MvM URLB 2001

Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001

(tekst 2010 - bijgewerkt voor http://www.loonheffing.nl/)

 

Vastgesteld op 20 december 2000, nr. WDB 2000/955M, zoals laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 10 maart 2010, nr. DV 2010/76, Stcrt. 2010 nr. 4089.

INHOUDSOPGAVE

(aanhef)

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1. Reikwijdte

Artikel 2. Definities

HOOFDSTUK 2. BELASTINGPLICHT (hoofdstuk I van de wet)

Artikel 2a. Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Nederlandse Antillen of Aruba

Artikel 2b. Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

Artikel 3. Niet-inhoudingsplichtigen

Artikel 4. Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

Artikel 5. Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest dan wel een beroepssporter

Artikel 6. Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

HOOFDSTUK 3. VOORWERP VAN DE BELASTING (hoofdstuk II van de wet)

Artikel 7. Niet tot het loon behorende aanspraken

Artikel 8. Loon voor de toepassing van enkele regelingen

Artikel 9. Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij telewerken

Artikel 10. Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij woon-werkverkeer waarbij tevens een of meer andere werknemers worden vervoerd [vervallen]

Artikel 11. Geclausuleerd verlof

Artikel 12. Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

Artikel 13. Verlofsparen: geldsparen en tijdsparen [vervallen]

Artikel 14. Maximale opbouw in een jaar bij verlofsparen [vervallen]

Artikel 15. Toegestane aangroei boven het plafond bij verlofsparen [vervallen]

Artikel 16. Wijze van beschikken over verlofspaartegoed [vervallen]

Artikel 17. Fooien en dergelijke prestaties van derden

Artikel 18. Waarde aanspraak

Artikel 19. Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor ten minste 25 werknemers

Artikel 20. Waarde van het genot van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen

Artikel 21. Waarde kleding meewerkende kinderen

Artikel 21a. Waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer

Artikel 21b. Waarde kinderopvang

Artikel 21c. Waardering niet in geld genoten loon; privé-gebruik auto

HOOFDSTUK 4. VRIJE VERGOEDINGEN EN VERSTREKKINGEN (hoofdstuk IIA van de wet)

Artikel 22. Normeringen en beperkingen

Artikel 23. Kosten werknemer bij gedeeltelijk vrije vergoedingen en verstrekkingen

Artikel 24. Werkkleding

Artikel 25. Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

Artikel 26. Openbaarvervoerkaart

Artikel 27. Aangewezen regio’s uitgezonden werknemers

Artikel 28. Afgifte EVC-verklaringen

Artikel 29. Bedrijfsfitness

Artikel 30. Werkruimte

Artikel 31. Normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte

Artikel 32. Personeelsverenigingen

Artikel 32a. Personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen

Artikel 33. Genot van een woning

Artikel 34. Genot van bewassing, energie en water

Artikel 35. Inwoning

Artikel 36. Voordeelurenkaart

Artikel 37. Fiets voor woon-werkverkeer

Artikel 38. Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers [vervallen]

Artikel 39. Telefoon [vervallen]

Artikel 40. Tweede of een volgende telefoon bij geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruik [vervallen]

Artikel 41. Producten eigen bedrijf

Artikel 42. Personeelsfeesten, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen [vervallen]

Artikel 43. ARBO

Artikel 44. Ongevallenverzekering

Artikel 45. Outplacement

Artikel 46. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd

Artikel 47. Vaste vergoedingen

Artikel 48. Buitenlandse regelingen inzake kinderopvang [vervallen]

Artikel 49. Vrije vergoedingen kinderopvang [vervallen]

Artikel 50. Vrije verstrekkingen kinderopvang [vervallen]

Artikel 51. Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten

Artikel 52. Bedragen bewassing, energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting

Artikel 53. Kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms [vervallen]

Artikel 54. Therapeutisch meeëten [vervallen]

Artikel 55. Maaltijden in bedrijfskantines

Artikel 56. Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht

Artikel 57. Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

Artikel 58. Collectieve ziektekostenregeling waarvan de waardering hoger zou zijn dan de kosten van een individuele verzekering [vervallen]

Artikel 59. Rentevoordeel personeelsleningen

HOOFDSTUK 5. PENSIOENREGELINGEN (hoofdstuk IIB van de wet)

Artikel 60. Splitsing pensioenregeling

Artikel 60a. (Red.: Aanwijzing E.E.R.-staten o.g.v. artikel 19a Wet LB 1964)

Artikel 61. Samenloop verschillende pensioenstelsels

HOOFDSTUK 5A. LEVENSLOOPREGELING (hoofdstuk IIC van de wet)

Artikel 61a. Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

Artikel 61b. Levensloopregeling

Artikel 61c. Levenslooprekening

Artikel 61d. Levensloopverzekering

Artikel 61da. Levenslooprecht van deelneming

Artikel 61e. Maximale opbouw in een jaar

Artikel 61f. Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening en bij een

levenslooprecht van deelneming

Artikel 61g. Toegestane aangroei boven het plafond bij een levensloopverzekering

Artikel 61h. Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

Artikel 61i. Kredietfaciliteit

Artikel 61j. Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen

Artikel 61k. Aangewezen buitenlandse aanbieders

HOOFDSTUK 6. TARIEF (hoofdstuk III van de wet)

Artikel 62. Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

Artikel 63. Afwijkend loontijdvak bij werknemer met vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken

Artikel 64. Afwijkend loontijdvak bij sommige studenten en scholieren

Artikel 64a. Toepassing tabel bijzondere beloningen bij wisseling van werkgever binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen

HOOFDSTUK 7. WIJZE VAN HEFFING (hoofdstuk IV van de wet)

Artikel 65. Opgave van gegevens door de werknemer

Artikel 66. Identificatieplicht

Artikel 66a. Eerstedagsmelding

Artikel 67. Loonstaat

Artikel 68. Administratie uitkeringen, vergoedingen en verstrekkingen

Artikel 69. Loonbelastingkaart en coderingslijst [vervallen]

Artikel 70. Loonbelastingkaart huispersoneel [vervallen]

Artikel 71. Uitreiken formulieren [vervallen]

Artikel 72. Inleveren formulieren [vervallen]

Artikel 73. Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht

Artikel 74. Jaaropgaaf

Artikel 75. Uitzonderingen bij het enkel genieten van bepaalde subsidies

Artikel 76. Uitzondering bij meewerkende kinderen

Artikel 77. Uitzondering bij gerechtigden tot de bijstand

Artikel 78. Uitzondering bij gerechtigden tot de inkomensvoorziening kunstenaars.

Artikel 79. Geen verplichting tot opgave van persoonlijke gegevens

Artikel 79a. Uitzonderingen bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen

Artikel 80. Verstrekking sociaalfiscaalnummer als overigens geen persoonlijke gegevens hoeven te worden verstrekt

Artikel 80a. Afwijkende regels met betrekking tot de verplichting tot het indienen van een correctiebericht

HOOFDSTUK 8. EINDHEFFING (hoofdstuk V van de wet)

Artikel 81. Uitkeringen van publiekrechtelijke aard

Artikel 82. Naar het tabeltarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon

Artikel 82a. Bedrag per maand van het naar het tabeltarief te belasten loon in de vorm van vergoedingen en verstrekkingen

Artikel 83. Naar het enkelvoudige tarief te belasten bezwaarlijk te individualiseren loon [vervallen]

Artikel 84. Naar het enkelvoudige tarief te belasten loon met een bestemmingskarakter

Artikel 84a. Aangewezen verstrekkingen aan anderen dan de eigen werknemers

Artikel 85. Aangewezen inhoudingsplichtigen bij eindheffing [vervallen]

Artikel 85a. Niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

Artikel 85b. Geen regeling voor vervroegde uittreding

HOOFDSTUK 9. AANVULLENDE REGELINGEN (hoofdstuk VI van de wet)

Artikel 86. Door tussenkomst van de inhoudingsplichtige uitbetaalde uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringen

Artikel 87. Doorbetaald loon uit tegenwoordige dienstbetrekking [vervallen]

Artikel 88. Meerdere gevallen van loon uit vroegere dienstbetrekking

Artikel 89. Berekening van de belasting bij aanvullingen op uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten

Artikel 90. Berekening van de belasting bij samenloop van pensioenuitkeringen

Artikel 91. Samenvoeging van loon

Artikel 92. Loon over een ander tijdvak dan het regelmatig wederkerende loon

Artikel 93. Nettoloon, gevolgd door periodieke afrekening

Artikel 94. Informatieplicht bij loon van derde

HOOFDSTUK 10. BELASTINGHEFFING VAN ARTIESTEN EN BEROEPSSPORTERS (hoofdstuk VII van de wet)

Artikel 95. Gageverklaring

Artikel 96. Identificatieplicht

Artikel 97. Loonstaat

Artikel 98. Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

Artikel 99. Loonbelastingkaart en coderingslijst [vervallen]

Artikel 100. Uitreiken formulieren [vervallen]

Artikel 101. Inleveren formulieren [vervallen]

Artikel 102. Verplichtingen bij einde inhoudingsplicht [vervallen]

Artikel 103. Afwijkende termijnen [vervallen]

Artikel 104. Jaaropgaaf

Artikel 104a. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 10A. BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE GEZELSCHAPPEN (hoofdstuk VIIA van de wet)

Artikel 104b. In Nederland wonende leden van het buitenlandse gezelschap

Artikel 104c. Gageverklaring

Artikel 104d. Identificatieplicht

Artikel 104e. Loonstaat

Artikel 104f. Administratie kostenvergoedingen, verstrekkingen in natura en aanspraken

Artikel 104g. Loonbelastingkaart en coderingslijst [vervallen]

Artikel 104h. Uitreiken formulieren [vervallen]

Artikel 104i. Inleveren formulieren [vervallen]

Artikel 104j. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 11. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 105. Overgangsregelingen loonbelastingverklaringen

Artikel 106. Overgangsregeling niet-drukkende uitkering, bijdrage of premie ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding

Artikel 107. Actuariële herrekening bij uitstel ingangsdatum

Artikel 107a. Overgangsregeling producten eigen bedrijf

Artikel 108. Overgangsregeling aanspraken ingevolge een verlofspaarregeling

Artikel 109. Verhoging maximale opbouw aanspraken ingevolge een levensloopregeling

Artikel 109a. Toerekening van door afkoop pensioen ontstane aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan andere inhoudingsplichtige

Artikel 110. Overgangsregeling vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken

Artikel 110a. Verrekening sociale uitkeringenin het jaar 2006 [vervallen]

Artikel 111. Toerekening loon van het jaar 2006 aan het jaar 2005 [vervallen]

Artikel 111a. Toerekening loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2006 [vervallen]

Artikel 111b. Toerekening loon van het jaar 2007 aan het jaar 2006 [vervallen]

Artikel 111c. Toerekening loon aan verstreken tijdvakken binnen het jaar 2007 [vervallen]

Artikel 112. Intrekking van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990

Artikel 113. Inwerkingtreding

Artikel 114. Citeertitel

Bijlage bij de toelichting op de Uitvoeringsregeling LB 2001. Transponeringstabel 


(aanhef)

 

De staatssecretaris van Financiën,

Gelet op de artikelen 2, 6, 8, 8a, 11, 12, 13, 15a, 15b, 15c, 15d, 16, 16a, 16c, 17, 18, 19f, 25, 28, 29, 31, 32b, 33 en 35b van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel II van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

Voor zoveel nodig in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Besluit:

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN    

 

(Algemeen) De Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de wet) wordt met ingang van 1 januari 2001 door de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 ingrijpend gewijzigd. In verband daarmee zouden veel wijzigingen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling LB 1990) moeten worden aangebracht. In plaats van al deze wijzigingen in de Uitvoeringsregeling LB 1990 aan te brengen, waarbij ook diverse artikelen en onderdelen van artikelen zouden moeten verplaatst, heb ik ervoor gekozen met ingang van 1 januari 2001 een nieuwe uitvoeringsregeling in te voeren: de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling LB 2001).

In de artikelsgewijze toelichting wordt ingegaan op de per 1 januari 2001 inhoudelijk nieuwe bepalingen. Bij de andere bepalingen wordt aangegeven waaraan zij zijn ontleend. In zoverre blijft de oorspronkelijke toelichting van belang.

Als bijlage bij deze toelichting is een transponeringstabel opgenomen.

(WDB2003/47M - Algemeen) Deze regeling bevat wijzigingen van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Voor de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 gaat het onder andere om de zogenoemde artiestenregeling. Met ingang van 1 januari 2002 is in de Wet op de loonbelasting 1964 Hoofdstuk VIIA (Belastingheffing van buitenlandse gezelschappen) geïntroduceerd. In dat hoofdstuk zijn een aantal administratieve verplichtingen opgenomen die in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 moeten worden uitgewerkt. Dit gebeurt nu (enigszins vertraagd) bij deze regeling. Getracht is de administratieve verplichtingen zoveel mogelijk te beperken. Voorts is mogelijk gemaakt dat de inhoudingsplichtige een eigen model voor de gage(verdelings)verklaring mag gebruiken in plaats van het model van de Belastingdienst. Voor de loonbelastingverklaring was dit al toegestaan. Tenslotte zijn er een aantal kleine technische wijzigingen. (…)

(WDB 2003/650M - Algemeen) De onderhavige uitvoeringsregeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een belangrijk deel van deze wijzigingen voortvloeit uit het belastingplan 2004. De in de verschillende uitvoeringsregelingen aangebrachte wijzigingen die inhoudelijk van belang zijn, worden hierna onder de artikelen toegelicht.

Ook bevat deze regeling een aantal bepalingen waarmee bedragen in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering worden geactualiseerd aan de hand van verschillende indexcijfers en dergelijke.

Het gaat om de bedragen in de artikelen 21, 36, 38 en 40 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de artikelen 21, 32, 34, 35, 38, 49, 51, 53, 55, 58 en 59 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. Deze worden niet apart toegelicht.

(WDB2004/706 - Algemeen) De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, te weten de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. De wijzigingen houden verband met de inwerkingtreding bij Stb. 555 van het fiscale deel van de Wet kinderopvang (Wet van 9 juli 2004, Stb. 455) met ingang van 1 januari 2005.

(WDB2004/756 - Algemeen) De onderhavige uitvoeringsregeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een belangrijk deel van deze wijzigingen voortvloeit uit het belastingplan 2005. De in de verschillende uitvoeringsregelingen aangebrachte wijzigingen die inhoudelijk van belang zijn, worden hierna onder de artikelen toegelicht.

(WDB2005/197 - Algemeen) Inleiding

In deze regeling worden in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 de per 1 januari 2005 in de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen bepalingen inzake regelingen voor vervroegde uittreding en de per 1 januari 2006 in de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen bepalingen inzake de levensloopregeling nader uitgewerkt. In de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen wordt een bepaling aangebracht in verband met het deblokkeren van spaarloon voor uitgaven voor kinderopvang. De aanpassing van de fiscale behandeling van VUT-regelingen, de deblokkering van spaarloon voor uitgaven voor kinderopvang en de introductie van de levensloopregeling zijn opgenomen in de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Stb. 2005, 115). In de memorie van toelichting op deze wet zijn tevens de verwachte effecten voor de administratieve lasten van de aanpassingen in beeld gebracht. Uit de in deze regeling opgenomen bepalingen vloeien geen zelfstandige effecten voor de administratieve lasten bij inhoudingsplichtigen voort.

Regelingen voor vervroegde uittreding

Met ingang van 1 januari 2005 is in de Wet op de loonbelasting 1964 de fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding gewijzigd. In artikel 32aa van de wet is geregeld dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld. De voorliggende wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft uitvoering aan deze delegatiebevoegdheid.

(WDB2005/179 - Algemeen) Inleiding

Bij deze wijzigingsregeling wordt een drietal fiscale uitvoeringsregelingen gewijzigd. De in de verschillende uitvoeringsregelingen aangebrachte wijzigingen worden hierna toegelicht.

(WDB2005/197 - Algemeen) Levensloopregeling

In de Wet op de loonbelasting 1964 is met ingang van 1 januari 2006 een hoofdstuk IIC inzake de levensloopregeling opgenomen. In artikel 19g van de wet is geregeld dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld. De voorliggende wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft uitvoering aan deze delegatiebevoegdheid. De bepalingen met betrekking tot de verlofspaarregeling vervallen in samenhang met de introductie van de levensloopregeling.

(WDB 2005/425M - Algemeen)      Met deze regeling worden de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen, de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990 en de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 gewijzigd in verband met de inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2006 van voor de loonheffingen van belang zijnde bepalingen in de Wet financiering sociale verzekeringen (verder: de Wfsv) en de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (verder: de Invoeringswet Wfsv).

Voorzover door deze regeling inhoudelijke wijzigingen worden aangebracht, zijn deze al aan de orde gekomen bij de parlementaire behandeling van de Wfsv en de Invoeringswet Wfsv. Het gaat daarbij om de bepalingen met betrekking tot:

-        het indienen van correctieberichten in enkele bijzondere situaties;

-        het aangiftetijdvak.

Er vervallen bepalingen omdat de inhoudingsplichtigen met betrekking tot de jaren 2006 en volgende niet meer zijn verplicht loonbelastingkaarten aan de inspecteur toe te sturen. Veel bepalingen worden in verband met de Wfsv en de Invoeringswet Wfsv aangepast of vernummerd zonder dat van een inhoudelijke wijziging sprake is.

Alle wijzigingen worden hierna artikelsgewijs toegelicht.

De effecten van de wijzigingen op de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zijn reeds meegenomen bij de in de toelichtingen op de desbetreffende wetsvoorstellen vermelde effecten van alle in het kader van die wetsvoorstellen voorgestelde maatregelen. De daar vermelde effecten zijn namelijk, conform de bestaande praktijk, inclusief de effecten van met de wetswijzigingen samenhangende lagere regelgeving (uitvoeringsbesluiten en uitvoeringsregelingen).

De Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 wordt later dit jaar nog gewijzigd in verband met (onder meer) de Wfsv en de Invoeringswet Wsfv.

(SV/F&W/05/98614 - Algemeen) Op grond van artikel 49 van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen kunnen met het oog op een goede invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (verder: de Wfsv) regels worden gesteld, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van onder meer de Wfsv, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet inkomstenbelasting 2001.

Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt om tegemoet te komen aan de praktijk waarin het wettelijke genietingsmoment niet voor alle loonelementen op dezelfde wijze wordt toegepast.

Daarbij gaat het in de eerste plaats om betalingen en verstrekkingen in januari 2006 van loon dat op het jaar 2005 betrekking heeft. Onder de voorwaarde van een bestendige gedragslijn van de inhoudingsplichtige inzake de toerekening van dergelijke loonbetalingen aan het jaar waarop deze betrekking hebben, kunnen deze betalingen en verstrekkingen nog in de laatste aangifte over het jaar 2005 worden verwerkt. Daarbij gaat het in de tweede plaats om betalingen van loon over verstreken loontijdvakken

binnen het jaar 2006, bijvoorbeeld een loonsverhoging met terugwerkende kracht. Eveneens onder de voorwaarde van een bestendige gedragslijn van de inhoudingsplichtige kunnen deze betalingen worden toegerekend aan de loontijdvakken waarop zij betrekking hebben, zo nodig door middel van correctieberichten. Uiterlijk in het jaar 2006 wordt een onderzoek afgerond naar eventuele wetswijzigingen met betrekking tot deze onderwerpen.

Van deze mogelijkheid is tevens gebruik gemaakt om een eenduidige regeling te treffen voor de situatie dat sociale uitkeringen met elkaar worden verrekend. Het is de bedoeling dat die regeling met ingang van 1 januari 2007 in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt opgenomen.

Deze regelingen worden voor de toegankelijkheid opgenomen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en niet in een afzonderlijke ministeriële regeling. Zij zijn zowel van belang voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen als voor de premies werknemersverzekeringen.

(DDB2005/62M - Algemeen) De onderhavige uitvoeringsregeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen. Het merendeel van de wijzigingen vloeit voort uit het Belastingplan 2006 en uit de VUT/prepensioen-wetgeving en introductie levensloopregeling. Verder betreft het onder meer wijzigingen die verband houden met de regeling voor de auto van de zaak.

Daarnaast hebben de invoering van de Zorgverzekeringswet en de Wet kinderopvang enkele wijzigingen tot gevolg.

Door de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen wordt met ingang van 1 juli 2006 de eerstedagsmelding ingevoerd. De wijze waarop deze eerstedagsmelding moet geschieden, is in de onderhavige regeling nader uitgewerkt. Ook de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 is afgestemd op de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen en de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen.

De invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen heeft een enkele wijziging in gehanteerde terminologie tot gevolg.

Ook zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. (…)

(DB2006/261M - Algemeen) De onderhavige uitvoeringsregeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een belangrijk deel van deze wijzigingen voortvloeit uit wetswijzigingen per 1 januari 2006. De meeste wijzigingen hebben dan ook terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Deze terugwerkende kracht heeft geen nadelige effecten voor burgers en bedrijven. (…)

(ARBO/A&V/2006/99971) (Red.: Betreft aanpassing verwijzing in artikel 9, tweede lid, i.v.m. wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit.)

