrekking aangemerkt, maar is vastgelegd dat dit bijvoorbeeld ook geldt voor de verhuizing waarbij de woon-werkafstand van 100 kilometer wordt teruggebracht naar 40 kilometer of minder.

Eenzelfde wijziging zal voor ondernemers en resultaatgenieters in de inkomstenbelasting worden aangebracht in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Ook artikel 25 van de URLB 2001 zal op dit punt worden aangepast ten behoeve van situaties waarin gebruik wordt gemaakt van het in artikel 39c van de Wet LB 1964 opgenomen keuzeregime.

 

Artikel 8.5 Verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers

Als eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 32ab, eerste lid, van de wet worden aangewezen:

a.         voordelen uit spaarsystemen en goederen of diensten, in de promotionele sfeer;

b.         verstrekkingen die tegelijkertijd en voor dezelfde gelegenheid aan de eigen werknemers zijn verstrekt.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 32ab, eerste lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 84a van de URLB 2001, met dien verstande dat thans geen maximum meer geldt. Voor het overige is geen wijziging beoogd.

 

Artikel 8.6 Niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

1.         Voor de toepassing van artikel 32ba van de wet wordt een uitkering, een bijdrage of een premie eveneens beschouwd niet te drukken op een inhoudingsplichtige voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat hij ter zake op een later moment bedragen van werknemers gaat inhouden of van andere inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan gaat krijgen.

2.         Indien de in het eerste lid bedoelde inhouding of voldoening niet binnen een jaar na het in artikel 32ba, tweede lid, van de wet bedoelde tijdstip heeft plaatsgevonden, wordt de uitkering, de bijdrage of de premie op dat moment geacht op de inhoudingsplichtige te drukken.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 32ba, achtste lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 85a van de URLB 2001.

 

Artikel 8.7 Geen regeling voor vervroegde uittreding

1.         Een regeling ingevolge welke de jaarlijkse arbeidsduur ten opzichte van de jaarlijkse arbeidsduur in het voorafgaande kalenderjaar met ten hoogste 50% wordt verminderd, wordt niet aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba van de wet. De eerste volzin is niet van toepassing indien:

a.         de arbeidsduur meer dan 50% lager is dan de arbeidsduur in het laatste kalenderjaar voorafgaand aan het begin van de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, of

b.         anders dan als gevolg van ziekte, arbeidsongeschiktheid of jaarlijks vakantieverlof, per week minder dan 50% van de arbeidsduur per week zoals die gold in het laatste kalenderjaar, bedoeld in onderdeel a, feitelijk pleegt te worden gewerkt.

2.         Een regeling die uitsluitend voorziet in uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, wordt niet aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding in de zin van artikel 32ba van de wet, indien:

a.         deze uitkeringen naar aard, strekking, omvang en uitkeringsduur overeenkomen met de uitkeringen ingevolge aanspraken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de wet, en

b.         werknemers die deze uitkeringen genieten in de periode van de uitkeringen geen uitkeringen ter zake van dezelfde dienstbetrekking genieten ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de wet.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 32ba, achtste lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 85b van de URLB 2001.

 

HOOFDSTUK 9 AANVULLENDE REGELINGEN (HOOFDSTUK VI VAN DE WET)

 

Artikel 9.1 Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten

Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat – of, indien krachtens artikel 8 van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander – wordt geacht de uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten te verstrekken die door zijn tussenkomst worden uitbetaald.

 

De artikelen 9.1 tot en met 9.6 van de URLB 2011 zijn gebaseerd op artikel 33, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB 1964. Artikel 9.7 van de URLB 2011 is gebaseerd op artikel 33, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet LB 1964. De tekst van de artikelen 9.1 tot en met 9.7 van de URLB 2011 is ontleend aan de artikelen 86 tot en met 94 van de URLB 2001, met dien verstande dat de volgorde enigszins is aangepast.

 

Artikel 9.2 Berekening van de belasting bij aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten

Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat – of, indien krachtens artikel 8 van de wet een ander als inhoudingsplichtige is aangewezen, die ander – berekent de belasting over de door hem verstrekte aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringwetten over het gezamenlijk bedrag en brengt op de aldus berekende belasting in mindering de op de uitkeringen ingehouden belasting.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 9.1)

 

Artikel 9.3 Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

Een inhoudingsplichtige die aan een of meer werknemers loon uit een vroegere dienstbetrekking – niet zijnde uitkeringen ingevolge de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren – verstrekt, wordt ook geacht te verstrekken:

a.         het loon uit een vroegere dienstbetrekking dat door zijn tussenkomst wordt uitbetaald;

b.         de uit de vroegere dienstbetrekking genoten aanspraak op uitkeringen ingevolge een ziektekostenregeling.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 9.1)

 

Artikel 9.4 Samenvoeging van loon

1.         Een inhoudingsplichtige wordt in de gevallen, bedoeld in de artikelen 9.1 en 9.3, alsmede indien hij loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt, geacht het totale bedrag aan loon te verstrekken uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking.

2.         Het eerste lid is niet van toepassing op de samenloop van:

a.         een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 10 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en ander loon uit vroegere dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige verstrekt;

b.         een uitkering ter zake van een afkoop als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en ander loon uit vroegere dienstbetrekking dat de inhoudingsplichtige verstrekt.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 9.1)

 

Artikel 9.5 Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

1.         Indien een inhoudingsplichtige aan de werknemer loon verstrekt over een ander tijdvak dan dat waarover hij het regelmatig wederkerende loon verstrekt, wordt naar het loon over dat andere tijdvak verschuldigde belasting, ter keuze van de inhoudingsplichtige, berekend hetzij door toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen, hetzij volgens het tweede en het derde lid.

2.         De belasting naar het loon over het andere tijdvak is gelijk aan het verschil van:

a.         de belasting die op het tijdstip waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt, verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip tevens werd verstrekt het loon over de met dat andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatig wederkerende loon, en

b.         de belasting die op het tijdstip waarop het loon over het andere tijdvak wordt verstrekt, verschuldigd zou zijn indien op dat tijdstip uitsluitend werd verstrekt het loon over de met dat andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatig wederkerende loon.

3.         Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, wordt als loontijdvak aangemerkt een tijdvak dat even groot is als de gezamenlijke met het andere tijdvak geheel of gedeeltelijk samenvallende tijdvakken van het regelmatig wederkerende loon.

4.         Ingeval regelmatig wederkerend loon wordt verstrekt over tijdvakken van verschillende duur die gedeeltelijk samenvallen, wordt slechts het loon over het kortste van die tijdvakken als regelmatig wederkerend loon beschouwd.

5.         Ingeval een inhoudingsplichtige loon uit meer dan een vroegere dienstbetrekking verstrekt of geacht wordt te verstrekken, wordt de belasting naar het loon over het andere tijdvak – indien dit, afgezien van het vierde lid, regelmatig wederkerend loon is – steeds berekend volgens het tweede en het derde lid.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 9.1)

 

Artikel 9.6 Informatieplicht bij loon van derde

Ingeval de in te houden belasting mede afhankelijk is van loon dat is verstrekt of geacht wordt te zijn verstrekt door een derde, of van loon van een derde dat door de inhoudingsplichtige geacht wordt te zijn verstrekt, deelt die derde de van belang zijnde gegevens alsmede het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer, schriftelijk mede aan de inhoudingsplichtige.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 9.1)

 

Artikel 9.7 Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

1.         De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden ermee instemmen dat de inhoudingsplichtige met betrekking tot bepaalde categorieën werknemers voorlopig volstaat met uitbetaling van een geschat nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening.