(DB2006/658M - Algemeen) De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een belangrijk deel voortvloeit uit het Belastingplan 2007, het Wijzigingsplan ‘Paarse krokodil’, (…). Daarnaast houden wijzigingen verband met (…) en de invoering van de wettelijke werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang per 1 januari 2007.

Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. Tevens zijn enige omissies hersteld. (…)

(DB2007/39M - Algemeen) Bij deze wijzigingsregeling wordt een zevental fiscale uitvoeringsregelingen gewijzigd. In de eerste plaats wordt bij deze wijzigingsregeling de regeling voor bedrijfsfitness zodanig uitgebreid dat deze ook van toepassing is als een werkgever een contract heeft met één fitnessbedrijf waarbij de werknemers in alle vestigingen van dat fitnessbedrijf terecht kunnen. Daarnaast bevat deze wijzigingsregeling enkele technische aanpassingen van een aantal andere bepalingen. (…)

(DB2007/346M - Algemeen) Op grond van artikel 64 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 kan voor studenten en scholieren het kwartaal als loontijdvak in aanmerking worden genomen. (…)

Deze wijziging in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 sluit aan bij de wijziging van de studenten- en scholierenregeling in de Regeling Wfsv per 1 juli 2007. Hiermee wordt de definitie van de groep studenten en scholieren die in aanmerking komt voor deze twee regelingen met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2007 gelijkgeschakeld.

(DB2007/655M - Algemeen) De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 2008, de Overige fiscale maatregelen 2008 en de Fiscale onderhoudswet 2007. (…) Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. Tevens zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd, zijn enige omissies hersteld (…).

(DB2008/675M - Algemeen) Op grond van artikel 2ca van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB 1965) en artikel 5a van het Besluit van 24 december 1986, tot aanwijzing van gevallen waarin een arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd (Stb. 655) (hierna: het Besluit van 24 december 1986) wordt de arbeidsrelatie van een sekswerker aangemerkt als een dienstbetrekking. Alleen als wordt voldaan aan bij ministeriële regeling nader te stellen regels, wordt de arbeidsrelatie niet als dienstbetrekking beschouwd. Deze regels, het zogenoemde "voorwaardenpakket", worden in de onderhavige ministeriële regeling uitgewerkt. Voor de achtergrond van het voorwaardenpakket wordt verwezen naar de toelichting op artikel 2ca en artikel 7 van het UBLB 1965 en artikel 5a van het Besluit van 24 december 1986.

(DB2008/705M - Algemeen) De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 2009, de Overige fiscale maatregelen 2009, de Fiscale onderhoudswet 2009 (…).

Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. Tevens zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd en zijn enige omissies hersteld.(…)

(DWJZ/SWW-2903108 - Algemeen) Met de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten is een nieuwe regeling geïntroduceerd voor de financiële compensatie van mensen die door gezondheidsproblemen geconfronteerd worden met meerkosten. In deze ministeriële regeling zijn nadere regels gesteld ter uitvoering van deze wet en het daarop berustende Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Het gaat hierbij om nadere regels ten aanzien van de nadere afbakening van de doelgroep. (…)

Daarnaast zijn enkele fiscale bepalingen opgenomen. Dit betreft enerzijds bepalingen in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 die betrekking hebben op de fiscale regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten zoals geregeld in de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Anderzijds betreft dit bepalingen in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 die betrekking hebben op het aanmerken van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten als eindheffingsbestanddeel voor de loonbelasting. (…)

(DB 2009/83M - Algemeen) Onderhavige ministeriële regeling wijzigt enkele fiscale uitvoeringsregelingen. Het betreft voornamelijk herstel van door wetswijziging achterhaalde verwijzingen. Daarnaast worden de mogelijkheden voor de toepassing van eindheffing verruimd. Het gaat hierbij om de toepassing van eindheffing op vergoedingen en verstrekkingen van dubbele huisvesting en op het voordeel ter zake van de terbeschikkingstelling van beveiligde auto's.

Budgettaire consequenties en administratieve lasten

Deze regeling heeft geen budgettaire effecten. Dat geldt ook voor de verruimde mogelijkheden voor de toepassing van de eindheffing, aangezien hierbij het tabeltarief van toepassing is en het effect op inkomensafhankelijke regelingen te verwaarlozen is.

Voor een zeer kleine groep inhoudingsplichtigen treedt een lichte stijging op van de administratieve lasten aangezien de catalogusprijs, na keuze voor eindheffing, moet worden gesplitst in het gedeelte dat in de reguliere bijtelling meeloopt en het aan beveiliging toerekenbare gedeelte, waarop de eindheffing mag worden toegepast.

(DWJZ/SWW-2903108 - Algemeen) Deze ministeriële regeling strekt tot aanpassing van verschillende ministeriële regelingen aan de Wet investeren in jongeren (hierna: WIJ). De wijzigingen in deze ministeriële regeling zijn technisch van aard (…) (Red.: Betreft toevoeging, m.i.v. 1/10/2009, van ‘of de Wet investeren in jongeren’ in artikel 77 en 88.)

(IVV/LZW/2009/27760 - Algemeen) Met deze regeling wordt een aantal ministeriële regelingen technisch aangepast in verband met de inwerkingtreding van de Wet van PM tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en ondersteuning. Na inwerkingtreding van deze wet luidt de citeertitel van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG): Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). (…) (Red.: Betreft wijziging citeertitel WAJONG in artikel 79, m.i.v. een op 31/12/2009 nog onbekend tijdstip.)

(DB 2009/717M - Algemeen) Deze regeling voorziet in de aanpassing van enige uitvoeringsregelingen in verband met de invoering van het burgerservicenummer. Het burgerservicenummer is een persoonsnummer voor algemeen gebruik binnen de overheid en in contacten met de overheid, dat grotendeels in de plaats is getreden van het bestaande sociaal-fiscaalnummer. De grondslag voor de invoering van het burgerservicenum-mer is opgenomen in de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, die op 26 november 2007 in werking is getreden. Sinds die datum heeft iedereen die in een gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, een burgerservicenummer. Omdat het mogelijk is dat er personen zijn die een sociaal-fiscaalnummer hebben maar die niet in aanmerking komen voor een burgerservicenummer, zal de mogelijkheid blijven bestaan in die gevallen het sociaal-fiscaalnummer te gebruiken. Hiervoor is de formulering gekozen ‘of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer’. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij personen die niet in Nederland wonen maar wel een binnenlandse bron van inkomsten (bijvoorbeeld loon) hebben. (…)

(DB 2009-735M - Algemeen) De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 2010, Overige fiscale maatregelen 2010, Fiscale vereenvoudigingswet 2010 en de wet van 23 december 2009 houdende wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956) (Stb 564). (...) Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. Tevens zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd en zijn enige omissies hersteld. Aan de wijzigingen van de diverse regelingen zijn geen zelfstandige budgettaire, nalevings- of uitvoeringseffecten verbonden. (...)

(DV 2010/76 - Algemeen) In de onderhavige regeling is het herstel van een aantal omissies opgenomen die samenhangen met de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549). De wijzigingen zijn van louter redactionele aard en beogen – naast de correctie van de wijzigingsopdrachten – de bij de regeling van 17 december 2009 bedoelde gevolgen alsnog door te voeren. Terugwerkende kracht is wenselijk teneinde ieder mogelijk misverstand omtrent de situatie met ingang van 1 januari 2010 weg te nemen. (...)

 

Artikel 1. Reikwijdte

Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 5b, 6, 8, 8a, 11, 11a, 12, 13, 13bis, 15a, 15b, 15c, 15d, 17, 18, 19a, 19f, 19g, 25, 28, 28a, 29, 31, 32ab, 32b, 32ba, 33, 35b, 35d, 35e, 35k, 35l en 35m van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en artikel 15 van de Wet financiering volksverzekeringen.

 

Deze bepaling noemt de artikelen in de wet, de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het besluit) en de Wet financiering volksverzekeringen waarop de in de Uitvoeringsregeling LB 2001 opgenomen bepalingen zijn gebaseerd. Er is geen uitvoering gegeven aan de delegatiebepalingen in artikel 2 en artikel 16a van de wet omdat daaraan thans geen behoefte bestaat.

(WDB2002/813 - Art.gew. toelichting) Deze wijziging houdt verband met het vervallen van de delegatiebepaling in artikel 15, vierde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de toelichting bij de wijziging van artikel 74 hierna.

(WDB 2003/650M - Art.gew. toelichting) Het vervallen van de verwijzing naar de artikelen 16 en 16b van de wet hangt samen met het vervallen van deze artikelen in de wet bij de Wet van 18 december 2003, Stb. 526, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004).

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In artikel 1 wordt artikel 32aa van de wet toegevoegd. Artikel 32aa van de wet bevat een delegatiebepaling op grond waarvan in lagere regelgeving met betrekking tot de eindheffing ter zake van premies voor en uitkeringen ingevolge regelingen voor vervroegde uittreding, nadere regels kunnen worden gesteld.

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In artikel 1 wordt artikel 19g van de wet toegevoegd. Artikel 19g van de wet bevat een delegatiebepaling op grond waarvan in lagere regelgeving elementen van de levensloopregeling nader worden vormgegeven.

(WDB 2005/425M - Art.gew. toelichting) Deze wijziging geeft aan dat in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 mede uitvoering wordt gegeven aan de delegatiebepaling van artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964, welk artikel 28a in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt ingevoegd bij de Invoeringswet Wfsv.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) In artikel 1, eerste lid, wordt een tweetal artikelen ingevoegd. Artikel 13bis van de wet bevat delegatiebepalingen op grond waarvan in lagere regelgeving ter zake van de mede voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto nadere regels gesteld kunnen worden. Artikel 32ab van de wet bevat een delegatiebepaling op grond waarvan in lagere regelgeving ter zake van verstrekkingen aan anderen dan de eigen werknemers eindheffingsbestanddelen worden aangewezen.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) De delegatiebepaling in artikel 16a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt geschrapt omdat daaraan geen behoefte blijkt te bestaan. Daarom kan de verwijzing naar deze bepaling in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 vervallen.

(DB 2009/83M - Art.gew. toelichting) In de artikelen 1, 85a, 85b en 106 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 worden de verwijzingen naar artikel 32aa Wet LB 1964 vervangen door verwijzingen naar artikel 32ba Wet LB 1964. Deze wijzigingen hangen samen met de vernummering van artikel 32aa Wet LB 1964 tot artikel 32ba Wet LB 1964, zoals opgenomen in artikel II, onderdeel G, van de Wet van 11 december 2008 tot wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen) (Stb. 547). Met deze wijzigingen zijn dus geen inhoudelijke wijzigingen beoogd. Omdat de genoemde vernummering van artikel 32aa Wet LB 1964 reeds per 1 januari 2009 heeft plaatsgevonden, werken deze wijzigingen terug tot en met 1 januari 2009.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft met ingang van 1 januari 2010 ook uitvoering aan de artikelen 11a en 19a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Daarom is artikel 1 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 aangevuld met een verwijzing naar deze artikelen.

 

Artikel 2. Definities

1. Deze regeling verstaat onder:

a. wet: de Wet op de loonbelasting 1964;

b. besluit: het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

c. verbonden vennootschap: een verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de wet;

d. inhoudingsplichtigenverklaring: de verklaring dat degene aan wie die verklaring is afgegeven ten aanzien van artiesten dan wel beroepssporters als inhoudingsplichtige is aangewezen;

e. jaaropgaaf: de opgave van het in het kalenderjaar genoten loon, de ingehouden belasting en andere gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting;

f. belasting, ingeval artikel 27b, eerste lid, van de wet van toepassing is: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen;

g. heffingskorting: de heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk III van de wet;

h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, tram, metro, veerpont of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig.

2. In deze regeling wordt onder een uitkering ingevolge een sociale verzekeringswet mede verstaan de toeslag die ingevolge de Toeslagenwet wordt verleend op die uitkering.

 

Deze bepaling, waarin voor de Uitvoeringsregeling LB 2001 van belang zijnde begrippen worden gedefinieerd, is gedeeltelijk ontleend aan artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

Begrippen als beroepsmatige kinderopvang, woon-werkverkeer, reisafstand en artiest zijn niet meer gedefinieerd omdat in de desbetreffende bepalingen in de wet al definities zijn opgenomen die met zoveel woorden ook gelden voor de daarop berustende bepalingen. Het begrip overhevelingstoeslag wordt ook niet meer gedefinieerd, omdat de Wet overhevelingstoeslag opslagpremies per 1 januari 2001 vervalt. Tevens zijn niet meer gedefinieerd formulieren als de loonbelastingverklaring, de loonstaat, de loonbelastingkaart, de coderingslijst en de loonbelastingkaart huispersoneel. De reden daarvoor is dat deze formulieren met ingang van 1 januari 2001 niet meer officieel bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Overigens moeten de door de inspecteur uitgereikte formulieren worden gebruikt (met uitzondering van de loonstaat, waarbij de inspecteur alleen het model aan de inhoudingsplichtige uitreikt).

Nieuw is de definitie van het begrip verbonden vennootschap. Dit begrip is van belang voor de regelingen met betrekking tot producten uit eigen bedrijf en personeelsleningen. Ook nieuw is de definitie van het begrip heffingskorting. Het gaat om de heffingskorting voor de loonbelasting die bestaat uit de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting en de jonggehandicaptenkorting. Uitgangspunt is dat de werknemer de heffingskorting slechts bij een inhoudingsplichtige kan toepassen. Afhankelijk van de omstandigheden van de werknemer kan de inhoudingsplichtige in het algemeen een tabel toepassen waarin de heffingskorting voorzover van belang is verwerkt. Ook nieuw is de definitie van het begrip openbaar vervoer, teneinde voor dit begrip zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen in de praktijk. Deze definitie verwijst naar artikel 1, onderdeel e, van de Wet Personenvervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per trein, metro, tram, bus of auto volgens een dienstregeling.

(WDB2001/760 - Algemeen) (…)In artikel 2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is de definitie van openbaar vervoer eveneens gewijzigd. Deze wijziging is gelijk aan de wijziging van de definitie van openbaar vervoer in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 heeft sinds enige jaren geen functie meer binnen de huidige Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Deze definitiebepaling wordt in de overige artikelen van de uitvoeringsregeling namelijk niet toegepast. De bepaling is dus overbodig en kan daarom komen te vervallen.

(DB2007/39M - Art.gew. toelichting) Met betrekking tot de situatie dat de werknemer ook premieplichtig is voor de volksverzekeringen, is bepaald dat de heffing van de loonbelasting en de premie voor de volksverzekering geschiedt in één bedrag dan wel in één percentage, met overeenkomstige toepassing van de regels die gelden voor de heffing en de invordering van de loonbelasting. Met ingang van 1 januari 2006 is deze bepaling, die voorheen was opgenomen in artikel 27, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964, overgebracht naar het nieuwe artikel 27b, eerste lid, van die wet. Door een omissie was de in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 opgenomen verwijzing nog niet aangepast. Deze omissie wordt nu met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 hersteld.

Artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is met ingang van 1 januari 2007 verletterd tot artikel 2, eerste lid, onderdeel f. De wijziging die thans met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 wordt aangebracht, werkt automatisch door in de verlettering die per 1 januari 2007 heeft plaatsgevonden.

 

HOOFDSTUK 2. BELASTINGPLICHT (hoofdstuk I van de wet)     

 

Artikel 2a. Gezelschappen met hoofdzakelijk leden uit verdragslanden, Nederlandse Antillen of Aruba

1. Aan het in artikel 5b, eerste lid, onder 2°, van de wet bedoelde aannemelijk maken wordt voldaan, indien degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, voor aanvang van het optreden of de sportbeoefening aan de hand van een document – waarvan hij een afschrift voor controle beschikbaar houdt – als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht, van ten minste het merendeel van de leden heeft vastgesteld dat zij inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, de Nederlandse Antillen of Aruba.

2. Aan het in artikel 5b, eerste lid, onder 2°, van de wet bedoelde aannemelijk maken is ook voldaan, indien degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, beschikt over de volgende documenten:

a. een afschrift van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht dat betrekking heeft op de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap;

b. een schriftelijke verklaring van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, de Nederlandse Antillen of Aruba;

c. een schriftelijke overeenkomst betreffende het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland, of een afschrift van die overeenkomst, waarin het gezelschap als vestigingsland vermeldt een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, de Nederlandse Antillen of Aruba; en d. een afschrift van een bank- of girorekening waaruit blijkt dat de gage van het gezelschap is overgemaakt naar een rekeninghouder die woont of is gevestigd in het in onderdeel c bedoelde vestigingsland.

3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien aan degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of aan degene van wie het gezelschap de gage ontvangt, onjuiste verklaringen, documenten of gegevens zijn verstrekt en deze dit weet of redelijkerwijs had moeten weten.

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) In het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2007, gehouden op 23 oktober 2006, is aandacht gevraagd voor de administratieve lasten van niet in Nederland gevestigde gezelschappen (bijvoorbeeld het Boston Symphony Orchestra). Dit heeft ertoe geleid dat bij tweede nota van wijziging in artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964 een delegatiebepaling is opgenomen, op basis waarvan volgens bij Ministeriële regeling te stellen regels aannemelijk gemaakt kan worden dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een land waarmee de Staat der Nederlanden een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten (hierna: verdragsland), de Nederlandse Antillen of Aruba. De hiervoor genoemde regels zijn opgenomen in artikel 2a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Overeenkomstig de doelstelling leidt dit tot een verdere vermindering van de administratieve lasten voor deze gezelschappen.

In beginsel dient degene met wie het gezelschap het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland is overeengekomen of degene van wie het gezelschap de gage ontvangt (hierna: de organisator) van ten minste het merendeel van de leden aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht vast te stellen dat zij inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een verdragsland, de Nederlandse Antillen of Aruba en dient hij een afschrift daarvan bij de administratie te bewaren. Deze hoofdregel is opgenomen in het eerste lid van genoemd artikel 2a.

Op grond van het tweede lid van dat artikel kan echter ook worden gekozen voor een administratief eenvoudiger regeling. Indien is voldaan aan de in dit tweede lid opgenomen voorwaarden, is het niet nodig om de in het eerste lid bedoelde documenten van een zo groot mogelijk deel, maar ten minste het merendeel van de leden van het gezelschap aan de organisator te verstrekken. Die voorwaarden houden in dat de organisator beschikt over:

a. een afschrift van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht dat betrekking heeft op de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap;

b. een schriftelijke verklaring van de leider of vertegenwoordiger van het gezelschap dat het gezelschap hoofdzakelijk bestaat uit leden die inwoner zijn van dan wel gevestigd zijn in een verdragsland, de Nederlandse Antillen of Aruba;

c. een schriftelijke overeenkomst betreffende het optreden in Nederland of de sportbeoefening in Nederland, of een afschrift van die overeenkomst, waarin het gezelschap als vestigingsland vermeldt een verdragsland, de Nederlandse Antillen of Aruba; en

d. een afschrift van een bank- of girorekening waaruit blijkt dat de gage van het gezelschap is overgemaakt naar een rekeninghouder die woont of is gevestigd in het in onderdeel c bedoelde vestigingsland. Zoals uit het voorgaande volgt, is er sprake van een keuzeregime. Het is denkbaar dat een klein gezelschap eerder zal kiezen voor het in het eerste lid opgenomen regime, omdat dit regime bij kleine gezelschappen wellicht als minder administratief belastend zal worden gezien. Ook deze gezelschappen staat het echter uiteraard vrij om te kiezen voor het in tweede lid opgenomen regime.

Op grond van het derde lid is het tweede lid niet van toepassing indien aan de organisator onjuiste verklaringen, documenten of gegevens zijn verstrekt en deze dit weet of redelijkerwijs had moeten weten. Indien in die situatie evenmin is voldaan aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden, maar wel sprake is van een groep van hoofdzakelijk niet in Nederland wonende natuurlijke personen of gevestigde lichamen, is artikel 5b van de Wet op de loonbelasting 1964 alsnog van toepassing en zal de op grond van die bepaling verschuldigde loonbelasting uiteraard worden nageheven.

 

Artikel 2b. Uitzondering op fictieve dienstbetrekking sekswerkers

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder exploitant: degene op wie de verplichting rust het loon van de sekswerker te betalen.