2.         De inhoudingsplichtige rekent bij de laatste loonverstrekking in een tijdvak van ten hoogste drie maanden met de werknemer de belasting af die is verschuldigd ter zake van het in dat tijdvak aan de werknemer toekomende loon waarop de instemming betrekking heeft, met dien verstande dat bij de laatste loonverstrekking in een kalenderjaar steeds afrekening plaatsvindt. Daarbij wordt de verschuldigde belasting bepaald als ware het loon verstrekt op het tijdstip waarop de afrekening plaatsvindt en over het tijdvak waarop de afrekening betrekking heeft.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 9.1)

 

HOOFDSTUK 10 BELASTINGHEFFING VAN ARTIESTEN EN BEROEPSSPORTERS (HOOFDSTUK VII VAN DE WET)

 

Artikel 10.1 Consumpties tijdens werktijd

1.         Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, behoren in ieder geval niet tot de gage, bedoeld in artikel 35 van de wet, indien deze vergoedingen € 0,55 per gewerkte dag niet te boven gaan.

2.         Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.

 

Het is de bedoeling om dit artikel in de URLB 2011 op te nemen zodra op dat punt een delegatiebevoegdheid in de wet is opgenomen. Een voorstel voor een dergelijke delegatiebevoegdheid is inmiddels aanhangig gemaakt.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Artikel 10.1, eerste lid, van de URLB 2011 geeft uitvoering aan artikel 35, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964, zoals dit met ingang van 1 januari 2011 komt te luiden, en bepaalt in het kader van de belastingheffing van artiesten en beroepssporters in welke gevallen vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, niet tot de gage van artiesten en beroepssporters behoren. In artikel 10.1, tweede lid, van de URLB 2011 wordt vervolgens geregeld dat het eerste lid niet van toepassing is ingeval (naast de vergoeding) tevens sprake is van tijdens de werktijd verstrekte consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd. Inhoudelijk komen de bepalingen van artikel 10.1 van de URLB 2011 overeen met artikel 46 van de URLB 2001 dat als gevolg van het vervallen van de URLB 2001 per 1 januari 2011 zal vervallen.

 

Artikel 10.2 Gageverklaring

1.         De Belastingdienst verstrekt aan de inhoudingsplichtige het model van de gageverklaring met de daarbij behorende toelichting. De inhoudingsplichtige reikt dienovereenkomstig een gageverklaring met toelichting aan de artiest of beroepssporter uit:

a.         zodra hij ten aanzien van de artiest of beroepssporter inhoudingsplichtige wordt;

b.         op verzoek van de artiest of beroepssporter;

c.         zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de artiest of beroepssporter in de laatstelijk ingeleverde gageverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat de artiest of beroepssporter een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

2.         De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de Belastingdienst verstrekte model van de gageverklaring gebruikmaken van een eigen model gageverklaring, mits dat model ten minste de gegevens bevat van het door de Belastingdienst verstrekte model, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen.

3.         De artiest of beroepssporter verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een gageverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

4.         De artiest of beroepssporter aan wie een gageverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de gageverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de inhoudingsplichtige. De artiest of beroepssporter levert de ingevulde en ondertekende gageverklaring in voor de eerste gageverstrekking.

5.         De inhoudingsplichtige bewaart de gageverklaring tot ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het optreden of de sportbeoefening heeft plaatsgevonden bij de loonadministratie. Desgevraagd doet de inhoudingsplichtige de gageverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

 

De artikelen 10.2 tot en met 10.7 van de URLB 2011 geven nadere uitwerking aan de belastingheffing van artiesten en beroepssporters in hoofdstuk VII van de Wet LB 1964. De delegatiebevoegdheden daartoe zijn opgenomen in de artikelen 35d en 35e van de Wet LB 1964.

De artikelen 10.2, 10.3, 10.4, 10.5, 10.6 en 10.7 van de URLB 2011 zijn ontleend aan de artikelen 95, 97, 98, 104, 96 en 104a van de URLB 2001. Met deze omzetting is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De nieuwe volgorde van de bepalingen volgt de volgorde van de bepalingen waarin de delegatiebevoegdheden in de Wet LB 1964 opgenomen zijn. Hiermee wordt beoogd de indeling van de bepalingen in de URLB 2011 beter te laten aansluiten bij de wettelijke bepalingen.

 

Artikel 10.3 Loonstaat

1.         De inhoudingsplichtige legt voor iedere artiest of beroepssporter voor de eerste gageverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij. De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

2.         De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan:

a.         de laatstelijk van de artiest of beroepssporter terugontvangen gageverklaring;

b.         de door de in Nederland wonende artiest of beroepssporter verstrekte opgaaf van zijn burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, zijn sociaal-fiscaalnummer, of de door de inspecteur verstrekte opgaaf van dat nummer.

3.         In afwijking in zoverre van het tweede lid, aanhef en onderdeel a, vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

a.         indien hij weet dat de laatstelijk van de artiest of beroepssporter terugontvangen gageverklaring onjuiste gegevens bevat;

b.         zolang hij niet de laatstelijk uitgereikte gageverklaring ingevuld van de artiest of beroepssporter heeft terugontvangen.

4.         Artikel 7.2, tweede, derde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

5.         De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 35a, derde lid, van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens, vermeld in het hoofd van de loonstaat.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 10.2)

 

Artikel 10.4 Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

1.         De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de aan de artiest of beroepssporter verstrekte kostenvergoedingen en verstrekkingen, voor zover deze niet tot de gage, bedoeld in artikel 35 van de wet, behoren, alsmede aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

2.         De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a.         hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b.         de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de administratie wordt gevoerd.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 10.2)

 

Artikel 10.5 Jaaropgaaf

De inhoudingsplichtige verstrekt aan de artiest of beroepssporter een jaaropgaaf. Aan de niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter verstrekt de inhoudingsplichtige een jaaropgaaf slechts op diens verzoek.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 10.2)

 

Artikel 10.6 Identificatieplicht

1.         De inhoudingsplichtige stelt zodra de artiest of beroepssporter zijn werkzaamheden aanvangt diens identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2.         Artikel 7.5, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 10.2)

 

Artikel 10.7 Uitzonderingen op de toepassing van artikel 10.3

1.         Artikel 10.3 is niet van toepassing indien de in te houden belasting nihil bedraagt doordat:

a.         de artiest of beroepssporter slechts vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 35, derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet geniet, of

b.         met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening de individuele kostenvergoedingsbeschikking of de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking, bedoeld in artikel 12a, zevende lid, van het besluit, wordt toegepast.

2.         Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inspecteur zulks ten aanzien van de inhoudingsplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaart.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 10.2)

 

HOOFDSTUK 11 BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE GEZELSCHAPPEN (HOOFDSTUK VIIA VAN DE WET)

 

Artikel 11.1 In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

Indien tot een buitenlands gezelschap een lid behoort dat in Nederland woont, is met betrekking tot dat lid niet dit hoofdstuk, maar hoofdstuk 10 van toepassing.

 

De bepalingen 11.1 en 11.3 tot en met 11.7 van de URLB 2011 zijn gebaseerd op de artikelen 35k, 35l en 35m van de Wet LB 1964 waarin de belastingheffing van de buitenlandse gezelschappen wordt geregeld en zijn ontleend aan de artikelen 104b, 104c, 104e, 104f, 104d en 104j van de URLB 2001. Met deze omzetting is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De nieuwe volgorde van de bepalingen volgt de volgorde van de bepalingen waarin delegatiebevoegdheden in de Wet LB 1964 opgenomen zijn. Hiermee wordt beoogd de indeling van de bepalingen in de URLB 2011 beter te laten aansluiten bij de wettelijke bepalingen.

 

Artikel 11.2 Consumpties tijdens werktijd

1.         Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, behoren in ieder geval niet tot de gage, bedoeld in artikel 35g van de wet, indien deze vergoedingen € 0,55 per gewerkte dag niet te boven gaan.

2.         Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.

 

Het is de bedoeling om dit artikel in de URLB 2011 op te nemen zodra op dat punt een delegatiebevoegdheid in de wet is opgenomen. Een voorstel voor een dergelijke delegatiebevoegdheid is inmiddels aanhangig gemaakt.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Artikel 11.2, eerste lid, van de URLB 2011 geeft uitvoering aan artikel 35g, derde lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964, zoals dit met ingang van 1 januari 2011 komt te luiden, en bepaalt in het kader van de belastingheffing van buitenlandse gezelschappen in welke gevallen vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd, niet tot de gage behoren. In artikel 11.2, tweede lid, van de URLB 2011 wordt vervolgens geregeld dat het eerste lid niet van toepassing is ingeval (naast de vergoeding) tevens sprake is van tijdens de werktijd verstrekte consumpties die geen deel uitmaken van een maaltijd. Inhoudelijk komen de bepalingen van artikel 11.2 van de URLB 2011 overeen met artikel 46 van de URLB 2001 dat als gevolg van het vervallen van de URLB 2001 per 1 januari 2011 vervalt.

 

Artikel 11.3 Gageverklaring

1.         De Belastingdienst verstrekt aan de inhoudingsplichtige het model van de gageverklaring met de daarbij behorende toelichting. De inhoudingsplichtige reikt dienovereenkomstig een gageverklaring met toelichting aan de leider of vertegenwoordiger van een buitenlands gezelschap uit:

a.         zodra hij ten aanzien van het gezelschap inhoudingsplichtige wordt;

b.         op verzoek van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap;

c.         zodra hij weet dat zich een wijziging heeft voorgedaan in de gegevens die de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap in de laatstelijk ingeleverde gageverklaring heeft verstrekt en die wijziging tot gevolg heeft dat het gezelschap een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

2.         De inhoudingsplichtige mag in plaats van het door de Belastingdienst verstrekte model van de gageverklaring gebruikmaken van een eigen model gageverklaring, mits dat model ten minste de gegevens bevat van het door de Belastingdienst verstrekte model, inclusief de gebruiksaanwijzing en de toelichting op de vragen.

3.         De leider of vertegenwoordiger van het gezelschap verzoekt de inhoudingsplichtige om uitreiking van een gageverklaring indien zich een wijziging voordoet in de eerder door hem verstrekte gegevens en die wijziging tot gevolg heeft dat een hoger bedrag aan belasting wordt verschuldigd.

4.         De leider of vertegenwoordiger van het gezelschap aan wie een gageverklaring is uitgereikt, is gehouden de daarbij gevraagde gegevens te verstrekken door de gageverklaring duidelijk, stellig en zonder voorbehoud ingevuld en ondertekend, in te leveren bij de inhoudingsplichtige voor de eerste gageverstrekking.

5.         De inhoudingsplichtige bewaart de gageverklaring ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het optreden of de sportbeoefening heeft plaatsgevonden bij de loonadministratie. Desgevraagd doet de inhoudingsplichtige de gageverklaring aan de inspecteur toekomen binnen een door deze gestelde termijn.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 11.1)

 

Artikel 11.4 Loonstaat

1.         De inhoudingsplichtige legt voor ieder buitenlands gezelschap voor de eerste gageverstrekking in het kalenderjaar een loonstaat aan en houdt deze vervolgens bij.

2.         De loonstaat wordt opgemaakt overeenkomstig het door de inspecteur verstrekte model. De inhoudingsplichtige mag een van het model afwijkende loonstaat gebruiken, mits deze ten minste de mogelijkheid biedt op duidelijke wijze dezelfde gegevens te administreren als het model.

3.         De inhoudingsplichtige ontleent de in het hoofd van de loonstaat te vermelden gegevens aan de laatstelijk van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap terugontvangen gageverklaring.

4.         In afwijking in zoverre van het derde lid vermeldt de inhoudingsplichtige in het hoofd van de loonstaat de gegevens die hem bekend zijn:

a.         indien hij weet dat de laatstelijk van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap terugontvangen gageverklaring onjuiste gegevens bevat;

b.         zolang hij niet de laatstelijk uitgereikte gageverklaring ingevuld van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap heeft terugontvangen.

5.         Artikel 7.2, tweede, derde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

6.         De inhoudingsplichtige houdt, behalve in de gevallen, bedoeld in artikel 35h, derde lid, van de wet, de belasting in aan de hand van de gegevens, vermeld in het hoofd van de loonstaat.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 11.1)

 

Artikel 11.5 Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

1.         De inhoudingsplichtige administreert bij de loonadministratie de gegevens met betrekking tot de aan het buitenlandse gezelschap verstrekte kostenvergoedingen en verstrekkingen, voor zover deze niet tot de gage, bedoeld in artikel 35g van de wet, behoren, alsmede aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen.

2.         De inhoudingsplichtige kan de in het eerste lid bedoelde gegevens op een andere plaats administreren, mits:

a.         hij dit onder vermelding van de nieuwe bewaarplaats vooraf meldt aan de inspecteur, en

b.         de gegevens op verzoek van de inspecteur voor controle beschikbaar komen op de plaats waar de administratie wordt gevoerd.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 11.1)

 

Artikel 11.6 Identificatieplicht

1.         De inhoudingsplichtige stelt zodra het buitenlandse gezelschap zijn werkzaamheden aanvangt de identiteit van een zo groot mogelijk deel, maar van ten minste het merendeel van de leden van het gezelschap vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht en houdt een afschrift van dat document voor controle beschikbaar bij de loonadministratie.

2.         Artikel 7.5, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 11.1)

 

Artikel 11.7 Uitzonderingen op de toepassing van artikel 11.4

1.         Artikel 11.4 is niet van toepassing indien de in te houden belasting nihil bedraagt doordat:

a.         het buitenlandse gezelschap slechts vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 35g, derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet ontvangt, of

b.         met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening de gezelschapskostenvergoedingsbeschikking, bedoeld in artikel 12a, zevende lid, van het besluit, wordt toegepast.

2.         Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inspecteur zulks ten aanzien van de inhoudingsplichtige bij voor bezwaar vatbare beschikking verklaart.

 

(Red.: zie de toelichting op artikel 11.1)

 

HOOFDSTUK 12 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 12.1 Overgangsregeling loonbelastingverklaring

1.         Ten aanzien van de werknemer die op 31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was ingedeeld in tariefgroep 0, wordt de belasting ingehouden zonder toepassing van de heffingskorting.

2.         Ten aanzien van de werknemer die op 31 december 2000 overeenkomstig de loonbelastingverklaring was ingedeeld in tariefgroep 1, 2, 3, 4 of 5, wordt de belasting ingehouden met toepassing van de heffingskorting.