2. De arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht, wordt niet als dienstbetrekking beschouwd, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. met betrekking tot de arbeidsverhouding van de sekswerker wordt voldaan aan de in het derde lid bedoelde voorwaarden;

b. met betrekking tot de inkomsten van de sekswerker wordt voldaan aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden;

c. de exploitant leeft de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens alsmede artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen na;

d. artikel 2g van het besluit wordt toegepast;

e. de exploitant verstrekt het voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst over de arbeidsverhouding van degene die als sekswerker persoonlijk arbeid verricht, aan de sekswerker;

f. de exploitant heeft met de sekswerker een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin wordt verklaard dat aan de onderdelen a tot en met e zal worden voldaan;

g. de exploitant voldoet met betrekking tot al zijn arbeidsverhoudingen met degenen die als sekswerker persoonlijk arbeid verrichten, aan de onderdelen a tot en met f;

h. de exploitant draagt, binnen de geldende betalingstermijnen, de verschuldigde loonbelasting, premie volksverzekeringen, omzetbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet af en leeft hoofdstuk 7 na;

i. de administratie van de exploitant is duidelijk en inzichtelijk en de exploitant voldoet aan artikel 52 van de Algemene wet rijksbelastingen;

j. de exploitant heeft een vergunning voor het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling indien dat vereist is op grond van de daarvoor geldende regels;

k. de exploitant is met de Belastingdienst schriftelijk overeengekomen dat hij zal voldoen aan de voorwaarden in dit lid.

3. De in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarden met betrekking tot de arbeidsverhouding van de sekswerker zijn dat:

a. de sekswerker werkzaamheden kan weigeren en de eigen werktijden bepaalt;

b. de sekswerker vrij is in de kledingkeuze, mits de gekozen kleding gangbaar is in de branche;

c. de sekswerker mag weigeren om alcohol te drinken, en

d. de sekswerker vrij is in de keuze van een medische begeleider.

4. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde voorwaarden met betrekking tot de inkomsten van de sekswerker zijn dat:

a. de afspraken met betrekking tot de inkomsten schriftelijk zijn vastgelegd en worden nageleefd, en door de werkgever bij de administratie worden bewaard;

b. de exploitant bij iedere uitbetaling van inkomsten een overzicht aan de sekswerker verstrekt en aan het eind van het jaar een jaaroverzicht van de inkomsten verstrekt;

c. de inkomsten direct opeisbaar zijn;

d. de exploitant de sekswerker geen boeten volgens een boetesysteem of vergelijkbaar systeem in rekening brengt, en

e. de vergoeding voor extra werkzaamheden, die niet vooraf zijn overeengekomen met een cliënt, volledig toekomt aan de sekswerker.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder inkomsten van de sekswerker verstaan al hetgeen door de sekswerker uit de arbeidsverhouding met de exploitant wordt genoten.

 

(DB2008-675 - Art.gew. toelichting) Artikel I en III

In artikel 2b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn de voorwaarden opgenomen voor de uitzondering op de fictieve dienstbetrekking voor sekswerkers (artikel I). Er is voor gekozen deze voorwaarden niet tevens op te nemen in de regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 1986, nr. SZ/SVW/86/10693, houdende aanwijzing werkgever en uitzondering verzekeringsplicht Ziektewet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Werkloosheidswet (Stcrt. 251) (hierna: de Regeling van 23 december 1986), maar te volstaan met een verwijzing naar de voorwaarden in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (artikel III). Tevens wordt in artikel III met de toevoeging van artikel 5b, verduidelijkt dat de Regeling van 23 december 1986 mede berust op artikel 5a van het Besluit van 24 december 1986. De artikelen I en III geven uitvoering aan artikel 2e, vierde lid, onderdeel c van het UBLB 1965 en aan artikel 5a van het Besluit van 24 december 1986.

Het in artikel I opgenomen artikel 2b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is als volgt toe te lichten.

In het eerste lid wordt het begrip "exploitant" gedefinieerd.

Uit het tweede tot en met vijfde lid volgen de voorwaarden.

De voorwaarden hebben betrekking op:

- de arbeidsverhouding van de sekswerker. Dit is uitgewerkt in het tweede lid, onderdeel a, in samenhang met het derde lid. Op grond daarvan geldt onder meer dat de sekswerker werkzaamheden moet kunnen weigeren. Dit moet kunnen zonder opgaaf van reden. De sekswerker mag zowel handelingen als klanten weigeren. De exploitant mag de sekswerker ook geen verplichtingen opleggen om mee te drinken of te animeren. Voorts heeft de sekswerker de bevoegdheid om zelf werktijden vast te stellen.

- de vaststelling en betaling van de inkomsten. De voorwaarden houden op grond van het tweede lid, onderdeel b, in samenhang met het vierde lid, onder andere in dat de afspraken hierover schriftelijk, door beide partijen ondertekend, moeten worden vastgelegd en nageleefd en dat de inkomsten direct opeisbaar zijn. Verder mag er geen boetesysteem (bijvoorbeeld een sanctie op te laat komen of het weigeren van werkzaamheden) gelden. De vergoeding voor extra werkzaamheden, die niet vooraf zijn overeengekomen met een klant, dient volledig toe te komen aan de sekswerker.

- de privacy van de sekswerker. De exploitant moet zich op grond van het tweede lid, onderdeel c, houden aan de regels van de Wet bescherming persoonsgegevens. Dit houdt onder meer in dat hij alleen met schriftelijke toestemming thuis contact mag opnemen met de sekswerker. Daarnaast geldt de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Deze verplichting geldt namelijk onverkort voor derden aan wie voor de uitvoering van de belastingwetgeving informatie wordt verstrekt. Dit betekent dat bijvoorbeeld het burgerservicenummer van de sekswerker niet mag worden verstrekt aan derden.

- de toepassing van de opting-in-regeling (artikel 2g van het UBLB 1965) (tweede lid, onderdeel d). Ter verzekering van de heffing en invordering wordt het van belang geacht dat wel een voorheffing op de inkomstenbelasting plaatsvindt. Hierbij zullen de proportionele tarieven voor onder meer aannemers van werk worden toegepast.

- de informatieplicht van de exploitant over het voorwaardenpakket. De exploitant moet het daartoe bestemde voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst aan de sekswerker verstrekken (tweede lid, onderdeel e).

- de schriftelijke vastlegging tussen exploitant en sekswerker dat het voorwaardenpakket wordt toegepast en de toepassing van het voorwaardenpakket op alle arbeidsrelaties met sekswerkers. De voorwaarden zijn cumulatief. Vanwege de doelstellingen die ermee worden nagestreefd, is het voorwaardenpakket als totaalpakket bedoeld. Wordt in de relatie met één of meer sekswerkers niet voldaan aan één of meer van de voorwaarden, dan is de uitzondering op de fictieve dienstbetrekking op geen enkele sekswerker van toepassing. De exploitant moet dan voor alle sekswerkers loonbelasting/premie volksverzekeringen (naar de normale tabeltarieven) en premies werknemersverzekeringen afdragen (tweede lid, onderdelen f en g). Hierbij wordt overigens onder de exploitant de rechtspersoon of de natuurlijke persoon bedoeld, dus niet het gehele concern. Dit gelet op de definitie van exploitant in het eerste lid.

- het naleven door de exploitant van zijn verplichtingen voor de loonheffing, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en btw (eerste lid, onderdeel h). In het kader van heffing van btw geldt bijvoorbeeld dat de seksclub, het privéhuis, massagesalon of escortbedrijf ter zake van het totale bedrag dat door de klant wordt betaald btw moet afdragen. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel h, gaat het erom dat de exploitant te goeder trouw zijn fiscale verplichtingen moet nakomen.

- de administratie van de exploitant. Deze moet duidelijk en inzichtelijk zijn en voldoen aan artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tweede lid, onderdeel i).

- het hebben van een vergunning voor het drijven van een seksinrichting (tweede lid, onderdeel j).

- overeenkomst met de Belastingdienst. Het voorwaardenpakket zal alleen van toepassing zijn als de exploitant hiertoe een overeenkomst met de Belastingdienst heeft gesloten (tweede lid, onderdeel k).

Artikel II

Op grond van deze bepaling vallen sekswerkers op wie ingevolge het voorwaardenpakket de opting-in-regeling wordt toegepast, voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen onder het proportionele tarief voor onder meer thuiswerkers.

 

Artikel 3. Niet-inhoudingsplichtigen

1. Niet als inhoudingsplichtige worden beschouwd:

a. het Internationaal Gerechtshof;

b. het Permanente Hof van Arbitrage;

c. de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht;

d. de Verenigde Naties en zijn gespecialiseerde organisaties;

e. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie;

f. de Europese Gemeenschappen;

g. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol);

h. het Europees Ruimte-Agentschap/het Europese Centrum voor de ruimtevaarttechniek (ESA/ESTEC);

i. het Europees Octrooibureau;Europol;de Internationale Dienst voor nationaal landbouwkundig onderzoek (ISNAR);

j. het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (CTA);

k. het gemeenschappelijk centrum voor onderzoek op het gebied van kernenergie (GCO, voorheen Euratom);

l. de African Management Services Company BV (AMSCO);

m. het Iran United States Claims Tribunal;

n. het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen (CFC);

o. de Internationale Nikkel Studie Groep (INSG);

p. de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapens (OPCW);

q. de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM);

r. Eurojust;

s. het Internationaal Strafhof.

2. De leden en functionarissen van de in het eerste lid genoemde volkenrechtelijke organisaties die diplomatieke voorrechten genieten en geen Nederlander zijn, worden niet als inhoudingsplichtige beschouwd ten aanzien van degenen die in hun persoonlijke dienst werkzaam zijn

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 6, vierde lid, van de wet. De geactualiseerde tekst is ontleend aan artikel 3 van de Uitvoeringsregeling LB 1990(WDB2002/463M - Art.gew. toelichting) In artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst is de competentie met betrekking tot het Internationaal Strafhof toegewezen aan het hoofd van de eenheid Particulieren Den Haag, met dien verstande dat voor de omzetbelasting bevoegd is het hoofd van de eenheid Ondernemingen Rijswijk.

Het Internationaal Strafhof te Den Haag is opgenomen in artikel 3 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 en wordt derhalve als niet-inhoudingsplichtige beschouwd in de zin van artikel 6, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.

(WDB2002/813 - Art.gew. toelichting) De wijziging in artikel 3 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 houdt verband met de instelling van de organisatie Eurojust (Pb EG nr. L063 blz 1, 03-06-2002). Het huidige onderdeel t van artikel 3 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt in een apart lid opgenomen. Deze wijziging voorkomt dat wanneer een nieuwe instelling wordt opgenomen in artikel 3 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 verlettering plaats moet vinden.

 

Artikel 4. Aangewezen inhoudingsplichtige bij de hulp van een thuiswerker

In afwijking van de artikelen 6 en 7 van de wet wordt ten aanzien van de hulp van de thuiswerker die doorgaans voor een opdrachtgever arbeid verricht, de opdrachtgever van die thuiswerker als inhoudingsplichtige aangewezen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

 

Artikel 5. Aangewezen inhoudingsplichtige bij een artiest dan wel een beroepssporter

1. In afwijking van artikel 8a van de wet wordt, voorzover de voor het optreden van een artiest dan wel de sportbeoefening van een beroepssporter overeengekomen gage, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet wordt verstrekt aan degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring, als inhoudingsplichtige aangewezen: degene aan wie die verklaring is afgegeven.

2. Voorzover degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven gage van artiesten dan wel beroepssporters verstrekt aan een ander aan wie een zodanige verklaring is afgegeven, wordt in zijn plaats die ander als inhoudingsplichtige aangewezen.

3. Een inhoudingsplichtigenverklaring kan op verzoek door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden afgegeven aan:

a. de artiest dan wel beroepssporter die als leider van een gezelschap optreedt;

b. de leider van een gezelschap die, of het lichaam in de zin van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat het optreden van artiesten dan wel de sportbeoefening van beroepssporters overeenkomt;

c. degene met wie of degene door wiens bemiddeling het optreden van artiesten dan wel de sportbeoefening van beroepssporters wordt overeengekomen;

d. degene die als onderneming uitoefent het verrichten van administratieve werkzaamheden voor derden, en de inhoudingsplicht en de daarmee samenhangende verplichtingen overneemt van degene met wie de artiest dan wel de beroepssporter het optreden respectievelijk de sportbeoefening is overeengekomen.

4. De inspecteur geeft geen inhoudingsplichtigenverklaring af indien de persoon of het lichaam, bedoeld in het derde lid, niet in Nederland woont of is gevestigd.

5. De inhoudingsplichtigenverklaring is van toepassing gedurende de termijn van ten hoogste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van afgifte.

6. Degene aan wie de inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven, bewaart het origineel van deze verklaring bij zijn loonadministratie en verstrekt een kopie van deze verklaring aan degene die op grond van artikel 8a, eerste lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn, ter bewaring bij diens loonadministratie.

7. De inspecteur trekt bij voor bezwaar vatbare beschikking de inhoudingsplichtigenverklaring in, indien:

a. de verklaring haar belang heeft verloren;

b. de op de verklaring vermelde gegevens niet juist zijn dan wel niet meer juist zijn;

c. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring niet meer in Nederland woont of is gevestigd;

d.   degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring bij herhaling de inhoudingsplicht of de daarmee samenhangende verplichtingen niet nakomt;

e. degene die in het bezit is van een inhoudingsplichtigenverklaring geen kopie van die verklaring verstrekt aan degene die op grond van artikel 8a van de wet inhoudingsplichtige zou zijn.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8a, tweede lid, van de wet. De tekst van het eerste en tweede lid en de onderdelen a tot en met c van het derde lid zijn ontleend aan artikel 4 van de Uitvoeringsregeling LB 1990 en aan het Besluit van 29 april 1993, nr. DB93/1319M, V-N 1993, blz. 1432, punt 26.

Nieuw in de aanhef van het derde lid is dat de inhoudingsplichtigenverklaring op verzoek door de inspecteur wordt afgegeven bij voor bezwaar vatbare beschikking. Verder is in het derde lid een nieuw onderdeel d toegevoegd. Dit onderdeel strekt ertoe dat ook een administratie- of verloningsorganisatie de inhoudingsplicht kan overnemen, mits voldaan wordt aan de voorwaarde van het vierde lid. Door deze uitbreiding kan een administratie- of verloningsorganisatie de inhouding en afdracht van de belasting overnemen van bijvoorbeeld het poppodium dat op grond van artikel 8a, eerste lid, van de wet inhoudingsplichtige zou zijn. Ook kan bijvoorbeeld een organisator van een bepaald evenement die met artiesten/beroepssporters overeenkomsten van korte duur sluit, de heffing en afdracht van de belasting over laten nemen door een administratie- of verloningsorganisatie.

De inhouding en afdracht van loonbelasting van artiesten/beroepssporters door een enkele administratie- of verloningsorganisatie komt de overzichtelijkheid ten goede voor zowel de artiest/beroepssporter, de Belastingdienst als de uitvoeringsorganisaties voor de sociale verzekeringen. Bovendien wordt het risico beperkt dat de poppodia/sportorganisaties die vaak met vrijwilligers werken, geconfronteerd worden met naheffingen wegens onjuiste uitvoering van de inhoudingsplicht. Overigens is het niet de bedoeling dat de administratie- of verloningsorganisatie zich bemoeit met de afspraken tussen de opdrachtgever en de artiest/beroepssporter met betrekking tot het optreden of de sportbeoefening.

Het vierde tot en met achtste lid zijn ontleend aan het bovengenoemde Besluit van 29 april 1993. Het vierde lid geeft aan wanneer in elk geval geen inhoudingsplichtigenverklaring wordt verstrekt. Overigens kan op grond van de aanhef van het derde lid de inspecteur de afgifte van de inhoudingsplichtigenverklaring ook weigeren indien hij het vermoeden heeft dat degene die om afgifte verzoekt niet de juiste gegevens weergeeft. Het vijfde tot en met zevende lid betreffen administratieve verplichtingen. Het achtste lid bevat de bepaling dat de inspecteur de inhoudingsplichtigenverklaring intrekt indien bij degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven, een van de situaties bedoeld in de onderdelen a tot en met e zich voordoet.

(WDB2001/760 - Art.gew. toelichting) Met de wijziging van het eerste en het tot zesde vernummerde zevende lid wordt beoogd aansluiting te verkrijgen bij de ingrijpende wijziging van artikel 8a van de Wet op de loonbelasting 1964, welke is aangebracht bij de Wet van 14 december 2001 houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 IV - Herziening successie- en schenkingsrecht, BTW-maatregelen, artiesten- en sportersregeling, alsmede overige aanpassingen) (Stb. 643). Het gewijzigde artikel 8a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de inhoudingsplichtige aan indien een artiest of beroepssporter het optreden dan wel de sportbeoefening is aangegaan op basis een overeenkomst van korte duur. Het tweede lid van dat artikel bepaalt de inhoudingsplichtige indien het optreden of de sportbeoefening is gebaseerd op een andere grond. In beide gevallen is het mogelijk dat de inhoudingsplicht wordt verlegd naar degene aan wie een inhoudingsplichtigenverklaring is afgegeven op grond van het derde en vierde lid van artikel 5.

Met het vervallen van het vijfde lid van artikel 5 wordt tegemoet gekomen aan de praktijk. Degene die de inspecteur om afgifte van een inhoudingsplichtigenverklaring verzoekt, is voor het indienen van het verzoek niet langer gebonden aan een door de inspecteur uit te reiken formulier, doch kan dit verzoek vormvrij indienen.

 

Artikel 6. Bij overeenkomst aangewezen inhoudingsplichtige bij een beroepssporter

In afwijking van artikel 8a van de wet wordt, indien met de minister van Financiën is overeengekomen dat de belasting zal worden ingehouden door een ander dan degene met wie de sportbeoefening is overeengekomen ten aanzien van de beroepssporter, eveneens als inhoudingsplichtige aangewezen: degene die op grond van de overeenkomst de inhouding overneemt.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. De bepaling heeft hoofdzakelijk tot doel de inhouding van loonbelasting over gage verstrekt aan beroepssporters bij grote grensoverschrijdende evenementen te regelen. Bij dergelijke evenementen is de inhouding zeer complex. Een overeenkomst met de minister van Financiën over de inhouding van loonbelasting kan dan een oplossing zijn. Omdat naar verwachting de nieuwe bepaling van artikel 5, derde lid, onderdeel d, in de meeste situaties uitkomst biedt, zal slechts een enkele situatie om toepassing van artikel 6 vragen.

(WDB2001/760 - Art.gew. toelichting) Deze wijziging is bedoeld om artikel 6, evenals artikel 5, te laten aansluiten bij het per 1 januari 2002 gewijzigde artikel 8a van de Wet op de loonbelasting 1964.

 

HOOFDSTUK 3. VOORWERP VAN DE BELASTING (hoofdstuk II van de wet)

 

Artikel 7. Niet tot het loon behorende aanspraken

Tot het loon behoren niet:

a. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking anders dan wegens arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer, vervroegd uittreden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

b. aanspraken op een eenmalige uitkering bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens arbeidsongeschiktheid of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, indien deze uitkering driemaal het loon van een maand niet overtreft;

c. aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen in door de minister van Financiën aan te wijzen gevallen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 5 van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In samenhang met de gewijzigde fiscale behandeling van regelingen voor vervroegde uittreding per 1 januari 2006, vervalt de vrijstelling voor aanspraken op een eenmalige uitkering ter waarde van maximaal drie maanden loon bij het beëindigen van de dienstbetrekking wegens vervroegde uittreding.

 

Artikel 8. Loon voor de toepassing van enkele regelingen

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, en artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet en artikel 7, onderdeel b, van deze regeling wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:

a. artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet vindt geen toepassing;

b. tantièmes en toevallige bijzondere beloningen, alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdelen m en o, en artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 7 van de Uitvoeringsregeling LB 1990, met dien verstande dat de verwijzingen naar artikel 11 van de wet zijn aangepast en dat de overhevelingstoeslag niet meer wordt genoemd.

 

Artikel 9. Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij telewerken

1. De schriftelijk vastgelegde regeling, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 1°, van de wet moet voorzien in een gedagtekende overeenkomst die ten minste bevat:

a. naam en adres van de werknemer en de inhoudingsplichtige, en

b. de dag of dagen in de week waarop de werknemer in de werkruimte, bedoeld in het tweede lid, pleegt te werken.

2. De inrichting van de werkruimte in de woning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel q, onder 2°, van de wet moet voldoen aan de in de artikelen 5.4, 5.12 en 6.30 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gestelde voorwaarden.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 7a van de Uitvoeringsregeling LB 1990, met dien verstande dat de verwijzing naar artikel 11 van de wet is aangepast.

(WDB2002/813 - Art.gew. toelichting) Deze wijzigingen hangen samen met het vervallen van de in artikel 11, eerste lid, onderdeel p, van de Wet LB 1964 opgenomen feestdagenregeling. Op grond van de Wet van 12 december 2002, Stb. 615, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2003 Deel I) is deze feestdagenregeling per 1 januari 2003 vervallen.

(ARBO/A&V/2006/99971) (Red.: Betreft aanpassing verwijzing i.v.m. wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit.)

                                               

Artikel 10. Aanvullende voorwaarden vrijstelling bij woon-werkverkeer waarbij tevens een of meer andere werknemers worden vervoerd [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(WDB 2003/650M - Art.gew. toelichting) Het vervallen van artikel 10 hangt samen met het vervallen van artikel 16b van de wet bij de Wet van 18 december 2003, Stb. 526, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2004).