3.         Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is van toepassing totdat de inhoudingsplichtige op grond van het bepaalde in artikel 65, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals dat op 31 december 2006 luidde, aan de werknemer een loonbelastingverklaring moet uitreiken of totdat de werknemer op grond van artikel 23, eerste lid, van de wet een verzoek doet om toepassing van de heffingskorting of overeenkomstig deze bepaling verzoekt de heffingskorting niet meer toe te passen.

4.         De laatstelijk van de werknemer terugontvangen loonbelastingverklaring, bedoeld in artikel 29, vierde lid, van de wet, zoals dat op 31 december 2006 luidde, wordt voor de toepassing van de heffingskorting aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet onderscheidenlijk de intrekking van een dergelijk verzoek.

5.         De inhoudingsplichtige bewaart de in het vierde lid bedoelde loonbelastingverklaring ten minste vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is geëindigd bij de loonadministratie.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 28, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 105 van de URLB 2001.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Ingevolge de Fiscale verzamelwet 2010 wordt de bepaling die tot en met 31 december 2010 is opgenomen in artikel 65, tweede lid, van de URLB 2001, per 1 januari 2011 verplaatst naar artikel 23, eerste lid, van de Wet LB 1964. De onderhavige wijziging houdt verband met deze verplaatsing.

 

Artikel 12.2 Overgangsregeling niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

1.         Voor de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet, blijven bedragen die de inhoudingsplichtige van werknemers heeft ingehouden buiten aanmerking, voor zover deze bedragen ingevolge de op het moment van inhouding ter zake van deze inhouding geldende tekst van artikel 11 van de wet niet tot het loon behoren.

2.         Voor de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet, blijven bijdragen en premies die de inhoudingsplichtige van andere inhoudingsplichtigen voldaan heeft gekregen buiten aanmerking, voor zover artikel 32ba, eerste lid, van de wet, bij die andere inhoudingsplichtigen niet van toepassing is op deze bijdragen en premies.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 32ba, achtste lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 106 van de URLB 2001.

 

Artikel 12.2a Overgangsregeling gedeeltelijk drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

1.         Voor de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet, blijven bedragen die de inhoudingsplichtige van werknemers heeft ingehouden voor de helft buiten aanmerking, voor zover deze bedragen ingevolge de op het moment van inhouding ter zake van deze inhouding geldende tekst van artikel 11 van de wet voor de helft niet tot het loon behoren en voor zover blijkt dat deze bedragen met het oog op de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet op een ongebruikelijk tijdstip zijn ingehouden.

2.         Voor de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet, blijven bijdragen en premies die de inhoudingsplichtige van andere inhoudingsplichtigen voldaan heeft gekregen voor de helft buiten aanmerking, voor zover artikel 32ba, eerste lid, van de wet bij die andere inhoudingsplichtigen naar een tarief van 26% van toepassing is op deze bijdragen en premiesen voor zover blijkt dat deze bijdragen en premies met het oog op de toepassing van artikel 32ba, derde lid, van de wet op een ongebruikelijk tijdstip zijn voldaan.

 

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Ingevolge de tot 1 januari 2011 geldende tekst van artikel 32ba, eerste lid, van de Wet LB 1964 wordt een door een inhoudingsplichtige gedane en op hem drukkende uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding alsmede een door een inhoudingsplichtige voldane en op hem drukkende bijdrage of premie aan een fonds dat of een verzekeraar die een zodanige regeling uitvoert, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 26% (VUT-hefffing). Het tarief van 26% is een – bij wijze van overgangsrecht geïntroduceerd – verlaagd tarief voor de VUT-heffing. Dit overgangsrecht loopt af op 31 december 2010. Vanaf 1 januari 2011 geldt het op grond van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling geïntroduceerde tarief van 52%.

In artikel 32ba, derde lid, van de Wet LB 1964 is geregeld wanneer een uitkering, bijdrage of premie geacht wordt niet op de inhoudingsplichtige te drukken. Daarmee wordt beoogd om cumulatie van VUT-heffingen te voorkomen. Daartoe is bepaald dat een uitkering, een bijdrage of een premie wordt beschouwd niet te drukken op een inhoudingsplichtige voor zover de inhoudingsplichtige ter zake bedragen van werknemers heeft ingehouden of van andere inhoudingsplichtigen bijdragen of premies voldaan heeft gekregen; in die situatie zijn die bedragen en bijdragen of premies – althans in de structurele situatie – immers reeds in de heffing betrokken.

Om oneigenlijk gebruik van de laatstgenoemde bepaling te voorkomen, is in 2005 een regeling in artikel 106 van de URLB 2001 opgenomen, waarmee werd voorkomen dat het uiterst aantrekkelijk zou worden om in 2005 extra premies in een bestaand VUT-fonds te storten en deze bedragen na 2005 te gebruiken voor het doen van uitkeringen, waarbij tot het bedrag van de in 2005 gestorte bedragen de in artikel 32ba van de Wet LB 1964 bedoelde eindheffing niet zou gelden voor die uitkeringen. De tot 1 januari 2011 in artikel 106 van de URLB 2001 opgenomen regeling, wordt met ingang van die datum in artikel 12.2 van de URLB 2011 opgenomen.

De bovengenoemde mogelijkheid van oneigenlijk gebruik van de in artikel 32ba, derde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen mogelijkheid zou zonder nadere bepaling mutatis mutandis eveneens gelden voor de inhouding van werknemersbijdragen of de voldoening van bijdragen of premies door een andere inhoudingsplichtige op een tijdstip dat de inhouding bij de werknemer op grond van de getroffen overgangsregeling nog voor de helft aftrekbaar was of dat ter zake van de voldoening van de bijdragen of premies nog een eindheffing op de voet van artikel 32ba van de Wet LB 1964 was verschuldigd van 26%. In situaties waarin naar verwachting ook na 31 december 2010 nog uitkeringen ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding zullen worden gedaan, zou het uiterst aantrekkelijk worden om de daarvoor benodigde premies uiterlijk op 31 december 2010 in het VUT-fonds te storten. Daarbij zou – tot het bedrag van de tot en met die datum gestorte bedragen – voor die uitkeringen (feitelijk) nog steeds het overgangsregime blijven gelden. Om ook deze ontgaansmogelijkheden te voorkomen, wordt met ingang van 1 januari 2011 een met artikel 12.2 van de URLB 2011 vergelijkbare regeling in artikel 12.2a van de URLB 2011 opgenomen. Deze bepaling is evenals artikel 12.2 van de URLB 2011 gebaseerd op de in artikel 32ba, achtste lid, van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiebevoegdheid.

Artikel 12.2a, eerste lid, van de URLB 2011 ziet – net als artikel 12.2, eerste lid, van de URLB 2011 – op de uitkeringen, premies of bijdragen die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd uit van de werknemers ingehouden bedragen en het tweede lid ziet – net als artikel 12.2, tweede lid, van de URLB 2011 – op uitkeringen, premies of bijdragen die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd uit bijdragen of premies die de inhoudingsplichtige voldaan heeft gekregen van andere inhoudingsplichtigen. Er is net als bij artikel 12.2 van de URLB 2011 bewust voor gekozen om de toepassing van deze bepalingen niet te koppelen aan de vraag in hoeverre daadwerkelijk heffing heeft plaatsgevonden, maar in hoeverre die heffing had moeten plaatsvinden op grond van de op het moment van inhouding of voldoening ter zake geldende wetgeving. De toets of de heffing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is voor de inhoudingsplichtige – zeker in de situatie dat de inhouding of voldoening langer geleden heeft plaatsgevonden – in het algemeen immers niet goed mogelijk.

 (nr. DV 2011/283M, Stcrt. 2011, 11029, Artikelsgewijs) Met het met ingang van 1 januari 2011 ingevoerde artikel 12.2a van de URLB 2011 wordt beoogd te voorkomen dat door middel van een ongebruikelijke voorfinanciering van regelingen voor vervroegde uittreding onbedoeld gebruik wordt gemaakt van de in artikel 32ba, derde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen anti-cumulatiebepaling. Zonder de eerstgenoemde bepaling zou men in de genoemde situatie de toepassing van het vanaf 1 januari 2011 voor de zogenoemde VUT-heffing geldende tarief van 52% kunnen ontlopen. De in artikel III, onderdeel C, opgenomen aanpassing van artikel 12.2a van de URLB 2011 heeft tot doel de tekst van dat artikel in overeenstemming te brengen met deze bedoeling. Zoals aangegeven is in de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal Groot en Vermeij2 dient de toepassing van het genoemde artikel beperkt te blijven tot situaties waarin sprake is van een ongebruikelijke voorfinanciering die samenhangt met de toepassing van de hiervoor genoemde anti-cumulatiebepaling. De bewijslast dat de financiering op een ongebruikelijke tijdstip heeft plaatsgevonden en dat dit verband houdt met de toepassing van de genoemde anti-cumulatiebepaling, berust bij de inspecteur. Van financiering op een ongebruikelijk tijdstip zal bijvoorbeeld sprake zijn, indien in een regeling voor vervroegde uittreding die in het verleden gefinancierd werd op basis van het omslagstelsel, in het jaar 2010 een premie of bijdrage is gestort of schuldig is erkend waarmee toekomstige uitkeringen voor meerdere jaren (bijvoorbeeld voor de komende vijf jaren) ineens zijn (voor)gefinancierd. Van een ongebruikelijke voorfinanciering is bijvoorbeeld geen sprake, indien aan het einde van het jaar 2010 een ontslaguitkering is toegekend in de vorm van een stamrecht waarbij de koopsom voor de toekomstige uitkeringen ineens is voldaan.

 

Artikel 12.3 Actuariële herrekening bij uitstel ingangsdatum

Voor de actuariële herrekening, bedoeld in de artikelen 38c en 38d van de wet, mag de in de regeling vastgestelde ingangsdatum worden vervangen door 1 januari 2006, indien de ingangsdatum in de regeling is vastgesteld op een eerdere datum dan 1 januari 2006.

 

De tekst van dit artikel is ontleend aan artikel 107 van de URLB 2001.

 

Artikel 12.4 Overgangsregeling aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling

Voor aanspraken ingevolge een regeling voor verlofsparen als bedoeld in artikel 11 van de wet, zoals dit op 31 december 2005 luidde, blijven de artikelen 12 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals deze op 31 december 2005 luidden, van toepassing, voor zover deze aanspraken niet zijn omgezet in aanspraken ingevolge een levensloopregeling.

 

De tekst van dit artikel is ontleend aan artikel 108 van de URLB 2001.

 

Artikel 12.5 Verhoging maximale opbouw aanspraken ingevolge een levensloopregeling

In afwijking in zoverre van artikel 5.6 kunnen voor werknemers die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de leeftijd van 56 jaar hebben bereikt, in het kalenderjaar meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12% van het loon van het jaar, voor zover de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van 2,1 jaar niet te boven gaan.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 19g, negende lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 109, eerste lid, van de URLB 2001. Het tweede lid van artikel 109 van de URLB 2001 is niet overgenomen in artikel 12.5 van de URLB 2011, omdat dit overgangsrecht door het tijdsverloop geen betekenis meer heeft.

 

Artikel 12.6 Toerekening van door afkoop pensioen ontstane aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan andere inhoudingsplichtige

De met toepassing van artikel 109, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals dit op 31 december 2010 luidde, ontstane aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige tot wie de werknemer op het moment van het ontstaan van de aanspraken in dienstbetrekking stond. Indien de werknemer op het moment van het ontstaan van de aanspraken tot meer dan een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking stond, worden de in de eerste volzin bedoelde aanspraken geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige die in het loontijdvak waarin de afkoop plaatsvond bij de inhouding van loonbelasting de algemene heffingskorting heeft toegepast.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 19g, negende lid, van de Wet LB 1964. De tekst is ontleend aan artikel 109a van de URLB 2001, met dien verstande dat er enige tekstuele wijzigingen zijn aangebracht, zonder dat daarmee een inhoudelijke wijziging is beoogd.

 

Artikel 12.7 Toepassing keuzeregime

Ingeval de inhoudingsplichtige artikel 39c, eerste lid, van de wet toepast:

a.         zijn niet van toepassing:

1°.      hoofdstuk 4a van het besluit;

2°.      de artikelen 3.7, 3.8, 3.9, 3.10, 3.11, 7.3, 8.2, 8.3, 8.4, 8.5, 10.1, 11.2 en 12.7a;

b.         blijven van toepassing:

1°.      de artikelen 8 tot en met 10 en 10f van het besluit, zoals deze op 31 december 2010 luidden;

2°.      de artikelen 2, 8, 9, 20, 21, 21a, 21b, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 32a, 33, 34, 35, 36, 37, 41, 43, 44, 45, 46, 47, 51, 52, 55, 56, 59, 68, 82, 82a, 84 en 84a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zoals deze op 31 december 2010 luidden, met inachtneming van de krachtens artikel 39c, derde lid, van de wet aangebrachte wijzigingen.

 

Het is de bedoeling om dit artikel in de URLB 2011 op te nemen zodra op dat punt een delegatiebevoegdheid in de wet is opgenomen. Een voorstel voor een dergelijke delegatiebevoegdheid is inmiddels aanhangig gemaakt.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) Artikel 12.7 van de URLB 2011 is gebaseerd op artikel 39c, eerste lid, van de Wet LB 1964 en geeft vorm aan de overgangsbepaling van de werkkostenregeling in lagere regelgeving. Indien de inhoudingsplichtige bij aanvang van het kalenderjaar, of bij aanvang van de inhoudingsplicht, ervoor kiest het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen toe te passen, zijn de op dit punt relevante artikelen in lagere regelgeving, zoals deze luidde op 31 december 2010, van toepassing en gelden de met de werkkostenregeling samenhangende artikelen in deze regelgeving niet.

Ingeval wordt gekozen voor het overgangsregime, is in artikel 12.7, onderdeel a, onder 1°, van de URLB 2011 opgenomen dat hoofdstuk 4a van het UBLB 1965 niet van toepassing is. In artikel 12.7, onderdeel a, onder 2°, van de URLB 2011 is bepaald welke artikelen van de URLB 2011 niet van toepassing zijn. Tevens gelden bij toepassing van het overgangsregime nog wel de in artikel 12.7, onderdeel b, onder 1°, van de URLB 2011 genoemde artikelen 8 tot en met 10 en 10f van het UBLB 1965, zoals deze luidden op 31 december 2010. Ook de in artikel 12.7, onderdeel b, onder 2°, van de URLB 2011 genoemde artikelen van de URLB 2001 zoals die artikelen op 31 december 2010 luidden, blijven, met inachtneming van de krachtens artikel 39c, derde lid, van de Wet LB 1964 aangebrachte wijzigingen, van toepassing voor de inhoudingsplichtige die kiest voor het overgangsregime.