 

Artikel 11. Geclausuleerd verlof

Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, onder 2°, van de wet, wordt als geclausuleerd verlof aangewezen: verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend, zoals buitengewoon verlof, zwangerschapsverlof, bevallingsverlof, kraamverlof, ouderschapsverlof, bindingsverlof, adoptieverlof, calamiteitenverlof, zorgverlof, educatief verlof, politiek verlof en palliatief verlof.

 

(I Algemeen) (…) In de Wet op de loonbelasting 1964 zijn met ingang van 1 januari 2001 bepalingen inzake verlofsparen opgenomen. Daarbij is geregeld dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld. De voorliggende wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft uitvoering aan deze delegatiebevoegdheid. Alvorens over te gaan naar een toelichting op de artikelen volgt hier eerst een algemene schets van de regeling voor verlofsparen.

Op basis van de bepalingen omtrent verlof en verlofsparen zoals deze met ingang van 1 januari 2001 luiden worden alle aanspraken op verlof in beginsel belast en worden vervolgens vrijgesteld de aanspraken op ‘regulier’ verlof (vakantie, compensatieverlof e.d.; maximaal vrijgesteld 250 dagen), ‘bijzonder’ verlof ( voor bevalling, educatie, politieke activiteiten, enz.) en ‘spaarverlof’. Uitgangspunt bij spaarverlof is dat mag worden gespaard voor extra verlof van ten hoogste een jaar. Door omstandigheden, bijvoorbeeld door oprenting van het verlofspaarsaldo na afloop van de opbouwperiode of door aanvaarding van een deeltijdfunctie tijdens de opbouwperiode, is het echter mogelijk dat deze grens van een jaar extra verlof wordt overschreden en met het verlofspaartegoed uiteindelijk meer dan een jaar extra verlof kan worden genoten.

Het opbouwen van spaarverlof kan op twee manieren, namelijk door middel van geldsparen en door middel van tijdsparen.

Bij geldsparen wordt van het brutoloon van de werknemer een bedrag ingehouden dat op een geïndividualiseerde spaarrekening voor de werknemer wordt gestort. Ook is het mogelijk dat de tegenwaarde van een ingeleverde dag vakantie of van overwerk op die rekening wordt gestort. In het laatste geval betaalt de werkgever als het ware de vakantiedag uit onder gelijktijdige inhouding en afstorting van het (bruto)bedrag. Tijd wordt op deze wijze getransformeerd in geld dat wordt benut voor het geldsparen ingevolge een verlofspaarregeling.

De werknemer heeft een rechtstreekse aanspraak op het gespaarde geld, dat rentedragend kan worden weggezet. Op het moment dat de werknemer verlof wil opnemen kan op gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer geld worden gedeblokkeerd ter betaling van loon tijdens de verlofperiode.Afhankelijk van oprenting en salarisontwikkeling kan dat betekenen dat meer of minder dagen kunnen worden opgenomen dan men zou verwachten op basis van het salaris op het moment van sparen.

Bij tijdsparen levert de werknemer vrije tijd (of overwerk) in en die vrije tijd kan hij op een later moment opnemen. Crux is dat één ingeleverde vrije dag nu betekent één vrije dag in de toekomst. Ter meerdere zekerheid biedt de nieuwe regeling de mogelijkheid voor de werkgever om voor die vrije dag in de toekomst te reserveren op een geblokkeerde verlofspaarrekening vergelijkbaar met de verlofspaarrekening bij geldsparen. De werknemer krijgt echter geen recht op zoveel vrije tijd als te zijner tijd kan worden betaald met het saldo van de verlofspaarrekening, maar hij houdt recht op evenveel vrije tijd als hij heeft ingeleverd. Is het saldo van deze verlofspaarrekening te zijner tijd onvoldoende om het actuele salaris gedurende de opname van de gespaarde vrije tijd te betalen dan zal de werkgever het tekort moeten bijpassen; blijft er geld over dan gaat dat terug naar de werkgever. Overigens kan naast tijdsparen ingevolge een verlofspaarregeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel t, onder 4º van de wet – al dan niet individueel – ook tijd worden gespaard tot een maximum van 250 dagen op basis van artikel 11, eerste lid, onderdeel t, onder 1°, van de wet. Deze vorm van tijdsparen was ook vóór de nieuwe regeling mogelijk, zij het dat daaraan met ingang van 2001 een grens van 250 dagen is gesteld.

Met betrekking tot de verwachte effecten voor de administratieve lasten van de regeling voor verlofsparen merk ik het volgende op. De werkgevers die ervoor zullen kiezen om gebruik te maken van de regeling voor verlofsparen zullen te maken krijgen met extra administratieve handelingen als gevolg van de bepalingen die in deze regeling zijn neergelegd. Met behulp van gegevens uit het standaardkostenmodel loonheffing is bezien wat hiervan de verwachte structurele kosten zijn; deze worden geraamd op ongeveer f 14,5 mln structureel.

Ik ben van mening dat dat uit het toepassen van de regeling voor erlofsparen geen hogere administratieve lasten voortvloeien dan strikt noodzakelijk is. Daarbij moet echter het volgende worden bedacht. De regeling voor verlofsparen behelst een faciliteit die erin bestaat dat belastingheffing wordt uitgesteld met betrekking tot aanspraken om in de toekomst verlof op te nemen. In feite is dit belastinguitstel juist een grote stimulans voor de toekomstige ontwikkeling van regelingen voor verlofsparen ten behoeve van personeelsleden. Een dergelijk belastinguitstel brengt echter onherroepelijk de noodzaak met zich de omstandigheden waarin van de faciliteit kan worden gebruikgemaakt nauwkeurig te beschrijven en zodanige administrtieve regels te geven dat de aanspraken ter zake waarvan belastinguitstel wordt genoten niet groter worden dan beoogd, dat oneigenlijk gebruik van de regeling wordt voorkomen en bovendien dat de uiteindelijke heffing over de vrijgestelde aanspraken verzekerd is. Een faciliteit als de onderhavige kan derhalve niet zonder administratieve voorschriften die in de praktijk leiden tot administratieve lasten. Een deel van de administratieve lasten wordt daarnaast juist veroorzaakt door de grote mate van vrijheid voor partners om zelf binnen zo ruim mogelijke marges te kiezen voor de door hen gewenste vorm van verlofsparen. Zo geeft de mogelijkheid om bij overgang naar een andere werkgever de bij de vorige werkgever opgebouwde aanspraken mee te nemen en desgewenst in de bouwen in een regeling voor verlofsparen bij de nieuwe werkgever een grote flexibiliteit aan de regeling. Het zal duidelijk zijn dat de daarmee gemoeide administratieve voorschriften wel extra administratieve lasten met zich meebrengen. Deze zijn echter zo beperkt mogelijk gehouden. Zo is ervoor gekozen te volstaan met een verklaring van de werknemer omtrent de bij een vorige werkgever opgebouwde aanspraken, met welke aanspraken bij de nieuwe werkgever rekening moet worden gehouden. Om de regeling niet onnodig te verzwaren hoeft de nieuwe werkgever echter slechts rekening te houden met het niveau van de bij de oude werkgever opgebouwde aanspraken op het moment van indiensttreden bij de nieuwe werkgever. Met latere verhogingen van die aanspraken als gevolg van oprenting van de verlofspaarrekening hoeft eenvoudshalve geen rekening te worden gehouden. Daarmee wordt voorkomen dat jaarlijks een verklaring over de hoogte van de bij de oude werkgever bestaande aanspraken moet worden overgelegd, hetgeen een aanzienlijke verzwaring van de administratieve lasten zou hebben betekend. Ook de aansluiting die bij de bepaling in artikel 14, eerste en tweede lid (het gaat hier om de vraag of er in een jaar nog nieuwe aanspraken mogen worden opgebouwd), is gezocht bij de hoogte van de aanspraken per 1 januari van het jaar, bewerkstelligt een aanzienlijke vermindering van administratieve lasten ten opzichte van de situatie dat bij het bereiken van de maximaal toegestane grootte van de aanspraken in de loop van het kalenderjaar verdere opbouw in het kalenderjaar niet meer mogelijk zou zijn. Dat laatste zou een voortdurende berekening van de stand van de aanspraken hebben vereist, waarbij niet alleen de eerdere toevoegingen in dat jaar in de berekening zouden moeten worden betrokken, maar ook de oprentingen waarop tot dat moment recht zou bestaan.

Een ander punt dat in dit kader van belang is, is dat dotaties aan een verlofspaarregeling fiscaal tot een verlaging van het belastbare loon leiden, maar niet voor de werknemersverzekeringen. Dit is het gevolg van de omstandigheid dat er in de sociale zekerheid voor is gekozen niet uit te gaan van een lager uitkeringsloon ingeval wordt deelgenomen een regeling voor verlofsparen. In de sociale-zekerheidswetten is daaruit de consequentie getrokken dat dan ook het premieloon niet kan worden verminderd. Dit uiteenlopen van het loon voor de fiscaliteit en de sociale zekerheid is het gevolg van de in de wettelijke regelingen en met het oog op de sociale gevolgen gemaakte keuzen.

(II Art.gew. toelichting) In artikel 11 is aangegeven welke verlofvormen voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel t, onder 2°, van de wet worden aangemerkt als geclausuleerd verlof. Onder geclausuleerd verlof wordt verstaan verlof dat voor specifieke doeleinden wordt toegekend, zoals bijvoorbeeld buitengewoon verlof voor verhuizing of familieomstandigheden.

(WDB2002/813 - Art.gew. toelichting) Deze wijziging betreft het herstel van een onjuiste verwijzing. Bij dit herstel is tevens reeds rekening gehouden met de wijziging in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, als is opgenomen in het Belastingplan 2003 Deel I.

 

Artikel 12. Minimale periode uitkeringstermijnen bij stamrechtspaarrekening en stamrechtbeleggingsrecht

1. De minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering, bedoeld in artikel 11a, derde lid, onderdeel a, onder 2°, en onderdeel b, onder 2°, van de wet wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel.

Ingeval de gerechtigde tot de uitkeringen, bedoeld in artikel 11a, derde lid,van de wet bij ingang van de uitkeringen, een leeftijd heeft bereikt van

maar nog niet de leeftijd heeft bereikt van

bedraagt de minimale periode tussen de eerste en de laatste uitkering het in deze kolom vermelde aantal jaren

I

II

III

-

25

17

25

30

14

30

35

11

35

40

8

40

45

5

45

50

4

50

55

3

55

60

2

60

-

1


2. Ingeval de uitkeringen toekomen aan kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, bedraagt het aantal jaren tussen de eerste en de laatste uitkering, in afwijking van het eerste lid, nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In verband met de vervanging van de verlofspaarregeling door de levensloopregeling vervallen de artikelen 12 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Op grond van artikel 36a van de wet worden aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd ingevolge een verlofspaarregeling aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een levensloopregeling.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) Bij Belastingplan 2010 is een bancaire variant van de stamrechtvrijstelling geïntroduceerd (artikel 11a van de Wet LB 1964). Met deze wijzigingen wordt invulling gegeven aan de delegatiebepaling in artikel 11a, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet LB 1964, betreffende de minimale periode (in jaren) tussen de eerste en de laatste uitkering van een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht. In het nieuwe artikel 12 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat uitvoering geeft aan genoemd artikel 11a, derde lid, van de Wet LB 1964, wordt bepaald dat de periode tussen de eerste en de laatste uitkering ten minste een in de derde kolom van de tabel vastgesteld aantal jaren bedraagt. Uitgangspunt bij het vastgestelde aantal jaren is dat het voor periodieke uitkeringen geldende onzekerheidsvereiste (in 2009 is dat 0,94%) zo goed mogelijk wordt benaderd. De minimale periode is, met inachtneming van actuarieel geldende normen, afhankelijk gesteld van de leeftijd van de gerechtigde tot de uitkeringen in leeftijdscohorten van vijf jaar. Het staat de gerechtigde in principe vrij termijnen bijvoorbeeld maandelijks, per kwartaal of jaarlijks te laten plaatsvinden, zolang maar wordt voldaan aan het vereiste in artikel 11a, derde lid, van de Wet LB 1964. In het tweede lid van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is de uitzondering op de hoofdregel, bedoeld in artikel 11a, derde lid, onderdeel b, onder 2° van de Wet LB 1964, opgenomen. Voor kinderen of pleegkinderen van de werknemer die ten tijde van het ontvangen van de eerste uitkering jonger zijn dan 30 jaar, bedraagt de periode tussen de eerste en de laatste uitkering nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar. Hiermee is aangesloten bij het op dit punt voor periodieke uitkeringen geldende artikel 11, vierde lid, van de Wet LB 1964 Ter illustratie zijn onderstaand twee voorbeelden opgenomen.

Voorbeeld 1

Een werknemer overlijdt terwijl de uitkeringen nog niet zijn ingegaan. Op dat moment is de leeftijd van zijn twee kinderen 26 en 31 jaar. In de stamrechtbankspaarovereenkomst is geregeld dat bij het overlijden van de werknemer de uitkeringen toekomen aan zijn twee kinderen, elk voor 50%. In de tabel is af te lezen dat de periode tussen de eerste en de laatste uitkering bij een gerechtigde die bij ingang van de uitkeringen een leeftijd van 26 jaar heeft, ten minste 14 jaar bedraagt. Echter, volgens het tweede lid van artikel 12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, in samenhang met artikel 11a, derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de Wet LB 1964, bedraagt de periode dan nimmer meer dan het aantal jaren dat de gerechtigde jonger is dan 30 jaar. Voor het jongste kind bedraagt de periode dus ten hoogste 4 jaar. Met betrekking tot het deel voor het kind van 31 jaar is het vijfde lid van artikel 11a van de Wet LB 1964 van toepassing, en wordt dat deel (50%) van het tegoed op het onmiddellijk aan het overlijden voorafgaande tijdstip bij de werknemer aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Voorbeeld 2

Een werknemer laat de uitkeringen uit zijn stamrechtbeleggingsrecht in gaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 64 jaar bereikt. Voor dat geval valt in de tabel af te lezen dat er minimaal 1 jaar tussen de eerste en de laatste termijn moet zitten.

 

Artikel 13. Verlofsparen: geldsparen en tijdsparen [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In verband met de vervanging van de verlofspaarregeling door de levensloopregeling vervallen de artikelen 12 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Op grond van artikel 36a van de wet worden aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd ingevolge een verlofspaarregeling aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een levensloopregeling.

 

Artikel 14. Maximale opbouw in een jaar bij verlofsparen [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In verband met de vervanging van de verlofspaarregeling door de levensloopregeling vervallen de artikelen 12 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Op grond van artikel 36a van de wet worden aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd ingevolge een verlofspaarregeling aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een levensloopregeling.

 

Artikel 15. Toegestane aangroei boven het plafond bij verlofsparen [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In verband met de vervanging van de verlofspaarregeling door de levensloopregeling vervallen de artikelen 12 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Op grond van artikel 36a van de wet worden aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd ingevolge een verlofspaarregeling aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een levensloopregeling.

 

Artikel 16. Wijze van beschikken over verlofspaartegoed [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In verband met de vervanging van de verlofspaarregeling door de levensloopregeling vervallen de artikelen 12 tot en met 16 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Op grond van artikel 36a van de wet worden aanspraken die voor 1 januari 2006 zijn opgebouwd ingevolge een verlofspaarregeling aangemerkt als aanspraken opgebouwd ingevolge een levensloopregeling.

 

Artikel 17. Fooien en dergelijke prestaties van derden

1. Fooien en dergelijke prestaties van derden worden niet tot het loon gerekend, voor zover bij het bepalen van het voor de werknemer rechtens geldende loon met het ontvangen van deze fooien of dergelijke prestaties van derden geen rekening is gehouden.

2. De werknemer die werkzaam is bij een onderneming waarin horeca-activiteiten worden verricht en die van zijn werkgever niet tenminste het voor hem rechtens geldende loon ontvangt, wordt geacht fooien en dergelijke prestaties van derden te genieten tot een bedrag ter grootte van dat rechtens geldende loon verminderd met het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon. Indien de werkgever in overeenstemming met de werknemer het bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden op een hoger bedrag schat, wordt van dat geschatte bedrag uitgegaan.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 12 van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 9 van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) Deze wijziging van artikel 17 houdt verband met de invoering van de Wet administratieve lastenverlichting- en vereenvoudiging in de socialeverzekeringswetten (wet van 24 juni 2004, Stb. 311) met ingang van 1 januari 2005. Door deze wet komt artikel 7 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering te vervallen en als gevolg daarvan vervalt ook het op basis van dat artikel vastgestelde Fooienbesluit 2002 (besluit van 21 november 2001, goedgekeurd bij ministeriële regeling van 17 december 2001, nr. SV/AVF/2001/83222, Stcrt. 249). Aangezien de loonbelasting via artikel 17 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 aansloot bij dit Fooienbesluit 2002 is de regelgeving van dit besluit thans rechtstreeks verwoord in genoemd artikel 17. Een inhoudelijke wijziging is niet beoogd.

(WDB2005/179 - Art.gew. toelichting) Door de wijziging van het derde lid, eerste volzin, van artikel 17 komt de term “bedienend personeel” te vervallen. In de praktijk leidde de term ”bedienend personeel” tot interpretatieproblemen in de uitvoering. Het ging daarbij met name om de vraag of horecapersoneel dat niet bedient en geen administratieve werkzaamheden verricht, ook onder het bedienend personeel valt. Daarom is nu gekozen voor een ruimere bepaling die meer aansluit bij de toelichting zoals die was opgenomen bij het Fooienbesluit 2002 en bij de praktijk van de premieheffing werknemersverzekeringen.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Artikel 17, tweede lid, heeft betrekking op het bedrag aan fooien genoten door het civiele personeel aan boord van schepen, uitoefenende de zeescheepvaart en de kustvaart. Dit bedrag wordt geacht het verschil te bedragen tussen enerzijds het dagloon zoals dit door het UWV voor de sector Koopvaardij op grond van artikel 34, vierde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid is vastgesteld, en anderzijds het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon. Genoemd artikel 34, vierde lid, komt op grond van artikel VII van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (Stb. 2004, 311) te vervallen met ingang van 1 januari 2006 (ingevolge het inwerkingtredingbesluit van 18 oktober 2004, Stb. 2004, 548). Met ingang van 1 januari 2006 geldt er geen specifieke dagloonregeling meer voor de sector Koopvaardij.

Artikel 17, tweede lid, kan nu vervallen. Op dit moment is het niet nodig voor de loonbelasting een gewijzigde fictiebepaling op te nemen met betrekking tot het bedrag aan fooien genoten door het civiele personeel aan boord van schepen, uitoefenende de zeescheepvaart en de kustvaart. Voorzover het nog voorkomt dat de zeegage vanwege fooien en dergelijke prestaties van derden lager is dan de walgage (regel is thans dat vaste gageschalen worden toegepast) kan artikel 17, eerste lid, mogelijk al toepassing vinden, waarbij het bedrag van de fooien en dergelijke prestaties van derden wordt gesteld op het verschil tussen beide gages. In sommige situaties is het huidige artikel 17, derde lid (dat bij deze wijziging wordt vernummerd tot tweede lid) van toepassing. Die bepaling heeft betrekking op fooien van werknemers die werkzaam zijn in een onderneming waarin (tevens) horeca-activiteiten worden verricht. Eventueel door de werkgever uitgekeerd bedieningsgeld behoort los hiervan overigens al tot het loon waarvoor inhoudingsplicht bestaat (vgl. de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 6 april 2001, nrs. 99/3699 WAO, 99/3700 WW, 99/3701 WW en 99/3702 WW, LJN: AB1655).

 

Artikel 18. Waarde aanspraak

De waarde van een aanspraak om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen en verstrekkingen te ontvangen, wordt gesteld op de bedragen die bij een derde worden gestort - of, voorzover geen stortingen worden verricht, zouden moeten worden gestort - teneinde de aanspraak te dekken.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

 

Artikel 19. Waarde aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling in eigen beheer voor ten minste 25 werknemers

1. In afwijking in zoverre van artikel 18 wordt per kalenderjaar de waarde van een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling ten behoeve van ten minste 25 werknemers of gewezen werknemers die gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar heeft bestaan, voorzover geen stortingen bij derden worden verricht, gesteld op het bedrag van de gemiddelde uitkering. De gemiddelde uitkering is het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de afgelopen vijf kalenderjaren. Het jaargemiddelde is het gezamenlijke bedrag van de ter zake door of namens de inhoudingsplichtige gedane uitkeringen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer, gedeeld door het aantal personen dat in het desbetreffende jaar gedurende ten minste zes maanden gerechtigd is geweest. Indien zulks tot een lagere gemiddelde uitkering leidt, worden het hoogste en het laagste jaargemiddelde buiten beschouwing gelaten en is de gemiddelde uitkering het rekenkundige gemiddelde van de jaargemiddelden van de andere drie kalenderjaren.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde regeling minder dan vijf gehele kalenderjaren heeft bestaan, is dat lid van overeenkomstige toepassing op het mindere aantal gehele kalenderjaren, met dien verstande dat bij een bestaansduur van de regeling van een of twee gehele kalenderjaren de laatste volzin niet van toepassing is.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 10, tweede en derde lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. Artikel 10, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990 heeft overigens uitwerking gekregen in de artikelen 57 en 58 van de Uitvoeringsregeling LB 2001.

 

Artikel 20. Waarde van het genot van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen

De waarde van het genot van ter beschikking gestelde communicatiemiddelen – niet zijnde computers en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur –, waarvan het zakelijke gebruik van niet meer dan bijkomstig belang is, wordt gesteld op de daaraan in het economische verkeer verbonden kosten.

 

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) Bij het Belastingplan 2005 (Wet van 16 december 2004, Stb. 653) is per 1 januari 2005 het zogenoemde keuzeregime voor aandelenoptierechten in de loonbelasting komen te vervallen. Het heffingsmoment is daarbij verschoven naar het tijdstip van uitoefening of vervreemding van het aandelenoptierecht, waarbij de werkelijke opbrengst tot het loon wordt gerekend. De in artikel 20 opgenomen waarderingsregel kan daarom komen te vervallen.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Het nieuwe artikel 20 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De bepaling is bedoeld voor de situatie waarin de terbeschikkingstelling van communicatiemiddelen als telefoon en internet niet vrij is, omdat het zakelijke gebruik daarvan van niet meer dan bijkomstig belang is (anders is op grond van artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, in verbinding met artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 sprake van een vrije verstrekking) en beoogt te voorkomen dat dan geschillen over de waardering van het loonvoordeel kunnen ontstaan. Het is praktisch niet mogelijk het daadwerkelijke gebruik voor particuliere doeleinden als loon in natura te belasten. Omdat het zakelijke gebruik in deze situatie niet meer dan bijkomstig is, wordt voor de waardering van het voordeel uitgegaan van de aan het ter beschikking gestelde communicatiemiddel in het economische verkeer verbonden kosten. Daarvan kan bij doorlopende overeenkomsten in de regel worden aangesloten bij de kosten die de aanbieder van deze producten aan de werkgever in rekening brengt. In de situatie dat de werkgever een duur toestel aan de werknemer ter beschikking stelt, wordt eveneens aangesloten bij de kosten van de werkgever, in het bijzonder de afschrijving. Deze waarderingsproblematiek speelt niet bij vergoedingen en verstrekkingen: de vergoedingen worden (als niet is voldaan aan de voorwaarde van meer dan bijkomstig zakelijk gebruik) als zodanig belast en bij een verstrekking wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer.

Het nieuwe artikel 20 ziet niet op de waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer en dergelijke apparatuur en bijbehorende apparatuur. Daarvoor is in artikel 21a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 al een regeling opgenomen.

 

Artikel 21. Waarde kleding meewerkende kinderen

De waarde van kleding voor een kind dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder wordt gesteld op € 29,25 per maand (€ 6,75 per week, € 1,35 per dag).

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 11, negende lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind zijn geactualiseerd. De daling van de bedragen vloeit voort uit de lagere CBS-indexcijfers voor kleding en schoeisel over de periode juli 2003 tot en met juni 2004 ten opzichte van dezelfde cijfers over de twaalf daaraan voorafgaande maanden.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind zijn geactualiseerd. De daling van het maandbedrag vloeit voort uit de lagere CBS-indexcijfers voor kleding en schoeisel over de periode juli 2004 tot en met juni 2005 ten opzichte van dezelfde cijfers over de twaalf daaraan voorafgaande maanden. Door afronding blijven de bedragen per week en per dag ongewijzigd.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind zijn geactualiseerd. De daling van het maandbedrag vloeit voort uit de lagere CBS-indexcijfers voor kleding en schoeisel over de periode juli 2005 tot en met juni 2006 ten opzichte van dezelfde cijfers over de twaalf daaraan voorafgaande maanden. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week ongewijzigd.

(DB2007/655M - Art.gew. toelichting) Het maandbedrag in het waarderingsvoorschrift voor kleding van een in de onderneming van de ouder meewerkend kind is geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week ongewijzigd.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) Als gevolg van een vernummering van een aantal leden van artikel 13bis van de Wet LB 1964 die op 1 januari 2008 heeft plaatsgevonden, is de verwijzing in artikel 21c, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar het tiende lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964 met ingang van die datum niet meer juist. Daarom wordt deze verwijzing met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2008 gewijzigd in een verwijzing naar het elfde lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) Als gevolg van een vernummering van een aantal leden van artikel 13bis van de Wet op de Wet LB 1964 die op 1 januari 2009 heeft plaatsgevonden, zijn de verwijzingen in artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 naar het tweede lid, naar het eerste lid en (sinds de in artikel III onderdeel C, opgenomen wijziging) (Red.: Zie vorige toelichting) naar het elfde lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964 met ingang van die datum niet meer juist. Daarom worden deze verwijzingen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 gewijzigd in verwijzingen naar respectievelijk het vierde lid en dertiende lid van artikel 13bis van de Wet LB 1964. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

 

Artikel 21a. Waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer

De waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer die minder dan nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt, bedraagt in het eerste, in het tweede en in het derde jaar van ingebruikneming van de computer, 30% van de waarde in het economische verkeer van de computer op het moment van de eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de waarde van het genot op nihil gesteld. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot met computers vergelijkbare apparatuur en met betrekking tot bijbehorende apparatuur.

 

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) Dit waarderingsvoorschrift is opgenomen voor een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gestelde computer of dergelijke apparatuur, al dan niet met bijbehorende apparatuur of alleen maar bijbehorende apparatuur (hierna: computers), in situaties waarin geen vrijstelling van toepassing is.

Bij het Belastingplan 2005 (Wet van 16 december 2004, Stb. 653) is de zogenoemde pc-privéregeling komen te vervallen. Slechts indien een computer geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt kan deze nog onbelast worden vergoed, worden verstrekt of ter beschikking worden gesteld.

Anders dan bij het vergoeden of verstrekken van computers, waarbij de waarde van de vergoeding of verstrekking wordt gesteld op het bedrag van de vergoeding respectievelijk de waarde in het economische verkeer van de verstrekte computer, is het voor het genot van een ter beschikking gestelde computer niet zonder meer duidelijk wat de waarde in het economische verkeer van dat genot is. Daarom wordt hier, zoals aangekondigd in de memorie van toelichting op het Belastingplan 2005 (Wet van 16 december 2004, Stb. 653), een waarderingsvoorschrift opgenomen.

Conform de voor computers gebruikelijke afschrijvingstermijn van drie jaar is gekozen voor een waardering van het genot op dertig procent van de waarde in het economische verkeer van de computer op het moment van eerste ingebruikneming van de computer.

Deze waardering geldt voor de eerste drie jaren na de eerste ingebruikneming van de computer. Hoewel aan het genot van het gebruik van computers van meer dan drie jaar oud doorgaans nog een zekere waarde kan worden toegekend, wordt de waarde van het genot van dergelijke computers om praktische redenen gesteld op nihil. Eveneens wordt om praktische redenen de waarde in de eerste drie jaren op hetzelfde percentage gesteld, hoewel de waarde van het genot doorgaans zal dalen in de loop van de drie jaren.

Dit waarderingsvoorschrift maakt onderdeel uit van een aantal maatregelen dat leidt tot afschaffen van de pc-privéregeling. Het afschaffen van de pc-privéregeling leidt tot een administratieve lastenverlichting van ongeveer € 700.000.

 

Artikel 21b. Waarde kinderopvang

De waarde van kinderopvang waarvoor aanspraak op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk aan- spraak op een tegemoetkoming kan ontstaan op de voet van artikel 5 van de Wet kinderopvang, die de inhoudingsplichtige zelf verricht, wordt gesteld op het aantal uren genoten kinderopvang maal de uurprijs vastgesteld krachtens artikel 7, tweede lid, van de Wet kinderopvang.

 

(WDB2004/706 - Art.gew. toelichting) Artikel 21a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geeft een waarderingsnorm voor kinderopvang in de zin van de Wet kinderopvang die de inhoudingsplichtige zelf verricht ten behoeve van zijn werknemers. Voor door de inhoudingsplichtige zelf verrichte kinderopvang geldt een forfaitaire waarderingsnorm per uur genoten kinderopvang. Voor de waarde per uur is aansluiting gezocht bij de uurprijs die in het kader van de vaststelling van de tegemoetkoming van het Rijk maximaal in aanmerking wordt genomen.

Indien de inhoudingsplichtige wel kinderopvang verstrekt maar deze niet zelf verricht (dit is het geval indien hij de kinderopvang bij een derde inkoopt), geldt deze forfaitaire waarderingsregel niet. In dat geval wordt de kinderopvang gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer welke in de regel overeen zal komen met het bedrag dat de kinderopvanginstelling aan de inhoudingsplichtige in rekening brengt.

(WDB2005/179 - Art.gew. toelichting) In de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn met ingang van 1 januari 2005 abusievelijk twee artikelen 21a opgenomen. Het ene artikel 21a is bij regeling van 23 november 2004, WDB2004/706M, Staatscourant 229, ingevoegd op basis van de delegatiebepaling van artikel 16c, zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit artikel regelt de waarde van de kinderopvang die de inhoudingsplichtige zelf verricht. Het andere artikel 21a is bij regeling van 16 december 2004, WDB 2004/756M, Staatscourant 249, ingevoegd op basis van de delegatiebepaling van artikel 13, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Hierin wordt de waarde van het genot van een ter beschikking gestelde computer geregeld. Met inachtneming van de volgorde van de delegatiebepalingen in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt het artikel 21a dat de waarde van de kinderopvang regelt, verletterd tot artikel 21b.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) De wijzigingen in de artikelen 21b en 68, eerste lid, onderdeel b (nieuw), van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 alsmede het vervallen van artikel 49 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 hangen samen met de invoering van de wettelijke werkgeversbijdrage in de kosten van kinderopvang per 1 januari 2007. In verband daarmee komt de fiscale vrijstelling zoals die tot en met 31 december 2006 in artikel 16c van de wet is geregeld voor de ‘vrijwillige’ werkgeversbijdrage te vervallen. Dit brengt met zich dat de artikelen 1, 21b en 68, eerste lid, onderdeel b (nieuw), van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 redactioneel worden aangepast en dat artikel 49 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 kan vervallen. Laatstgenoemd artikel regelt thans de verklaring inzake het ontbrekend werkgeversdeel van de partner.

 

Artikel 21c. Waardering niet in geld genoten loon; privé-gebruik auto

1.       De rittenregistratie bedoeld in artikel 13bis, vierde lid, van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a.       merk, type en kenteken van de auto;

b.       periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c.       per rit:

1º.     datum;

2º.     beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3º.     beginadres en eindadres;

4º.     de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5º.     het karakter van de rit.

2.       Indien in een loontijdvak de vergoeding die de werknemer voor het gebruik voor privé-doeleinden verschuldigd is, uitgaat boven het voor dat loontijdvak op grond van artikel 13bis, eerste tot en met derde lid, van de wet berekende voordeel, wordt in dat loontijdvak een negatief bedrag ter grootte van het verschil tussen het berekende voordeel en de verschuldigde vergoeding als voordeel in aanmerking genomen, mits op kalenderjaarbasis het berekende voordeel ten minste gelijk is aan de vergoeding voor het gebruik voor privé-doeleinden.

3.       Een verzoek om een verklaring geen privé-gebruik als bedoeld in artikel 13bis, dertiende lid, van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a.       de naam, het adres en het burger-servicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer van de werknemer;

b.       het kenteken van de auto, indien dit bekend is en het verzoek betrekking heeft op één auto;

c.       het jaar van ingang van de verklaring.

 

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Het hierbij in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geïntroduceerde artikel 21c is gebaseerd op artikel 13bis van de wet.

Met het eerste lid wordt uitvoering gegeven aan de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot de rittenregistratie. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 13bis, vierde lid, van de wet. De in het eerste lid genoemde gegevens die een rittenregistratie ten minste moet bevatten, zijn ontleend aan artikel 22 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, welk artikel komt te vervallen met het onder de loonbelasting brengen van de auto van de zaak.

Met het tweede lid wordt uitvoering gegeven aan het achtste lid van artikel 13bis van de wet. De situatie kan zich voordoen dat de hoogte van een eigen bijdrage in verband met het privé-gebruik van de ook voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto in een loontijdvak hoger is dan de bijtelling voor het desbetreffende loontijdvak, terwijl er op kalenderjaarbasis geen sprake is van een negatief saldo. Met dit tweede lid wordt het mogelijk gemaakt om in dit geval het negatieve saldo in aanmerking te nemen. Zodra blijkt dat het saldo op kalenderjaarbasis negatief is, dient dit hersteld te worden met één of meer correctieberichten. Het voordeel wordt immers volgens het zesde lid van artikel 13bis van de wet slechts in aanmerking genomen voorzover het uitgaat boven de vergoeding die de werknemer verschuldigd is voor het privé-gebruik. In de daarbij gekozen formulering ligt besloten dat dit voordeel op kalenderjaarbasis niet minder dan nihil kan bedragen.

Met het derde en vierde lid wordt uitvoering gegeven aan het veertiende lid van artikel 13bis van de wet.

In het derde lid is opgenomen welke gegevens bij een verzoek om een verklaring geen privé-gebruik verstrekt moeten worden. Dit verzoek kan worden gedaan met een aanvraagformulier dat is te krijgen via de website van de Belastingdienst en de Belastingtelefoon. Naast de persoonlijke gegevens zoals naam, adresgegevens en sofi-nummer van de werknemer aan wie de auto mede voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld, dient bij het verzoek het kenteken van de mede voor privé-doeleinden ter beschikkinggestelde auto vermeld te worden evenals het jaar van ingang van de verklaring. Indien het kenteken nog niet bekend is op het moment dat de verklaring wordt aangevraagd of als er doorlopend afwisselend gebruik wordt gemaakt van verschillende auto’s kan het opgeven van het kenteken achterwege blijven. Bij het doen van een verzoek wordt gevraagd naar het jaar met ingang waarvan de verklaring van toepassing is. De verklaring werkt voor elk heel jaar gedurende de looptijd. De grens van niet meer dan 500 privé-kilometers wordt ook op kalenderjaarbasis in aanmerking genomen. Deze grens dient tijdsevenredig toegepast te worden indien de auto slechts voor een gedeelte van het kalenderjaar mede voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld.

Omdat het niet steeds mogelijk is dat op een verzoek om een verklaring is beslist voordat een auto aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld (of voordat de nieuwe wettelijke regeling met ingang van 1 januari 2006 in werking treedt), is in het vierde lid bepaald dat de inhoudingsplichtige een afschrift van een verzoek om een verklaring gedurende ten hoogste drie maanden kan beschouwen als een verklaring geen privé-gebruik.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Op grond van artikel 21c, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt een afschrift van een verzoek om een verklaring geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis, tiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 gedurende drie maanden nadat het verzoek bij de inspecteur is ingediend gelijkgesteld met de verklaring geen privé-gebruik. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2006 ingevoerd waarbij is overwogen dat het niet steeds mogelijk is dat op een verzoek om een verklaring is beslist voordat een auto aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld of voordat de toen nieuwe wettelijke regeling in werking zou treden. Deze bepaling kan nu vervallen omdat de aanvragen inmiddels op basis van dagproductie worden behandeld. Bovendien blijkt de termijn van drie maanden aanleiding te geven tot misbruik als verklaringen geen privégebruik na controle door de Belastingdienst worden ingetrokken. Sommige werknemers dienen dan een nieuwe aanvraag voor een verklaring geen privégebruik in en overhandigen een afschrift daarvan aan de werkgever. Op grond van het huidige art. 21c, vierde lid, geldt dit afschrift gedurende drie maanden als verklaring geen privé-gebruik. Op basis van dit afschrift zal inhouding van loonheffing over het privé-gebruik van de ter beschikking gestelde auto veelal ten onrechte achterwege blijven, hetgeen door de Belastingdienst na een volgend onderzoek moet worden gecorrigeerd.

Zoals opgemerkt, verwerkt de Belastingdienst aanvragen voor verklaringen geen privé-gebruik op basis van dagproductie; aanvragen die op een bepaalde dag binnenkomen worden nog diezelfde dag behandeld en leiden indien er geen contra-indicaties zijn ook nog diezelfde dag tot verzending van een verklaring geen privé-gebruik aan de aanvrager. Voor de terbeschikkingstelling van een auto zijn in het algemeen een aantal voorbereidingshandelingen van werkgever en werknemer noodzakelijk waardoor een werknemer enige tijd zal hebben om een verklaring geen privégebruik aan te vragen. Doordat de Belastingdienst de verklaring geen privégebruik op basis van dagproductie verstrekt, heeft een werknemer voldoende tijd om ervoor zorg te dragen dat zijn werkgever de verklaring geen privégebruik in zijn administratie kan opnemen voordat hij feitelijk over de auto van de zaak beschikt. Het is dus niet nodig de voorziening van art. 21c, vierde lid, ongewijzigd in stand te houden. Met het oog op het geconstateerde misbruik komt deze bepaling te vervallen. Het laten vervallen van art. 21c, vierde lid, betekent overigens een vereenvoudiging voor de werkgever. Hij hoeft namelijk geen administratie meer te voeren van gevallen waarin de inhouding wegens privé-gebruik achterwege blijft in verband met een afschrift van de aanvraag voor een verklaring geen privégebruik. Bovendien hoeft hij niet meer bij te houden op welk moment het afschrift in zijn administratie vervangen moet zijn door de verklaring geen privégebruik.

(DB 2009/717M) (Red.: Betreft de invoering van het burgerservicenummer).

 

HOOFDSTUK 4. VRIJE VERGOEDINGEN EN VERSTREKKINGEN (hoofdstuk IIA van de wet)

 

In dit hoofdstuk wordt het nieuwe hoofdstuk IIA van de wet uitgewerkt.

Als algemene inleiding wordt opgemerkt dat vergoedingen en verstrekkingen zoveel mogelijk op dezelfde voet worden behandeld. Bij diverse onderwerpen waarvoor in de Uitvoeringsregeling LB 1990 de waardering van verstrekkingen was geregeld, is voortaan sprake van een regeling voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Met betrekking tot deze posten is artikel 13 van de wet niet meer van betekenis. De regelingen zijn in de meeste gevallen voor de toegankelijkheid zowel voor de vrije vergoedingen als de vrije verstrekkingen uitgeschreven.

Bij de opbouw van dit hoofdstuk is de volgorde van de bepalingen in hoofdstuk IIA van de wet gevolgd, met dien verstande dat eerst twee algemene, op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet gebaseerde, bepalingen zijn opgenomen, te weten artikel 22 (normeringen en beperkingen) en artikel 23 (eigen bijdragen werknemer).

 

Artikel 22. Normeringen en beperkingen

1.   Ingeval op grond van dit hoofdstuk of hoofdstuk IIA van de wet een verstrekking vanaf een bepaald bedrag tot de vrije verstrekkingen behoort en daar beneden niet, wordt een dergelijke verstrekking tot dit bedrag tot het loon gerekend.

2.   Ingeval een in dit hoofdstuk of in hoofdstuk IIA van de wet opgenomen regeling zowel betrekking heeft op een vrije vergoeding als op een vrije verstrekking, geldt het vrijgestelde bedrag voor vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen tezamen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De in artikel 22 getroffen regelingen gelden voor het gehele hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 en hoofdstuk IIA van de wet.

In artikel 22, eerste lid, wordt bepaald dat ingeval een vergoeding of verstrekking gedeeltelijk tot de vrije vergoedingen onderscheidenlijk verstrekkingen behoort, het niet vrije gedeelte van de vergoeding of verstrekking tot het loon wordt gerekend. De desbetreffende bedragen, die tot het loon worden gerekend, gelden als normbedragen. Ter toelichting wordt opgemerkt dat met betrekking tot loon in natura tot en met 31 december 2000 diverse waarderingsvoorschriften gelden die in het algemeen niet voor tegenbewijs vatbaar zijn (uitzondering: het geval van genot van een woning), hetgeen nodig is voor de doelmatige uitvoering van de loonbelasting/premie volksverzekeringen. In verband daarmee zijn de desbetreffende waarderingen op een voorzichtig niveau vastgesteld. Een doelmatige uitvoering vereist dat deze systematiek in stand blijft. Artikel 22, eerste lid, strekt hier voorzover nodig toe. Hierbij is (op grond van artikel 15c en artikel 17, tweede lid) voor de volledigheid ook hoofdstuk IIA van de wet genoemd, hetgeen van praktisch belang wordt ingeval een desbetreffende in hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 opgenomen bepaling naar hoofdstuk IIA van de wet wordt overgebracht.