 

Artikel 12.7a Overgangsregeling saldering reiskosten

Ingeval de inhoudingsplichtige in het aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar artikel 10f, eerste of vierde lid, van het besluit, zoals dat luidde op 31 december 2010, heeft toegepast, wordt het in dat voorafgaande kalenderjaar in artikel 10f, tweede of vierde lid, van het besluit, zoals dat luidde op 31 december 2010, bedoelde bedrag geacht te behoren tot het loon van het eerste loontijdvak van het kalenderjaar en geacht te zijn betaald op de laatste werkdag in januari van het kalenderjaar.

 

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Artikelsgewijs) In verband met de eerder aangehaalde motie Jurgens c.s. en de invoering van de werkkostenregeling per 1 januari 2011 wordt artikel 10f van het UBLB 1965 per die datum in gewijzigde vorm opgenomen in de Wet LB 1964. Eén van de inhoudelijke wijzigingen in de bepaling is dat het op de voet van artikel 10f van het UBLB 1965 als loon in aanmerking te nemen bedrag (in terminologie van de werkkostenregeling: de vergoedingen voor reiskosten voor zover deze de gerichte vrijstelling overstijgen) niet wordt geacht te behoren tot het loon van het eerste loontijdvak van het volgende kalenderjaar, maar tot het loon van het laatste loontijdvak van het kalenderjaar waarin de vergoedingen worden verstrekt. Artikel 12.7a van de URLB 2011 bepaalt dat het bedrag dat als gevolg van de toepassing van artikel 10f, tweede of vierde lid, van de UBLB 1965 tot het loon moet worden gerekend, in aanmerking wordt genomen in het eerste loontijdvak van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de vergoeding is verstrekt. Hiermee wordt voorkomen dat de afrekening bij saldering van de reiskosten in het jaar dat de overstap naar de werkkostenregeling (2011, 2012, 2013 of 2014) wordt gemaakt, achterwege zou blijven.

 

Artikel 12.8 Intrekking Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt ingetrokken.

 

De URLB 2001 wordt met ingang van 1 januari 2011 ingetrokken. Voor het verleden blijft deze uitvoeringsregeling echter onverkort van belang. De vraag bijvoorbeeld of een naheffingsaanslag met betrekking tot een tijdvak in het jaar 2010 terecht is opgelegd, moet dus beantwoord worden aan de hand van de met betrekking tot dat tijdvak in het jaar 2010 geldende bepalingen.

Daarnaast kan een aantal artikelen van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 ook voor de kalenderjaren 2011, 2012 en 2013, van belang zijn, en wel ingeval de inhoudingsplichtige met toepassing van artikel 39c, eerste lid, van de Wet LB 1964 voor het desbetreffende kalenderjaar kiest voor het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen.

 

Artikel 12.9 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.

 

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 treedt met ingang van 1 januari 2011 in werking.

 

Artikel 12.10 Citeertitel

1.         Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.

2.         De citeertitel kan worden afgekort tot: URLB 2011.

 

In dit artikel is de citeertitel en een afkorting van de citeertitel opgenomen.

 

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën,

J.C. de Jager

 


BIJLAGE BIJ DE TOELICHTING OP DE UITVOERINGSREGELING LOONBELASTING 2011

 

Transponeringstabellen

Veel bepalingen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn al dan niet gewijzigd opgenomen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. De onderstaande transponeringstabellen zijn bedoeld als een hulpmiddel om deze bepalingen – al dan niet in gewijzigde vorm – terug te kunnen vinden. Tevens blijven, ingeval de inhoudingsplichtige kiest voor toepassing van het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen, een aantal bepalingen van betekenis. Die bepalingen zijn aangeduid in een aparte kolom onder het kopje ‘Bij toepassing van oud regime geldend’.

(nr. DB 2010/281 M, Stcrt. 2010, 21111, Bijlage bij de toelichting op de wijzigingen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011) De URLB 2011, die per 1 januari 2011 in werking treedt, is ter vergemakkelijking van de invoering van de werkkostenregeling, reeds in september 2010 vastgesteld1 . De wijzigingen die met de onderhavige wijzigingsregeling worden aangebracht in de URLB 2011 zijn verwerkt in onderstaande transponeringstabellen.

De onderstaande geactualiseerde transponeringstabellen zijn bedoeld als een hulpmiddel bij de inwerkingtreding van de werkkostenregeling en de nieuwe URLB 2011.

De artikelen van de URLB 2011 (Red.: bedoeld is ‘URLB 2001’) die op grond van artikel 12.7 van de URLB 2011 van belang blijven ingeval de inhoudingsplichtige op grond van het keuzeregime kiest voor toepassing van het oude regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen zijn in de eerste tabel gearceerd (Red.: bedoeld is ’cursief’) weergegeven.

 

I. Transponeringstabel van Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar URLB 2011

 

Bepalingen in de URLB 2001

Onderwerp

Bepalingen in de URLB 2011

artikel 1

Reikwijdte

artikel 1.1

artikel 2

Definities

artikel 1.2

artikel 2a

Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Nederlandse Antillen of Aruba

artikel 2.1

artikel 2b

Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

artikel 2.2

artikel 3

Niet-inhoudingsplichtigen

artikel 2.3

artikel 4

Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

artikel 2.4

artikel 5

Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest dan wel een beroepssporter

artikel 2.5

artikel 6

Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

artikel 2.6

artikel 7

Niet tot het loon behorende aanspraken

artikel 3.2

artikel 8

Loon voor de toepassing van enkele regelingen

artikel 3.1

artikel 9

Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij telewerken

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid

artikel 11

Geclausuleerd verlof

artikel 3.3

artikel 12

Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

artikel 3.4

artikel 17

Fooien en dergelijke prestaties van derden

artikel 3.6

artikel 18

Waarde aanspraak

artikel 3.12, eerste lid

artikel 19

Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor ten minste 25 werknemers

artikel 3.12, tweede en derde lid

artikel 20

Waarde van het genot van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel f

artikel 21

Waarde kleding meewerkende kinderen

-

artikel 21a

Waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel e

artikel 21b

Waarde kinderopvang

artikel 3.8, aanhef en onderdeel c

artikel 21c

Waardering niet in geld genoten loon; privégebruik auto

artikel 3.13

artikel 22

Normeringen en beperkingen

artikel 23

Kosten werknemer bij gedeeltelijk vrije vergoedingen en verstrekkingen

artikel 24

Werkkleding

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c

artikel 25

Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

artikel 8.4

artikel 26

Openbaarvervoerkaart

artikel 3.9

artikel 27

Aangewezen regio's uitgezonden werknemers

artikel 8.3

artikel 28

Afgifte EVC-verklaringen

artikel 8.2

artikel 29

Bedrijfsfitness

opgegaan in artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel a

artikel 30

Definitie werkruimte

artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f

Artikel 31

Normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte

artikel 32

Personeelsverenigingen

artikel 32a

Personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen

artikel 33

Genot van een woning

artikel 3.11

artikel 34

Genot van bewassing, energie en water

artikel 35

Inwoning

artikel 3.8, aanhef en onderdeel b

artikel 36

Voordeelurenkaart

artikel 3.9

artikel 37

Fiets voor woon-werkverkeer

-

artikel 41

Producten eigen bedrijf

- [1]