In artikel 22, tweede lid, wordt bepaald dat ingeval een regeling zowel betrekking heeft op een vrije vergoeding als op een vrije verstrekking, het vrijgestelde bedrag voor vrije vergoedingen en verstrekkingen tezamen geldt. Deze bepaling is gedeeltelijk ten overvloede opgenomen. Het is namelijk al vaste rechtspraak (HR 28 juni 1995, nr. 30 255, BNB 1995/335, en HR 15 december 1999, nr. 34 916, BNB 2000/56) dat op het punt van beperkte of genormeerde vergoedingen - tot het bedrag van de norm - aan een werknemer geen onderscheid wordt gemaakt tussen vergoedingen in geld en in andere vorm gegeven verstrekkingen ter bestrijding van kosten van de werknemer. Omdat de bepalingen in de Uitvoeringsregeling LB 2001 in de meeste gevallen zowel voor de vrije vergoedingen als de vrije verstrekkingen zijn uitgeschreven, zou echter het misverstand kunnen ontstaan dat een bepaalde norm afzonderlijk bij de vergoedingen en bij de verstrekkingen kan worden toegepast. Ter vermijding van dergelijke misverstanden is vastgelegd dat ingeval een in hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 of in hoofdstuk IIA van de wet opgenomen regeling zowel betrekking heeft op een vrije vergoeding als op een vrije verstrekking, het vrijgestelde bedrag voor vrije vergoedingen en verstrekkingen tezamen geldt. Hierbij is (op grond van artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet) gedeeltelijk ten overvloede ook hoofdstuk IIA van de wet genoemd. De samentelling van vergoedingen en verstrekkingen volgt namelijk doorgaans al uit de genoemde rechtspraak. Voorkomen moet echter worden dat aan een bepaling voor alleen hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 een argument a contrario wordt ontleend voor de uitleg van de wet.

Een bepaalde norm (zoals bij maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is) geldt dus voor het totaal van de vergoede en de verstrekte maaltijden.

(WDB 2003/650M - Art.gew. toelichting) De in dit onderdeel opgenomen wijziging strekt er toe artikel 22, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 te verduidelijken. Aldus komt de bedoeling van de wetgever, zoals bij de totstandkoming van dat artikel (Stcrt. 2000, 251, blz. 22) is uiteengezet, meer tot uitdrukking. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Om mogelijke misverstanden in de praktijk te voorkomen is duidelijkheidshalve bepaald dat de desbetreffende verstrekkingen steeds voor het bijbehorende normbedrag in de heffing worden betrokken, dus ook in de situatie dat de waarde in het economische verkeer van die verstrekking minder zou bedragen dan het normbedrag. Gelet op de normstelling is tegenbewijs dus niet mogelijk.

Bij de toekenning van een vergoeding geldt een dergelijke normering uitsluitend voorzover de vergoeding meer beloopt dan het normbedrag; tot het normbedrag is de vergoeding dan belast en daar boven vrij. Het is, mede gelet op de wetssystematiek van de loonbelasting, uiteraard nooit de bedoeling geweest dat bij de toekenning van een vergoeding een hoger bedrag in de heffing zou worden betrokken dan het bedrag van de vergoeding zelf. Aangezien dit reeds in de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (bijvoorbeeld in artikel 38, eerste lid, en 39, eerste lid) zelf is geregeld, kan artikel 22, eerste lid, op dit punt worden gestroomlijnd door de bepaling toe te spitsen op de vrije verstrekkingen.

 

Artikel 23. Kosten werknemer bij gedeeltelijk vrije vergoedingen en verstrekkingen

1. Ingeval ter zake van een op grond van dit hoofdstuk niet volledig vrije vergoeding kosten voor rekening van de werknemer blijven, wordt het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag van het niet vrije gedeelte van de vergoeding verlaagd met deze kosten van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil.

2. Ingeval ter zake van een op grond van dit hoofdstuk niet volledig vrije verstrekking aan de werknemer een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht, wordt het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag voor het niet vrije gedeelte van de verstrekking verlaagd met de eigen bijdrage van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. Bij diverse in hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 opgenomen regelingen is sprake van een gedeeltelijk vrije vergoeding of vrije verstrekking. De desbetreffende normeringen zijn gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet.

Voor de belastingheffing maakt het verschil of de werknemer een gedeelte van de kosten voor eigen rekening neemt. Daartoe zijn in artikel 23 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 regels opgenomen die voor het gehele hoofdstuk 4 van belang zijn.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij loon in natura (waarvoor de bepalingen met betrekking tot vrije verstrekkingen niet gelden) op de voet van artikel 13, derde lid, van de wet met de eigen bijdrage van de werknemer rekening wordt gehouden.

Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling LB 2001 wordt ingeval ter zake van een niet volledig vrije vergoeding kosten voor rekening van de werknemer blijven, het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag van het niet vrije gedeelte van de vergoeding verlaagd met deze kosten van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil. Deze bepaling kan aan de hand van de drie volgende voorbeelden worden toegelicht.

Voorbeeld 1. Met betrekking tot een vergoeding is geregeld dat boven f 100 sprake is van een vrije vergoeding. De werkgever vergoedt de werkelijke kosten ad f 250. Belast is f 100 en f 150 is vrij.

Voorbeeld 2. Als voorbeeld 1, met dien verstande dat de werkgever f 225 vergoedt en f 25 voor rekening van de werknemer is. Zonder een nadere regeling en afgezien van een redelijke wetstoepassing zou de vergoeding van f 225 slechts voor f 125 tot de vrije vergoedingen behoren en voor f 100 zijn belast. In vergelijking tot voorbeeld 1 zou deze uitkomst onredelijk zijn. Om hierin te voorzien, is bepaald dat het niet voor vrije vergoeding in aanmerking komende bedrag van f 100 met de eigen bijdrage van de werknemer ad f 25 wordt verminderd tot f 75. Belast is f 75 en f 150 is vrij.

Voorbeeld 3. Als voorbeeld 1, met dien verstande dat de werkgever f 125 vergoedt en f 125 voor rekening van de werknemer is. Het niet voor vrije vergoeding in aanmerking komende bedrag van f 100 wordt verminderd met f 125 doch niet verder dan tot nihil. De vergoeding van f 125 is dus vrij. Bij de werknemer is het verschil tussen f 125 en f 100 niet aftrekbaar; dit bedrag kan ook niet in mindering worden gebracht op het niet voor vrije vergoeding in aanmerking komende gedeelte van andere niet volledig vrije vergoedingen.

Het is niet nodig het bepaalde artikel 23, eerste lid, ook voor hoofdstuk IIA van de wet te doen gelden. Bij de in de wet geregelde gevallen wordt de feitelijk ontvangen vergoeding aan het wettelijke normbedrag getoetst.

Op grond van artikel 23, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling LB 2001 wordt ingeval ter zake van een niet volledig vrije verstrekking aan de werknemer een eigen bijdrage in rekening wordt gebracht het in de desbetreffende bepaling opgenomen of bedoelde bedrag van het niet vrije gedeelte van de verstrekking verlaagd met de eigen bijdrage van de werknemer, doch niet verder dan tot nihil. Ook deze bepaling wordt met drie voorbeelden toegelicht.

Voorbeeld a. Met betrekking tot een verstrekking is geregeld dat boven f 100 sprake is van een vrije verstrekking. De waarde in het economische verkeer van de verstrekking is f 250. Er is geen sprake van een eigen bijdrage van de werknemer. Van de verstrekking is f 100 (dit bedrag geldt, zoals gezegd, ook als normering) belast en f 150 vrij.

Voorbeeld b. Als voorbeeld a, met dien verstande dat de eigen bijdrage van de werknemer f 25 is. Het niet als vrije verstrekking aan te merken bedrag van f 100 wordt met de eigen bijdrage van de werknemer ad f 25 verminderd tot f 75. Belast is f 75 en f 175 is vrij.

Voorbeeld c. Als voorbeeld a, met dien verstande dat f 125 voor rekening van de werknemer is. Het niet voor vrije verstrekking in aanmerking komende bedrag van f 100 wordt verminderd met f 125 doch niet verder dan tot nihil (dit volgt overigens al uit artikel 17, derde lid, van de wet). De verstrekking is vrij.

Het is niet nodig het bepaalde artikel 23, tweede lid, ook voor hoofdstuk IIA van de wet te doen gelden. Bij de gevallen die in de wet zijn geregeld, wordt de feitelijk genoten verstrekking aan het wettelijke normbedrag getoetst.

 

Artikel 24. Werkkleding

Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt kleding slechts als werkkleding aangemerkt indien zij:

a. uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen;

b. is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan de inhoudingsplichtige gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm².

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 15, zevende lid, van de wet (tekst tot en met 31 december 2000) en artikel 18 van de Uitvoeringsregeling LB 1990. In overeenstemming met de tekst (met ingang van 1 januari 2001) van artikel 15 van de wet wordt in artikel 24 niet, zoals in de Uitvoeringsregeling LB 1990, gesproken over “geschikt is om bij het verwerven van het loon te dragen” maar over geschikt is om tijdens de vervulling van de dienstbetrekking te worden gedragen.

Duidelijkheidshalve zij opgemerkt dat onder het nieuwe regime van de vrije vergoedingen en verstrekkingen, vergoedingen ter zake van werkkleding uitdrukkelijk tot de vrije vergoedingen worden gerekend (ingevolge artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, van de wet). In samenhang met artikel 17, tweede lid, van de wet worden verstrekkingen van werkkleding tot de vrije verstrekkingen gerekend. Een eigen bijdrage van de werknemer voor door de inhoudingsplichtige verstrekte werkkleding komt niet in mindering op het loon. Artikel 17, derde lid, van de wet bepaalt dit uitdrukkelijk, hetgeen wordt bevestigd in artikel 23, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling LB 2001.

 

Artikel 25. Verhuizing in het kader van de dienstbetrekking

1. Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde.

2. Onder afstand als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15a, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 18a van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) Met de wijziging van artikel 25 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001) wordt een nieuwe invulling gegeven aan de situaties waarbij in ieder geval aangenomen wordt dat de werknemer in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd. Door deze wijziging is dit alleen nog het geval indien de werknemer binnen twee jaar na aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde. Deze wijziging hangt samen met de in het Belastingplan 2009 opgenomen wijziging van artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). De laatstgenoemde wijziging is toegelicht in de tweede nota van wijziging[4]  bij het Belastingplan 2009.

[4] Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 34.

 

Artikel 26. Openbaarvervoerkaart

1.   Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

2.   Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15a, eerste lid, onderdeel i, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 14, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. De regeling met betrekking tot een vergoeding of een verstrekking van een openbaar-vervoerkaart (hierna: OV-kaart) is op twee punten verruimd. In de eerste plaats geldt de regeling ook voor de desbetreffende vergoedingen, teneinde een zoveel mogelijk gelijke fiscale behandeling van vergoedingen en verstrekkingen te bewerkstelligen. In de tweede plaats wordt de gedeeltelijke vrijstelling in de nieuwe opzet niet beperkt tot de zogenaamde collectieve OV-kaart. Wel is vereist dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer. Het begrip openbaar vervoer is gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Uitvoeringsregeling LB 2001.

Wat betreft de hoogte van de vrijgestelde bedragen is aangesloten bij de bedragen die zijn opgenomen in artikel 14, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. Aldus wordt bewerkstelligd dat de desbetreffende vrijstelling feitelijk overeenkomt met de tot en met 31 december 2000 geldende waardering van de OV-kaart.

De niet vrijgestelde bedragen worden ingevolge artikel 84, aanhef en onderdelen g en h, van de Uitvoeringsregeling LB 2001 aangemerkt als loonbestanddelen met een bestemmingskarakter, waarover de inhoudingsplichtige door middel van eindheffing tegen enkelvoudig tarief loonbelasting/premie volksverzekeringen dient te betalen.

De administratieve verplichtingen met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van een OV-kaart zijn opgenomen in artikel 68, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling LB 2001.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 26 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15a, eerste lid, onderdeel i, van de Wet op de loonbelasting 1964. Op grond van laatstgenoemd artikel behoort een vergoeding ter zake van een recht op reizen per openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer tot de vrije vergoedingen, voor zover is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels die mede betrekking kunnen hebben op de mate waarin de vergoeding tot de vrije vergoedingen behoort.

De werkgever kan dus onder bepaalde voorwaarden aan de werknemer belastingvrij een openbaarvervoerkaart (verder: OV-kaart) vergoeden. De voorwaarden zijn uitgewerkt in artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Hierin is bepaald dat het recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer mede moet dienen ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en dat de vergoeding is vrijgesteld voor zover deze meer bedraagt dan € 54 per jaar of, bij reizen eerste klas, € 82 per jaar. Deze bedragen gelden per persoon die van het recht gebruik kan maken, waarbij minderjarige (pleeg)kinderen van de werknemer niet worden meegerekend. Het voorgaande is op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 26, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van een OV-kaart.

De niet vrijgestelde bedragen worden op grond van artikel 84, aanhef en onderdelen f en g, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (gebaseerd op artikel 31, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, van de Wet op de loonbelasting 1964) aangemerkt als loon met een bestemmingskarakter. De werkgever is daarover een op basis van het enkelvoudige tarief berekende eindheffing verschuldigd.

Ten behoeve van een vereenvoudiging van de loonadministratie en een vermindering van administratieve lasten vervalt de in verhouding tot de waarde van de OV-kaart kleine eindheffing. Dit betekent dat een door de werkgever aan de werknemer verstrekt recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of mede dient voor woon-werkverkeer volledig vrij is, ook voor zover gezinsleden van de werknemer van dat recht gebruik kunnen maken. De werkgever hoeft de desbetreffende boekingen niet meer uit te voeren. Bovendien is het afschaffen van de normbijtelling voor de OV-kaart een stimulans voor het gebruik van het openbaar vervoer.

 

Artikel 27. Aangewezen regio’s uitgezonden werknemers

1. Als regio’s bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, onder 4º, van het besluit worden aangewezen:

a.   de landen in Azië (waaronder Hongkong en het gedeelte van Turkije dat ten oosten van de Bosporus is gelegen);

b.   de landen in Afrika;

c.   de landen in Latijns Amerika (waaronder de Nederlandse Antillen en Aruba);

d.   de volgende landen in Europa: Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië-Hercegovina, Bulgarije, Estland, Georgië, Hongarije, de Federale Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro, daaronder begrepen Kosovo), Kroatië, Letland, Litouwen, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Moldovië, Oekraïne, Polen, Roemenië, de Russische Federatie, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.

2. Onder de in het eerste lid genoemde landen worden begrepen gebieden gelegen buiten de territoriale wateren van die landen waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kunnen uitoefenen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 8, derde lid, aanhef en onderdeel c, onder 4º, van het besluit. In laatstgenoemde bepaling, die is gebaseerd op artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de wet, wordt onder uitgezonden werknemer verstaan de werknemer in de zin van artikel 2 van de wet die door een inhoudingsplichtige naar het buitenland is gezonden met het oog op tewerkstelling in een bij ministeriële regeling aangewezen regio. Overeenkomstig de toelichting op genoemd artikel 8 worden in eerste instantie aangewezen de landen, met hun continentale plateaus, die voor de zogenoemde Nedeco-regeling relevant waren. De tekst van artikel 27 is ontleend aan punt 5, onderdeel b, van het Besluit van 7 december 1999, nr. IFZ1999/1060M, BNB 2000/72.

In artikel 27 is niet vermeld dat de werknemer in een aangewezen regio verblijf dient te houden. Deze voorwaarde, die inherent is aan het begrip uitzending naar een regio, blijft echter van belang.

 

Artikel 28. Afgifte EVC-verklaringen

De verklaring, bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de wet, wordt afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

 

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) De regeling voor vaste vrije reiskostenvergoedingen van artikel 28 van de URLB 2001 (tekst 2008) wordt per 1 januari 2009 opgenomen in artikel 15a van de Wet LB 1964. De wijziging van artikel 15a van de Wet LB 1964 is opgenomen in het Belastingplan 2009 en is toegelicht in de tweede nota van wijziging[5]  bij het Belastingplan 2009. Hierdoor kan artikel 28 (tekst 2008) van de URLB 2001 per 1 januari 2009 vervangen worden door een nieuw artikel 28, waarin uitvoering wordt gegeven aan de in artikel 15a, derde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiebepaling. In het nieuwe artikel 28 worden instanties aangewezen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure, tot gevolg heeft dat de kosten van het volgen van die procedure in aanmerking kunnen worden genomen als uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en inkomen. Hierbij is in beginsel aangesloten bij de instanties die zijn aangewezen in de tot 1 januari 2009 geldende (maar ingevolge deze wijzigingsregeling eveneens aangepaste) tekst van artikel 40a van de URIB 2001 en van artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. Na inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling zijn alle genoemde overeenkomstige bepalingen inhoudelijk gelijkluidend.

[5] Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 34.

(DV 2010/76 - Art.gew. toelichting) In artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn de instanties opgenomen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure, tot gevolg heeft dat een werkgever een EVC-procedure belastingvrij kan vergoeden of verstrekken. Voorheen kon ter verkrijging van de fiscale faciliteit de verklaring door een aantal verschillende instanties zijn afgegeven. Echter, met ingang van 1 januari 2010 dient de genoemde verklaring te zijn afgegeven door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Genoemd artikel wordt dienovereenkomstig per die datum aangepast. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer van 15 december 2009 (Kamerstukken II 2009/10, 30 012, nr. 30).

 

Artikel 29. Bedrijfsfitness

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness, indien:

a. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers, en

b. de fitness plaatsvindt:

1°. in een vestiging van de inhoudingsplichtige of in een fitnesscentrum dat door de inhoudingsplichtige is aangewezen voor alle werknemers, met dien verstande dat, ingeval de inhoudingsplichtige voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in elke vestiging van dat fitnessbedrijf, of

2°. in een fitnesscentrum dat door de inhoudingsplichtige is aangewezen voor alle werknemers met dezelfde niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats, met dien verstande dat, ingeval de inhoudingsplichtige met betrekking tot de werknemers op deze arbeidsplaats voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in elke vestiging van dat fitnessbedrijf.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van bedrijfsfitness, indien:

a. deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers, en

b. de fitness plaatsvindt:

1°. in een vestiging van de inhoudingsplichtige of in een fitnesscentrum dat door de inhoudingsplichtige is aangewezen voor alle werknemers, met dien verstande dat, ingeval de inhoudingsplichtige voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in elke vestiging van dat fitnessbedrijf, of

2°. in een fitnesscentrum dat door de inhoudingsplichtige is aangewezen voor alle werknemers met dezelfde niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats, met dien verstande dat, ingeval de inhoudingsplichtige met betrekking tot de werknemers op deze arbeidsplaats voor bedrijfsfitness een overeenkomst sluit met één fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, de fitness kan plaatsvinden in elke vestiging van dat fitnessbedrijf.

3. Onder bedrijfsfitness als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstaan: conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de inhoudingsplichtige.

4. Dit artikel is niet van toepassing op vergoedingen en verstrekkingen die uitsluitend toekomen aan een werknemer van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en waarin de werknemer, al dan niet tezamen met zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is, of aan diens partner in de zin van genoemd artikel 1.2.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15b, eerste lid, onderdeel e, van de wet. Artikel 29 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 beoogt de regeling in artikel 16e van de Uitvoeringsregeling LB 1990 te continueren, met dien verstande dat de regeling voortaan ook betrekking heeft op vergoedingen. Aan de regeling bij vergoedingen is inherent dat niet alleen de fitness maar ook de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake daarvan open moet staan voor alle of nagenoeg alle werknemers.

(WDB2001/760 - Art.gew. toelichting) Artikel 29 bevat de regeling voor vrije vergoedingen en vrije verstrekkingen van bedrijfsfitness. De in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, opgenomen voorwaarde "deelneming aan de fitness niet openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers" blijkt in de praktijk te beperkend te werken. Met name ingeval een inhoudingsplichtige meerdere vestigingen heeft die op grote afstand van elkaar liggen, is het feitelijk niet goed mogelijk aan het openstellingscriterium te voldoen. Om die reden is als alternatieve voorwaarde toegevoegd dat deelneming openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers. Met het oog op de leesbaarheid zijn het eerste en tweede lid van artikel 29 positief geformuleerd.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15b, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964. Ingevolge laatstgenoemde bepaling zijn vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness alleen vrijgesteld voor zover is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt hetzelfde voor het verstrekken van bedrijfsfitness.

De tekst van artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 tot 1 januari 2007 stelt in het eerste en tweede lid als voorwaarden voor het belastingvrij vergoeden dan wel verstrekken van bedrijfsfitness dat de fitness geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende werktijd en dat deelneming aan de fitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers. In het derde lid is bedrijfsfitness als bedoeld in deze bepaling gedefinieerd als conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de inhoudingsplichtige.

De voorwaarde dat de fitness geheel of nagenoeg geheel tijdens werktijd plaatsvindt, komt per 1 januari 2007 te vervallen. Daarvoor in de plaats wordt in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 de voorwaarde opgenomen dat de bedrijfsfitness plaatsvindt op de werkplek, op een vaste door de inhoudingsplichtige aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers of op een vaste door de werkgever aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers met dezelfde niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats. Met deze voorwaarde wordt voorkomen dat werknemers in de avonduren vlak bij hun woonplaats op individuele basis onbelast op kosten van de werkgever kunnen gaan fitnessen. De faciliteit is bedoeld voor bedrijfsfitness. De voorwaarde dat de door de werkgever aangewezen vaste locatie – in plaats van voor alle werknemers – ook kan gelden voor alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van de werknemers, is met name bedoeld voor het geval dat een inhoudingsplichtige meerdere vestigingen heeft die op grote afstand van elkaar liggen. In dat geval heeft het immers geen of weinig zin om voor alle werknemers van de verschillende vestigingen dezelfde fitnesslocatie aan te wijzen. Het ontmoet voor de toepassing van artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geen bezwaar dat de werkgever voor de ene vestiging wel een bedrijfsfitnessregeling heeft en voor de andere vestiging niet.

In het vierde lid wordt een nieuwe voorwaarde gesteld welke ertoe strekt dat de directeur/aandeelhouder alleen van de regeling gebruik kan maken als andere werknemers aan de bedrijfsfitness deelnemen. Vergoedingen en verstrekkingen ter zake van bedrijfsfitness zijn niet vrij indien deze uitsluitend toekomen aan een werknemer en/of zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 welke werknemer, al dan niet tezamen met zijn partner of zijn bloed-of aanverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in de vennootschap waarvoor hij werkzaam is. Door de grens van het bezit van één derde van het geplaatste aandelenkapitaal ziet deze beperking slechts op situaties waarin het aannemelijk is dat de aandeelhouder een belangrijke zeggenschap in de vennootschap heeft. Hierbij maakt het niet uit of de partner al dan niet bij de inhoudingsplichtige vennootschap in dienstbetrekking is.

Met een iets andere tekst wordt aldus aangesloten bij de voor een spaarloonregeling in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 geldende voorwaarde dat deelname aan de spaarloonregeling niet uitsluitend mag zijn opengesteld voor de hier omschreven aandeelhouder/ werknemer en zijn partner (artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 23 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen).

De bijzondere bepaling met betrekking tot directeuren/aandeelhouders bij bedrijfsfitness kan aan de hand van de volgende voorbeelden worden toegelicht:

1. een BV heeft als werknemers alleen de directeur/aandeelhouder en zijn partner; de regeling met betrekking tot bedrijfsfitness is niet van toepassing;

2. een BV heeft een directeur/ aandeelhouder en negen andere werknemers waaronder de partner van de directeur/aandeelhouder. De regeling met betrekking tot bedrijfsfitness is alleen van toepassing indien ten minste negen van de tien werknemers daaraan deel kunnen nemen, ook al maakt daarvan behalve de directeur/aandeelhouder en diens partner maar één andere werknemer gebruik. Blijft de feitelijke deelname aan de bedrijfsfitness echter beperkt tot de directeur/aandeelhouder en diens partner, dan is volgens het nieuwe vierde lid de regeling niet van toepassing.

(DB2007/39M - Art.gew. toelichting) De regeling voor vrije vergoedingen en verstrekkingen van bedrijfsfitness is met ingang van 1 januari 2007 verruimd bij ministeriële regeling van 12 december 2006, nr. DB 2006-658 M, Stcrt. 2006, 251. De voorwaarde dat de fitness geheel of nagenoeg geheel binnen werktijd plaatsvindt, is vervallen. Om het voor de vrijstelling vereiste karakter van bedrijfsfitness - in tegenstelling tot individuele fitness die niet belastingvrij kan worden vergoed of verstrekt - te behouden, was als voorwaarde gesteld dat de fitness plaatsvindt op een vaste door de werkgever aangewezen locatie die geldt voor alle werknemers of voor alle werknemers van een bepaalde vestiging van de werkgever.

Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van het Wijzigingsplan "Paarse krokodil" is door mij toegezegd (Handelingen I 2006/07, 13-530 en 13-540) dat de regeling ook kan worden toegepast als een werkgever een contract heeft met één fitnessbedrijf waarbij de werknemers in alle vestigingen van dat fitnessbedrijf terecht kunnen. Met de in deze regeling opgenomen wijziging, die terugwerkt tot en met 1 januari 2007, wordt deze toezegging uitgevoerd.

Na deze wijziging kent de regeling voor bedrijfsfitness in de loonbelasting drie mogelijkheden voor de plaats van de bedrijfsfitness.

De eerste mogelijkheid is dat de fitness plaatsvindt in een vestiging van de werkgever. Daarbij maakt het niet uit of de werknemer al dan niet in die vestiging werkt. De omstandigheid dat de fitness binnen de bedrijfsmuren plaatsvindt, is voldoende om van bedrijfsfitness te kunnen spreken.

De tweede mogelijkheid is dat de fitness plaatsvindt in een door de werkgever voor al zijn werknemers aangewezen fitnesscentrum. Het karakter van bedrijfsfitness komt dan tot uitdrukking in het vereiste van een vaste locatie.

De derde mogelijkheid is dat de werkgever een overeenkomst sluit met één fitnessbedrijf op grond waarvan de werknemers kunnen fitnessen in elke vestiging van dat fitnessbedrijf. Het karakter van bedrijfsfitness komt dan tot uitdrukking in de overeenkomst voor bedrijfsfitness tussen de werkgever en het fitnessbedrijf waarvan (nagenoeg) alle werknemers gebruik kunnen maken.

Deze mogelijkheden zijn geregeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, onder 1° (met betrekking tot vrije vergoedingen), en in artikel 29, tweede lid, onderdeel b, onder 1° (met betrekking tot vrije verstrekkingen).

Als de werkgever meer dan één vestiging heeft, gelden de hiervoor genoemde mogelijkheden voor een fitnesscentrum of één fitnessbedrijf dat meer dan één vestiging heeft, per vestiging van de werkgever. Een en ander is geregeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, onder 2° (met betrekking tot vrije vergoedingen), en artikel 29, tweede lid, onderdeel b, onder 2° (met betrekking tot vrije verstrekkingen). Deze aanvulling houdt verband met de omstandigheid dat het voor een werkgever die meer dan één vestiging heeft praktisch bezwaarlijk of zelfs onmogelijk kan zijn voor alle werknemers dezelfde bedrijfsfitnessregeling te laten gelden. Afhankelijk van de ligging van een vestiging kan een bepaalde locatie van de bedrijfsfitness ook veel logischer zijn dan bij een andere vestiging. Het ontmoet voor de toepassing van artikel 29 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bovendien geen bezwaar dat de werkgever voor de ene vestiging wel een bedrijfsfitnessregeling heeft en voor de andere vestiging niet. De verschillende mogelijkheden per vestiging komen volgens de woorden - niet in de woning van een van deze werknemers gelegen arbeidsplaats - niet aan de orde bij werknemers die thuiswerken. Anders zou praktisch sprake kunnen zijn van individuele fitness. Dit betekent echter niet dat thuiswerkende werknemers niet aan een bedrijfsfitnessregeling kunnen deelnemen. Als sprake is van een voor het bedrijf kwalificerende bedrijfsfitnessregeling kunnen de thuiswerkende werknemers daaraan op dezelfde manier deelnemen als de werknemers die op het bedrijf werken.

En als sprake is van een voor een vestiging van de werkgever kwalificerende bedrijfsfitnessregeling kan daarvan ook gebruik worden gemaakt door de werknemers van andere vestigingen en door de werknemers die thuiswerken.

Voor de volledigheid merk ik op dat onder bedrijfsfitness volgens het ongewijzigde artikel 29, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt verstaan: conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de inhoudingsplichtige. De wijziging heeft geen gevolgen van betekenis voor de administratieve lasten en de uitvoeringskosten.

 

Artikel 30. Werkruimte

1. Tot de vrije vergoedingen behoren niet vergoedingen die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in een woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:

a. ingeval de werknemer tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of

b. ingeval de werknemer niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren niet verstrekkingen van een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in een woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en:

a. ingeval de werknemer tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of

b. ingeval de werknemer niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, alsmede de aanhorigheden van een schip of een woonwagen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, van de wet. De tekst is ontleend aan de tot en met 31 december 2000 geldende tekst van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de wet en de tekst van artikel 3.16, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) In de memorie van toelichting op het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 18 december 2003, tot wijziging van belastingwetten c.a. (Technische herstelwet 2003), Stb 528, is reeds aangekondigd dat om een gelijke fiscale behandeling van een werkruimte in de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de loonbelasting te bewerkstelligen, artikel 30 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, zou worden aangepast. Met de huidige wijziging van artikel 30 wordt deze toezegging gestand gedaan.

Als zowel aan het zelfstandigheidscriterium als aan het inkomenscriterium wordt voldaan, is er blijkens genoemde Technische herstelwet 2003 sprake van een in fiscale zin kwalificerende werkruimte. Deze benadering wordt breed toegepast om te komen tot een zoveel mogelijke uniforme toepassing. In de loonsfeer betekent dit concreet dat een onbelaste vergoeding kan worden verstrekt indien er sprake is van een zelfstandige werkruimte waarin een werknemer een substantieel deel van zijn inkomen verdient. Welk gedeelte van het inkomen in de ruimte verdiend moet worden, hangt af van het al dan niet hebben van een werkruimte elders (bijvoorbeeld in het kantoor van de werkgever). Als men over een werkruimte elders beschikt, moet tenminste 70% van het inkomen in de ruimte thuis worden verdiend. Als men niet elders de beschikking heeft over een werkruimte, moet tenminste 70% van het inkomen in of vanuit de werkruimte worden verdiend en 30% van het inkomen in de werkruimte thuis worden verdiend. Dezelfde criteria gelden voor de verstrekking van een werkruimte. Met het voorgaande wordt de behandeling van de werkruimte voor een ondernemer, resultaatgenieter en een directeur-grootaandeelhouder doorgetrokken naar de loonbelasting. De voorwaarden voor een onbelaste vergoeding voor telewerken, worden niet aangepast. De vergoeding voor telewerken heeft betrekking op de inventaris van de werkruimte en niet op de werkruimte zelf (artikel 11, eerste lid, onderdeel q, van de Wet op de loonbelasting 1964).

 

Artikel 31. Normering vrije vergoedingen en verstrekkingen werkruimte

1. Tot de vrije vergoedingen behoren, onverlet de toepassing van artikel 30, niet vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren, onverlet de toepassing van artikel 30, niet verstrekkingen van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, voorzover deze meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. In geval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.

 

Ook deze bepaling is gebaseerd op artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, van de wet. De tekst is ontleend aan de tot en met 31 december 2000 geldende tekst van artikel 15, tweede lid, onderdeel f, van de wet, met dien verstande dat met betrekking tot de werkruimte in de eigen woning van de werknemer wordt verwezen naar de bepalingen in de Wet inkomstenbelasting 2001.

 

Artikel 32. Personeelsverenigingen

1. Tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen behoren vergoedingen en verstrekkingen, in redelijkheid, ter zake van personeelsverenigingen en dergelijke waaraan deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers.

2. Personeelsverenigingen in de zin van dit artikel hebben als doel en feitelijke werkzaamheden het organiseren van incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers.

3. Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Tot de vrije verstrekkingen behoren de verstrekkingen door personeelsverenigingen van de in het tweede lid bedoelde incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. Indien en voorzover sprake is van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is maar die dusdanig vaak voorkomen dat geen sprake is van een volledig vrije vergoeding of verstrekking (artikel 28 van de Uitvoeringsregeling LB 2001), kan voor de bepaling van het loon van de werknemer van de waarde van de besparing worden uitgegaan. De desbetreffende bedragen zijn ontleend aan artikel 11, eerste lid (en wat de gezinsleden van de werknemer betreft artikel 12), van de Uitvoeringsregeling LB 1990. Bij verstrekkingen behoren de genoemde bedragen tot het loon, zonder - net als tot en met 31 december 2000 (verwezen zij naar de toelichting bij artikel 22) - de mogelijkheid van tegenbewijs.

Voor de toets aan het normaantal van artikel 28 dienen de maaltijden van de werknemer en zijn gezinsleden gezamenlijk in aanmerking te worden genomen.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Op grond van het met ingang van 1 januari 2007 ingevoerde nieuwe artikel 15b, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de loonbelasting 1964 behoren tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen niet vergoedingen en verstrekkingen ter zake van personeelsverenigingen en dergelijke, behoudens voor zover is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels worden opgenomen in artikel 32 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

Met betrekking tot personeelsverenigingen geldt volgens artikel 32, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 als voorwaarde dat deelname aan de personeelsvereniging open moet staan voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers. Deze formulering wijkt af van de desbetreffende tekst in artikel 32a (voorheen: artikel 42) van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 met betrekking tot personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen. De achtergrond daarvan is dat een personeelsvereniging per organisatorische eenheid (het managementteam bijvoorbeeld) niet goed denkbaar is, omdat het collectieve karakter dat aan een personeelsvereniging eigen is dan ontbreekt.

In artikel 32, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is de gezamenlijkheidseis opgenomen. Op grond van deze gezamenlijkheidseis moeten doel en feitelijke werkzaamheden bestaan uit het organiseren van incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers. In feite ligt dit al besloten in het woord ‘personeelsvereniging’, een gezelligheidsvereniging van het personeel van een bedrijf. Hierin komt tot uitdrukking dat het gaat om een vereniging die als doel heeft het bevorderen en organiseren van sociale en gezelligheidsactiviteiten ten behoeve van de brede werknemerskring.

Bij het organiseren van incidentele activiteiten met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers kan bijvoorbeeld worden gedacht aan sociale activiteiten als een sinterklaas- of een kerstfeest, aan culturele en recreatieve activiteiten. Het is niet de bedoeling dat personeelsverenigingen de functies van andere verenigingen overnemen. Daarom wordt gesproken over incidentele activiteiten.

Bij andere ondergeschikte voorzieningen kan worden gedacht aan het van oudsher gebruikelijke door personeelsverenigingen bedingen van kwantumkortingen ten behoeve van het personeel. Een voorbeeld is de kwantumkorting op de huur van vakantiehuisjes. Het wordt anders als de personeelsvereniging voor gratis vakantiehuisjes weet te zorgen.

Uit het voorgaande volgt dat de vrijstelling voor personeelsverenigingen en dergelijke niet is bedoeld voor fondsen waaruit geldelijke uitkeringen aan werknemers worden gedaan. Er is dan geen sprake van een vereniging die incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen organiseert met een gezamenlijk karakter.

Met betrekking tot personeelsverenigingen geldt volgens artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 de in artikel 29, vierde lid, geregelde beperking ten aanzien van de directeur/aandeelhouder, al is dat bij dit onderwerp vanwege het begrip personeelsvereniging meer ten overvloede.

In het vierde lid wordt vastgelegd dat verstrekkingen door personeelsverenigingen en dergelijke van incidentele activiteiten en ondergeschikte voorzieningen met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers tot de vrije verstrekkingen behoren. Voor de toegankelijkheid is dit in artikel 32 bepaald hoewel regelingen met betrekking tot uitsluitend vrije verstrekkingen in het algemeen aan het slot van hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn opgenomen.

De tot en met het jaar 2006 geldende uitsluiting van vergoedingen voor personeelsverenigingen ziet door de woorden ‘en dergelijke’ ook op lief- en leedpotten. Door de gewijzigde tekst (met eveneens de woorden ‘en dergelijke’) vervalt ook de uitsluiting van vergoedingen voor de lief- en leedpotten die bij grotere ondernemingen en organisaties overigens doorgaans per afdeling bestaan. Aldus kunnen ter zake van lief- en leedpotten, in redelijkheid, vrije vergoedingen worden gegeven. Het gaat hierbij uit de aard der zaak om kleine bedragen. Dit sluit aan bij de jurisprudentie met betrekking tot interne representatiekosten. Dat zijn kosten die de ene collega maakt voor attenties aan een of meer andere collega’s (HR 27 september 2002, nr. 37 049, onder meer gepubliceerd in BNB 2002/381, en HR 25 februari 2005, nr. 39 768, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/171).

De door deze wijziging vervallen tekst van artikel 32 van de Uitvoeringregeling loonbelasting 2001 was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en gaf de normbedragen die bij het loon worden geteld voor meer dan bijkomstig zakelijke maaltijden wanneer deze per jaar het aantal van 80 overschrijden. Omdat de 80-maaltijdenregeling wordt afgeschaft, kan die tekst vervallen.

 

Artikel 32a. Personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen

1. Tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen behoren vergoedingen en verstrekkingen, in redelijkheid, ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen die een gezamenlijk karakter dragen en waaraan deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

2. Artikel 29, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Het nieuwe artikel 32a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op het nieuwe artikel 15b, eerste lid, onderdeel ha, van de Wet op de loonbelasting 1964 en geeft de voorwaarden waaronder vergoedingen en verstrekkingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen vrij zijn, waarbij in de tekst voor de duidelijkheid tot uitdrukking is gebracht dat aan het algemene criterium ‘in redelijkheid’ moet zijn voldaan.

Net als voor de huidige regeling (in artikel 42) van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geldt dat deelname aan de personeelsreis en dergelijke moet openstaan voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

In artikel 32a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, is ter verduidelijking opgenomen dat personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen een gezamenlijk karakter dienen te hebben (HR 20 december 2002, nr. 37 890, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/103, en HR 18 november 2005, nr. 39 707, onder meer gepubliceerd in BNB 2006/46).

Nieuw is de in artikel 32a, tweede lid, in verbinding met artikel 29, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 gestelde voorwaarde die ertoe strekt dat de directeur/aandeelhouder alleen van de regeling gebruik kan maken als andere werknemers aan de personeelsreis deelnemen. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 29, vierde lid.

 

Artikel 33. Genot van een woning

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de vergoeding op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de vergoeding meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voor zover:

a. de waarde in het economische verkeer op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek, of

b. de waarde in het economische verkeer meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.

3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde vaststelling bij beschikking vindt slechts plaats, indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning.

4. De beschikking van de inspecteur, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, vindt toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde van de beschikking nog niet zijn verstreken.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking beschouwd de vergoeding van het genot van een woning en de verstrekking in de vorm van het genot van de woning terzake van de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 11, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. Een verschil is dat de regeling voortaan ook op vergoedingen betrekking heeft. Voorts is als voorwaarde opgenomen dat het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is. Als voorbeeld van een geval waarbij het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is, kan worden genoemd de in Groningen wonende werknemer die wordt gedetacheerd in Den Haag en die in verband daarmee tijdelijk een woning moet huren waarvan de huurprijs veel hoger is dan bij zijn inkomens-, vermogens- en gezinsomstandigheden passend is. Gelet op de in artikel 15b, eerste lid, onderdeel j, van de wet, genoemde termijn mag worden aangenomen dat sprake is van genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking gedurende een termijn van ten hoogste 24 maanden. De verhouding tussen de regeling in artikel 33 en de bewijsregel met betrekking tot extraterritoriale kosten wordt toegelicht bij de wijzigingen in het besluit met ingang van 1 januari 2001.

Voorbeelden van permanente situaties waarbij het genot van de woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is, zijn de portierswoning en de pastorie. Ook dan kan het vanwege de vervulling van de dienstbetrekking gaan om veel duurdere woningen dan bij het inkomen c.a. van de werknemer passend zou zijn. In deze gevallen komt in plaats van de waarde in het economische verkeer de besparingswaarde in aanmerking. Voor de bepaling van de besparingswaarde kunnen in beginsel alleen de kosten van de desbetreffende woning in aanmerking worden genomen. Alleen als de werknemer tevens op een andere plaats woont (bijvoorbeeld omdat zijn gezin achterblijft), kan bij de bepaling van de besparingswaarde ook rekening worden gehouden met de extra kosten die aan het wonen op die andere plaats verbonden zijn.

Er kan overigens, evenals tot en met 31 december 2000, alleen van de besparingswaarde worden uitgegaan ingeval de inspecteur zulks bij voor bezwaar vatbare beschikking heeft vastgesteld. Verder dient, eveneens net als tot en met 31 december 2000, het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager te zijn dan de waarde in het economische verkeer. Met deze doelmatigheidsmarge wordt beoogd het aantal eventuele geschillen te beperken. Tegen de achtergrond dat de werknemer het woongenot daadwerkelijk heeft, is deze marge aanvaardbaar. De bewijslast rust op de werknemer. In de tekst van artikel 33 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 is wat dat betreft, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 1999, nr. 34 230, BNB 1999/272, tot uitdrukking gebracht dat voldoende is dat de werknemer zulks aannemelijk maakt.