artikel 43

ARBO

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid

artikel 44

Ongevallenverzekering

artikel 45

Outplacement

[2]

artikel 46

Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel d

artikel 47

Vaste vergoedingen

[3]

artikel 51

Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten

artikel 3.8, aanhef en onderdeel b

artikel 52

Bedragen bewassing, energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting

artikel 3.8, aanhef en onderdeel b

artikel 55

Maaltijden in bedrijfskantines

artikel 3.8, aanhef en onderdeel a

artikel 56

Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht

artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c

artikel 57

Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

artikel 3.12, vijfde lid

artikel 59

Rentevoordeel personeelsleningen

artikel 3.10

artikel 60

Splitsing pensioenregeling

artikel 4.1

artikel 60a

Aangewezen staten

artikel 4.2

artikel 61

Samenloop verschillende pensioenstelsels

artikel 4.3

artikel 61a

Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

artikel 5.1

artikel 61b

Levensloopregeling

artikel 5.2

artikel 61c

Levenslooprekening

artikel 5.3

artikel 61d

Levensloopverzekering

artikel 5.4

artikel 61da

Levenslooprecht van deelneming

artikel 5.5

artikel 61e

Maximale opbouw in een jaar

artikel 5.6

artikel 61f

Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening en bij een levenslooprecht van deelneming

artikel 5.7

artikel 61g

Toegestane aangroei boven het plafond van een levensloopverzekering

artikel 5.7

artikel 61h

Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

artikel 5.8

artikel 61i

Kredietfaciliteit

artikel 5.9

artikel 61j

Opgebouwde voorziening bij ingaan van het ouderdomspensioen

artikel 5.10

artikel 61k

Aangewezen buitenlandse aanbieders

artikel 5.11

artikel 62

Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

artikel 6.1

artikel 63

Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken

artikel 6.2

artikel 64

Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

artikel 6.3

artikel 64a

Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 6.4

artikel 65

Opgave van gegevens door werknemer

artikel 7.9

artikel 66

Identificatieplicht

artikel 7.5

artikel 66a

Eerstedagsmelding

artikel 7.6

artikel 67

Loonstaat

artikel 7.2

artikel 68

Administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen

artikel 7.3

artikel 73

Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

artikel 7.7

artikel 74

Jaaropgaaf

artikel 7.4

artikel 75

Uitzonderingen bij het enkel genieten van bepaalde subsidies

artikel 7.9, vierde lid

artikel 76

Uitzonderingen bij meewerkende kinderen

artikel 7.1

artikel 77

Uitzonderingen bij gerechtigden tot de bijstand

artikel 7.9, vierde lid, en artikel 7.2, negende lid

artikel 78

Uitzonderingen bij gerechtigden tot de inkomensvoorziening kunstenaars

artikel 7.9, vierde lid, en artikel 7.2, negende lid

artikel 79

Geen verplichting tot opgave van persoonlijke gegevens

artikel 7.9, vierde lid

artikel 79a

Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 7.10

artikel 80

Verstrekking sociaal-fiscaalnummer als overigens geen persoonlijke gegevens hoeven te worden verstrekt

artikel 7.9, vijfde lid

artikel 80a

Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienden van een correctiebericht

artikel 7.8

artikel 81

Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

artikel 8.1

artikel 82

Naar het tabeltarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon

artikel 82a

Bedrag per maand van het naar het tabeltarief te belasten loon in de vorm van vergoedingen en verstrekkingen

artikel 84

Naar het enkelvoudig tarief te belasten loon met een bestemmingskarakter

artikel 84a

Aangewezen verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers

artikel 8.5

artikel 85a

Niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 8.6

artikel 85b

Geen regeling voor vervroegde uittreding

artikel 8.7

artikel 86

Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringen

artikel 9.1

artikel 88

Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

artikel 9.3

artikel 89

Berekening van de belasting bij aanvulling op uitkeringen ingevolgde de sociale verzekeringswetten

artikel 9.2

artikel 91

Samenvoeging van loon

artikel 9.4

artikel 92

Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

artikel 9.5

artikel 93

Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

artikel 9.7

artikel 94

Informatieplicht bij loon van derde

artikel 9.6

artikel 95

Gageverklaring

artikel 10.2

artikel 96

Identificatieplicht

artikel 10.6

artikel 97

Loonstaat

artikel 10.3

artikel 98

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

artikel 10.4

artikel 104

Jaaropgaaf

artikel 10.5

artikel 104a

Uitzonderingen

artikel 10.7

artikel 104b

In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

artikel 11.1

artikel 104c

Gageverklaring

artikel 11.3

artikel 104d

Identificatieplicht

artikel 11.6

artikel 104e

Loonstaat

artikel 11.4

artikel 104f

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

artikel 11.5

artikel 104j

Uitzonderingen

artikel 11.7

artikel 105

Overgangsregeling loonbelastingverklaringen

artikel 12.1

artikel 106

Overgangsregeling niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 12.2

artikel 107

Actuariële herrekening bij uitstel ingangsdatum

artikel 12.3

artikel 107a

Overgangsregeling producten eigen bedrijf

artikel 108

Overgangsregeling aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling

artikel 12.4

artikel 109

Verhoging maximale opbouw aanspraken ingevolge een levensloopregeling

artikel 12.5

artikel 109a

Toerekening van door afkoop pensioen ontstane aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan andere inhoudingsplichtige

artikel 12.6

artikel 110

Overgangsregeling vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken

artikel 110a

Verrekening sociale uitkeringen in het jaar 2006

artikel 111

Toerekening loon van het jaar 2006 aan het jaar 2005

artikel 111a

Toerekening loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2006

artikel 111b

Toerekening loon van het jaar 2007 aan het jaar 2006

artikel 111c

Toerekening loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2007

artikel 112

Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990

artikel 113

Inwerkingtreding

artikel 12.9

artikel 114

Citeertitel

artikel 12.10

 

II.            Transponeringstabel van URLB 2011 naar Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

 

Bepalingen in de URLB 2011

Onderwerp

Bepalingen in de URLB 2001

artikel 1.1

Reikwijdte

artikel 1

artikel 1.2

Definities

artikel 2,

artikel 30

artikel 1.2

Definities

artikel 2,

artikel 30

artikel 2.1

Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Nederlandse Antillen of Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de BES eilanden

artikel 2a

artikel 2.2

Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

artikel 2b

artikel 2.3

Niet-inhoudingsplichtigen

artikel 3

artikel 2.4

Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

artikel 4

artikel 2.5

Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest of een beroepssporter

artikel 5

artikel 2.6

Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

artikel 6

artikel 3.1

Loon voor de toepassing van enkele regelingen

artikel 8

artikel 3.2

Niet tot het loon behorende aanspraken

artikel 7

artikel 3.3

Geclausuleerd verlof

artikel 11

artikel 3.4

Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

artikel 12

artikel 3.5

Niet tot het loon gerekende premie

artikel 3.6

Fooien en dergelijke prestaties van derden

artikel 17

artikel 3.7

Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (waarde nihil)

 

– eerste lid, aanhef en onderdeel a

Voorzieningen waarvan het niet gebruikelijk is deze elders te gebruiken of verbruiken

artikel 29 is hierin opgegaan

– eerste lid, aanhef en onderdeel b

ARBO

artikel 9,

artikel 43

– eerste lid, aanhef en onderdeel c

Werkkleding

artikel 24, artikel 56

– eerste lid, aanhef en onderdeel d

Consumpties

artikel 46

– eerste lid, aanhef en onderdeel e

Ter beschikking gestelde hulpmiddelen, waaronder computers en dergelijke apparatuur

artikel 21a

– eerste lid, aanhef en onderdeel f

Waarde van het genot van ter beschikking gestelde mobiele communicatiemiddelen

artikel 20

– eerste lid, aanhef en onderdeel g

huisvesting en inwoning ter vervulling van de dienstbetrekking

– tweede lid

ARBO-voorzieningen thuiswerk

artikel 9,

artikel 43

artikel 3.8

Bepaling waarde voorzieningen op de werkplek (lager dan waarde in het economische verkeer of factuurwaarde)

artikel 29

– aanhef en onderdeel a

Maaltijden in bedrijfskantines

artikel 55

– aanhef en onderdeel b

Huisvesting en inwoning inclusief genot van energie, water en bewassing

artikel 35,

artikel 51, artikel 52

– aanhef en onderdeel c

Waarde kinderopvang

artikel 21b

artikel 3.9

Bepaling van waarde privégebruik openbaarvervoerkaart en voordeelurenkaart

artikel 26,

artikel 36

artikel 3.10

Bepaling waarde rentevoordeel personeelsleningen

artikel 59

artikel 3.11

Bepaling waarde genot van de dienstwoning

artikel 33

artikel 3.12

Bepaling waarde aanspraken, waaronder aanspraken op ziektekostenregelingen

 

– eerste lid

Waarde aanspraak

artikel 18

– tweede en derde lid

Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor ten minste 25 werknemers

artikel 19

– vierde lid

Maximumwaarde Belgische ziektekostenverzekering

– vijfde lid

Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

artikel 57

artikel 3.13

Privégebruik auto; rittenregistratie, loontijdvakken en verklaring geen privégebruik

artikel 21c

artikel 4.1

Splitsing pensioenregeling

artikel 60

artikel 4.2

Aanwijzing van een aantal van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

artikel 60a

artikel 4.3

Samenloop verschillende pensioenstelsels

artikel 61

artikel 5.1

Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

artikel 61a

artikel 5.2

Levensloopregeling

artikel 61b

artikel 5.3

Levenslooprekening

artikel 61c

artikel 5.4

Levensloopverzekering

artikel 61d

artikel 5.5

Levenslooprecht van deelneming

artikel 61da

artikel 5.6

Maximale opbouw in een jaar

artikel 61e

artikel 5.7

Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening, bij een levensloopverzekering en bij een levenslooprecht van deelneming

artikel 61f, artikel 61g

artikel 5.8

Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

artikel 61h

artikel 5.9

Kredietfaciliteit

artikel 61i

artikel 5.10

Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen

artikel 61j

artikel 5.11

Aangewezen buitenlandse aanbieders

artikel 61k

artikel 6.1

Afwijkend loontijdvak bij een werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

artikel 62

artikel 6.2

Afwijkend loontijdvak bij een werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken

artikel 63

artikel 6.3

Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

artikel 64

artikel 6.4

Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 64a

artikel 7.1

In de onderneming van de ouder werkzame kinderen

artikel 76

artikel 7.2

Loonstaat

artikel 67,

artikel 77,

artikel 78

artikel 7.3

Administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, van de wet

artikel 68

artikel 7.4

Jaaropgaaf

artikel 74

artikel 7.5

Identificatieplicht

artikel 66

artikel 7.6

Eerstedagsmelding

artikel 66a

artikel 7.7

Einde inhoudingsplicht

artikel 73

artikel 7.8

Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht

artikel 80a

artikel 7.9

Opgave van gegevens door de werknemer

artikel 65, artikel 75, artikel 77,

artikel 78, artikel 79, artikel 80

artikel 7.10

Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

artikel 79a

artikel 8.1

Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

artikel 81

artikel 8.2

Afgifte EVC-verklaringen

artikel 28

artikel 8.3

Aangewezen regio's uitgezonden werknemers

artikel 27

artikel 8.4

Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

artikel 25

artikel 8.5

Verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers

artikel 84a

artikel 8.6

Niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 85a

artikel 8.7

Geen regeling voor vervroegde uittreding

artikel 85b

artikel 9.1

Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolgde de sociale verzekeringswetten

artikel 86

artikel 9.2

Berekening van de belasting bij aanvullingen op uitkeringen ingevolgde de sociale verzekeringswetten

artikel 89

artikel 9.3

Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

artikel 88

artikel 9.4

Samenvoeging van loon

artikel 91

artikel 9.5

Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

artikel 92

artikel 9.6

Informatieplicht bij loon van derde

artikel 94

artikel 9.7

Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

artikel 93

artikel 10.1

artikel 10.2

Gageverklaring

artikel 95

artikel 10.3

Loonstaat

artikel 97

artikel 10.4

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

artikel 98

artikel 10.5

Jaaropgaaf

artikel 104

artikel 10.6

Identificatieplicht

artikel 96

artikel 10.7

Uitzonderingen op de toepassing van artikel 10.3

artikel 104a

artikel 11.1

In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

artikel 104b

artikel 11.2

Consumpties tijdens werktijd

artikel 11.3

Gageverklaring

artikel 104c

artikel 11.4

Loonstaat

artikel 104e

artikel 11.5

Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen en aanspraken

artikel 104f

artikel 11.6

Identificatieplicht

artikel 104d

artikel 11.7

Uitzonderingen op de toepassing van artikel 11.4

artikel 104j

artikel 12.1

Overgangsregeling loonbelastingverklaringen

artikel 105

artikel 12.2

Overgangsregeling niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

artikel 106

artikel 12.3

Actuariële herrekening bij uitstel ingangsdatum

artikel 107

artikel 12.4

Overgangsregeling aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling

artikel 108

artikel 12.5

Verhoging maximale opbouw aanspraken ingevolge een levensloopregeling

artikel 109

artikel 12.6

Toerekening van door afkoop pensioen ontstane aanspraken en ingevolge een levensloopregeling aan andere inhoudingsplichtige

artikel 109a

artikel 12.7

Toepassing keuzeregime

artikel 12.7a

Overgangsregeling saldering reiskosten

artikel 12.8

Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

artikel 12.9

Inwerkingtreding

artikel 113

artikel 12.10

Citeertitel

artikel 114

 

 

 

-o-



1 Overigens wordt naar budgettaire ruimte gezocht om de regeling zo aan te passen dat kleding met een logo van ten minste 70 cm2 alsnog op nihil kan worden gewaardeerd. (Red.: Inmiddels achterhaald.)

2 Kamerstukken II 2008/09, 32 128, nr. 45.

3 Kamerstukken II 2007/08, 26 834, nr. 20.

4 Kamerstukken II 2008/2009, 26 834, nr. 21.

[1] Zie artikel 13, tweede lid van de Wet LB 1964, zoals dat per 1 januari 2011 komt te luiden.

[2] Zie artikel 31a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964, zoals dat per 1 januari 2011 komt te luiden.

[3] Zie artikel 31a, derde lid, van de Wet LB 1964, zoals dat per 1 januari 2011 komt te luiden.