(WDB2002/813 - Algemeen) Enkele van de in deze regeling opgenomen maatregelen leiden tot een afzonderlijk effect voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven, naast de in het Belastingplan 2003 weergegeven effect. Het betreft met name maatregelen die voortvloeien uit de notitie "Suggesties voor het verlichten van de administratieve lasten" die bij brief van 17 april 2002 aan de Tweede Kamer is gezonden. Van deze maatregelen heeft de aanpassing inzake verstrekking of vergoeding ter zake van het genot van een woning het grootste effect; deze heeft een vermindering van de administratieve lasten met circa € 1 miljoen tot gevolg. In totaal leiden de maatregelen tot een structurele vermindering van de administratieve lasten met circa € 1,75 miljoen.

(WDB2002/813 - Art.gew. toelichting) Met deze wijziging wordt een in het besluit van 26 november 2001, nr. CPP2001/2970M (=onder meer gepubliceerd in Vakstudie Nieuws 2001/62.20), opgenomen goedkeuring op overeenkomstige wijze voor anderen dan extraterritoriale werknemers in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 opgenomen. Deze wijziging is tevens aangekondigd in de notitie "Suggesties voor het verlichten van de administratieve lasten" van 14 april 2002, nr. DGB2002/1932M. Met deze wijziging wordt bewerkstelligd, dat bij de regeling voor de vrije vergoedingen ter zake van het genot van een woning alsmede voor de vrije verstrekkingen in de vorm van een het genot van een woning, het bedrag van de besparing op jaarbasis in beginsel wordt gesteld op 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Voorwaarde is uiteraard wel dat deze vergoedingen en verstrekkingen plaatsvinden ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Indien de werknemer een overeengekomen vaste arbeidsduur van minder dan 36 uren per kalenderweek heeft bij dezelfde belastingplichtige, dient het genoten loon uit dienstbetrekking - per dienstbetrekking - te worden herrekend naar het loon dat in die dienstbetrekking zou zijn genoten bij een arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek.

De mogelijkheid om de inspecteur te verzoeken het bedrag van de besparing bij een voor bezwaar vatbare beschikking te laten vaststellen, blijft gehandhaafd. Deze mogelijkheid is echter uitsluitend nog van belang indien het bedrag van de besparing op jaarbasis volgens de werknemer lager is dan 18% van het - bij een onvolledig dienstverband tot het bij een volledig dienstverband behorende - voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en voor situaties waarin geen sprake is van een overeengekomen vast dienstverband. Evenals onder de tot en met het kalenderjaar 2002 geldende regeling, kan bovendien slechts van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt, indien de werknemer aannemelijk maakt dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan de waarde in het economische verkeer van het genot van de woning.

(WDB2003/141M - Art.gew. toelichting) Voor de volledigheid is dit artikellid toegevoegd. Het uitgangspunt van de regeling bij de invoering was om als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aan te merken het loon exclusief de vergoeding of verstrekking inzake de woning. In de oude tekst kon ook gelezen worden dat uitgegaan moest worden van het loon inclusief de vergoeding of verstrekking. Het toegevoegde lid 4 voorkomt discussies omtrent dit punt.

(WDB2003/47M - Art.gew. toelichting) In de uitvoeringsregeling van 1 april 2003 (WDB 2003/141M, Stcrt. 64) is abusievelijk de wijziging als lid 4 genummerd. Dit terwijl er reeds een lid 4 bij dit artikel bestaat. Door de vernummering tot lid 5 wordt het rechtgezet.

 

Artikel 34. Genot van bewassing, energie en water

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan het volgende bedrag:

a. voor bewassing: € 13,50 per maand (€ 3,00 per week, € 0,60 per dag);

b. voor energie ten behoeve van verwarmingsdoeleinden: € 72,00 per maand (€ 16,50 per week, € 3,30 per dag);

c. voor energie ten behoeve van kookdoeleinden: € 39,75 per maand (€ 9,25 per week, € 1,85 per dag);

d. voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden: € 14,00 per maand (€ 3,25 per week, € 0,65 per dag);

e.   voor water: € 6,00 per maand (€ 1,50 per week, € 0,30 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 11, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. Nieuw is dat de regeling ook op vergoedingen betrekking heeft. Tevens is als voorwaarde opgenomen dat het genot van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is. Bij een normale woonsituatie is dat niet het geval, ook al is in de woning een werkruimte ingericht en worden in de woning soms zakelijke relaties ontvangen. Met deze voorwaarde wordt een einde gemaakt aan de situatie dat werknemers de kosten van met name energie van hun privé-woning door de werkgever laten betalen in een poging dat een veel lagere waarde tot hun loon wordt gerekend dan het bedrag van de werkelijke kosten.

Een voorbeeld van een geval waarin artikel 34 toepassing kan vinden, is de portierswoning op een bedrijfsterrein.

Voor de duidelijkheid wordt nogmaals opgemerkt dat de in het eerste lid genoemde bedragen ook gelden als de te belasten bedragen bij vrije verstrekkingen (behoudens een eigen bijdrage van de werknemer; artikel 23). De enige uitzondering op deze systematiek kan zich, zoals gezegd, voordoen bij het genot van een woning, waarbij een tegenbewijsregeling is opgenomen (artikel 33 van de Uitvoeringsregeling LB 2001).

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor waarde van bewassing en energie zijn geactualiseerd.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van bewassing, energie en water zijn geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week voor energie voor andere dan verwarmings- en kookdoeleinden en voor water ongewijzigd.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van bewassing en energie zijn geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week voor bewassing ongewijzigd. Door de geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers blijven ook de bedragen voor water ongewijzigd.

(DB2007/655M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van energie zijn geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden ongewijzigd. Door de geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers blijven ook de eveneens in dit artikel opgenomen bedragen voor bewassing en water ongewijzigd.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van bewassing, energie en water zijn geactualiseerd.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van bewassing en energie zijn geactualiseerd. Door de wijze van afronding blijven de bedragen per dag en per week terzake van bewassing en voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden ongewijzigd. Door de geringe mutatie in de onderliggende indexcijfers blijven ook de eveneens in dit artikel opgenomen bedragen voor water ongewijzigd.

 

Artikel 35. Inwoning

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 157,50 per maand (€ 36,25 per week, € 7,25 per dag).

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.

3. Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de gezinsleden van de werknemer, worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd:

a.   voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%;

b.   voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%;

c.   voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 11, eerste lid, en (wat de gezinsleden van de werknemer betreft) artikel 12 van de Uitvoeringsregeling LB 1990. De regeling geldt zowel voor vergoedingen als voor verstrekkingen. Tevens is als voorwaarde opgenomen dat het genot van de inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is. Bij de term inwoning, die is ontleend aan vermeld artikel 11, eerste lid, moet met name worden gedacht aan niet-zelfstandige huisvesting. Bij inwoning kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat een werknemer in een hotel wordt ondergebracht. In dergelijke gevallen kan op grond van artikel 15b, eerste lid, onderdeel j, van de wet (huisvesting buiten de woonplaats) doorgaans een vrije vergoeding of verstrekking worden aangenomen. Ingeval sprake is van huisvesting buiten de woonplaats, kan de normbijtelling voor inwoning gedurende twee jaar achterwege blijven. De Uitvoeringsregeling LB 2001 bevat overigens geen bijzondere regeling met betrekking tot de huisvesting van militairen.

Voor het geval dat de werknemer en zijn gezinsleden ook maaltijden genieten, gelden tevens de regelingen bij maaltijden (de artikelen 28 en 32 van de Uitvoeringsregeling LB 2001). Ingeval bijvoorbeeld een werknemer de volle kost geniet, behoort per dag € 5,53 (f 12,18) tot het loon, voorzover het aantal maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

(DB2007/655M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

 

Artikel 36. Voordeelurenkaart

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer hoofdzakelijk buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 14, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990, met dien verstande dat de regeling voortaan ook op vergoedingen betrekking heeft en dat in plaats van de term “in hoofdzaak” de term hoofdzakelijk wordt gebruikt.

 

Artikel 37. Fiets voor woon-werkverkeer

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets, voorzover de vergoeding niet meer bedraagt dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van een fiets, voorzover de waarde in het economische verkeer niet hoger is dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

3. Tot de vrije verstrekkingen behoort de terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan € 749 inclusief omzetbelasting, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.

4. De voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn:

a. de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets;

b. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding betaald, en

c. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is als vrije verstrekking geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld.

5. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen van niet meer dan € 82 in het kalenderjaar ten titel van met een fiets samenhangende zaken alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woonwerkverkeer gebruik maakt van de fiets.

6. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen tot niet meer dan € 82 in het kalenderjaar van met een fiets samenhangende zaken alsmede de verstrekking van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst van het eerste, tweede, derde en vierde lid is ontleend aan artikel 14, derde lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990, met dien verstande dat de regeling voortaan ook betrekking heeft op vergoedingen voor de aanschaf van een fiets. In deze gevallen kan € 68 (f 150) niet onbelast worden vergoed, overeenkomstig de regeling voor de verstrekking van een fiets, waarbij € 68 (f 150) tot het loon wordt gerekend.

Met betrekking tot de termijn waarna opnieuw van de regeling gebruik kan worden gemaakt, kan voor het geval dat een fiets ter beschikking wordt gesteld worden opgemerkt dat een redelijke uitleg van de regeling meebrengt dat de termijn begint te lopen op het moment waarop de fiets voor het eerst ter beschikking wordt gesteld. Datzelfde geldt als de werkgever de aanschafkosten van een fiets gaandeweg vergoedt.

De regeling in het vijfde lid is nieuw. Indien reeds langere tijd voor woon-werkverkeer aan de werknemer een fiets ter beschikking is gesteld, is er bij verstrekking van die fiets minder aanleiding een bedrag van € 68 (f 150) tot het loon te rekenen dan bij verstrekking van een nieuwe fiets. Op grond van het vijfde lid is sprake van een volledig vrije verstrekking indien de verstrekte fiets reeds vijf jaar voor woon-werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld, mits de werknemer de fiets voor woon-werkverkeer blijft gebruiken (anders is er geen reden een vrije verstrekking aan te nemen). Het moment waarop de fiets wordt verstrekt, is van belang voor de in artikel 37, vierde lid, onderdeel d, genoemde termijn.

De tekst van het zesde en zevende lid is ontleend aan artikel 14, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. De voorwaarde dat het gaat om met een fiets samenhangende zaken die dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, is aangescherpt in die zin dat deze zaken direct dienstbaar moeten zijn aan het woon-werkverkeer. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om zaken die bij uitstek bij woon-werkverkeer op de fiets van pas komen, zoals de benodigde reparaties, een extra slot, een steun voor de aktentas en het regenpak dat praktisch alleen op de fiets wordt gebruikt. Zaken die normaliter ook buiten verband van de fiets kunnen worden gebruikt (zoals warme kleding in het algemeen, bijvoorbeeld bijzondere thermische kleding maar ook sjaals en petten), komen niet voor de faciliteit in aanmerking.

(WDB2001/760 - Algemeen) (…) De regeling voor de fiets in het woon-werkverkeer wordt verruimd. Tot 1 januari 2002 kon aan de werknemer onder bepaalde voorwaarden een fiets vergoed of verstrekt worden, waarbij loonheffing ingehouden moet worden over € 68. Die voorwaarden behelsden onder meer dat het moest gaan om een rijwiel zonder hulpmotor (vgl. ook punt 3 van het Besluit van 8 juni 2001, nr. CPP2000/3127M) en dat de catalogusprijs niet meer mocht bedragen dan € 749. Die laatste voorwaarde is vervallen om duurdere fietsen, waaronder ook fietsen met elektronische trapondersteuning, onder de reikwijdte van artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 te brengen. In het kader van deze verruimingen zal het genoemde Besluit van 8 juni 2001 binnenkort worden geactualiseerd.

(WDB2001/760 - Art.gew. toelichting) Met de wijziging van artikel 37, eerste lid, wordt bewerkstelligd dat de aan de werknemer vergoede fiets als vrije vergoeding in aanmerking genomen wordt voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 68, en voorzover de vergoeding niet meer bedraagt dan € 749. Voor de verstrekte fiets wordt het tweede lid op eenzelfde wijze aangepast. In het derde lid wordt expliciet bepaald dat de catalogusprijs niet hoger mag zijn dan € 749. In verband met vorenbedoelde wijzigingen kan het vierde lid, onderdeel b, vervallen.

(WDB 2003/650M - Art.gew. toelichting) Met deze wijziging wordt meer harmonie bereikt tussen de regeling voor de fiets voor het woon-werkverkeer en de zogenoemde pc-privé regeling van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de wet.

Werkgevers hebben aangegeven dat het met het oog op de administratieve lasten ongewenst is dat de termijnen van beide regelingen ongelijk zijn. Deze termijnen worden met deze wijziging aan elkaar gelijk gesteld.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Op grond van de tekst van art. 37, eerste en vierde lid, tot 1 januari 2007 zijn vrij de vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets, voor zover de vergoeding meer bedraagt dan € 68 en niet meer bedraagt dan € 749, mits:

a. de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woonwerkverkeer gebruikmaakt van de fiets;

b. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren ter zake van de aanschaf van een fiets geen vrije vergoeding is betaald, en

c. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren als vrije verstrekking geen fiets is verstrekt dan wel ter beschikking gesteld.

Ingevolge het tweede lid geldt hetzelfde voor de verstrekking van een fiets. Op grond van het derde lid kan, onder de hiervoor onder a tot en met c genoemde voorwaarden, een fiets tot een waarde van € 749 belastingvrij ter beschikking worden gesteld.

Verder is op grond van het vijfde lid de verstrekking van een fiets die reeds vijf jaar voor woon-werkverkeer aan de werknemer ter beschikking was gesteld en een cataloguswaarde heeft van ten hoogste € 749 volledig belastingvrij, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen de fiets voor woon-werkverkeer blijft gebruiken. In dit geval vindt dus geen bijtelling plaats van € 68. Daartoe is minder aanleiding dan bij het verstrekken van een nieuwe fiets, omdat de desbetreffende fiets reeds langere tijd voor woon-werkverkeer aan de werknemer ter beschikking is gesteld.

Artikel 37, eerste en tweede lid, is per 1 januari 2007 zodanig gewijzigd dat de in verhouding tot de waarde van een fiets kleine bijtelling van € 68 ter verlaging van administratieve lasten komt te vervallen. Daardoor kan de werkgever voortaan tot een bedrag van € 749 volledig belastingvrij de aanschafkosten van een fiets voor woon-werkverkeer vergoeden of verstrekken. Als de werkgever voor een hoger bedrag een fiets vergoedt of verstrekt, is alleen het meerdere belast. Stel hij vergoedt een fiets van € 900, dan is voortaan € 151 (€ 900 – € 749) belast. Thans is dat (€ 900 – € 749) + € 68 = € 219.

Als gevolg van de wijziging van het tweede lid kan tevens het vijfde lid (tekst 2006) vervallen. Nu op grond van het gewijzigde tweede lid bij de verstrekking van een (nieuwe) fiets geen bijtelling van € 68 meer plaatsvindt, hoeft dit voortaan niet afzonderlijk te worden bepaald voor een fiets die reeds vijf jaar ter beschikking is gesteld voor woon-werkverkeer.

Op grond van het zesde en zevende lid (tekst 2006) kunnen met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer tot een bedrag van € 250 per drie jaar belastingvrij worden vergoed of verstrekt, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woonwerkverkeer gebruik maakt van de fiets. Met het nieuwe vijfde en zesde lid wordt deze regeling vereenvoudigd. Het soms tot discussie leidende criterium ‘direct dienstbaar zijn aan het woonwerkverkeer’ kan vervallen, zodat voldoende is dat het gaat om met de fiets samenhangende zaken

Met betrekking tot de vergoedingen geldt voortaan per kalenderjaar een for- fait van € 82. Zonder nader bewijs kan tot dit bedrag voor deze zaken een vrije vergoeding worden betaald. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door de woorden ‘ten titel van’. Een hogere vrije vergoeding is niet mogelijk (vanwege de woorden ‘niet meer dan’). De vergoeding moet wel voor de bedoelde zaken zijn bestemd om een samenloop te voorkomen met de verstrekkingen van deze zaken. De regeling met betrekking tot verstrekkingen (met eveneens het maximum van € 82 per kalenderjaar) is per 1 januari 2007 opgenomen in het nieuwe zesde lid. Het bedrag van € 82 per kalenderjaar geldt voor vergoedingen en verstrekkingen tezamen (artikel 22, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001). Dit betekent bijvoorbeeld dat als de werkgever in het kalenderjaar voor € 40 aan bijkomende zaken verstrekt er nog ruimte is voor een vrije vergoeding ter zake van bijkomende zaken, die verder niet gespecificeerd hoeft te zijn, van € 42. Geeft de werkgever een vergoeding van € 82 voor de bijkomende zaken, dan is een vrije verstrekking van dergelijke zaken niet mogelijk.

De fietsregeling blijft verder ongewijzigd. Net als in 2006 kan een fietsverzekering belastingvrij worden vergoed of verstrekt en geldt de voorwaarde dat de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.

 

Artikel 38. Telefoonabonnement met meerdere aansluitingen of nummers [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 38 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, geeft een normregeling voor de vrije vergoedingen en verstrekkingen bij ISDNabonnementen. De bepaling vervalt in verband met de nieuwe in artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen regeling met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen.

 

Artikel 39. Telefoon [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 39 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, gaf een normregeling voor de vrije vergoedingen en verstrekkingen bij een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon. De bepaling vervalt in verband met de nieuwe in artikel 15b, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen regeling met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen.

 

Artikel 40. Tweede of een volgende telefoon bij geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruik [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 40 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, bepaalde dat de vergoeding of verstrekking van de tweede of volgende telefoon die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt vrij is. De bepaling vervalt in verband met de nieuwe in artikel 15b, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen regeling met betrekking tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen ter zake van telefoon, internet en dergelijke communicatiemiddelen.

 

Artikel 41. Producten eigen bedrijf

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap tot een bedrag van ten hoogste:

a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en

b. € 500 per kalenderjaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van ten hoogste:

a. 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten en

b. een bedrag van € 500 per kalenderjaar.

3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen voorzover deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond.

4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing ingeval de dienstbetrekking is beëindigd door pensionering of arbeidsongeschiktheid.

5. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen.

 

(WDB2003/141M - Algemeen) De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2002, nr. 37 934 (onder meer gepubliceerd in VN 2002/50.13) arrest gewezen in een zaak over de regeling voor producten uit het eigen bedrijf zoals die geregeld is in artikel 41 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Het arrest bevestigt het eerdere oordeel van het Hof Amsterdam over het begrip integrale kostprijs, dat centraal staat in de wettelijke regeling. In de praktijk zouden als gevolg van het arrest grote problemen ontstaan met de vaststelling van de integrale kostprijs. In veel gevallen zouden onbelaste kortingen op producten uit het eigen bedrijf niet, althans niet eenvoudig, mogelijk zijn. Hierin is een aanleiding gezien om de regeling te herzien. De nieuwe regeling is zo eenvoudig mogelijk opgezet. Zij knoopt aan bij de waarde in het economische verkeer en kent een forfaitair percentage. Deze herziening wordt tevens aangegrepen om de excessen die in de huidige regeling mogelijk zijn te voorkomen met een eenvoudig uitvoerbaar criterium. Bij het ontwerpen van de nieuwe regeling heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties. Aan de regeling wordt terugwerkende kracht gegeven tot en met 1 januari 2003 en via overgangsrecht kan voor het jaar 2003 gekozen worden voor de regeling die gold tot en met 31 december 2002.

(WDB2003/141M - Art.gew. toelichting) Artikel 41 geeft uitvoering aan de in artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, opgenomen delegatiebepaling. De regeling handhaaft de mogelijkheid voor de werknemer om onbelast branche-eigen producten van de werkgever af te nemen. De voorwaarden waaronder dat kan gebeuren worden echter gewijzigd. De begrippen integrale kostprijs en gezinsconsumptie worden losgelaten. Daarvoor in de plaats wordt aangeknoopt bij de waarde in het economische verkeer en wordt een forfaitair percentage vastgesteld. De door de werknemer als vrije vergoedingen en verstrekkingen onbelast te genieten korting op een product uit het bedrijf bedraagt maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van het product. Om excessen te voorkomen kent de gewijzigde regeling een plafond van € 450 waarboven de vergoedingen en verstrekkingen belast zijn. Hierdoor bestaat geen behoefte meer aan het lastig uitvoerbare criterium, dat de producten passen binnen de normale gezinsconsumptie van de werknemer. Het bedrag € 450 zal jaarlijks geïndexeerd worden.

Voor situaties dat behoefte bestaat aan een onbelaste korting voor relatief dure producten die niet jaarlijks worden aangeschaft, is het nieuwe derde lid ingevoegd. Dit lid biedt de mogelijkheid om de niet gebruikte ruimte tot een plafond in de twee daaropvolgende jaren te gebruiken. De niet gebruikte ruimte kan het geheel, maar ook een deel van de ruimte tot het plafond zijn. Het plafond wordt aldus verhoogd tot € 900 of € 1.350 mits de dienstbetrekking gedurende deze twee of drie kalenderjaren bestaat en voorzover de werknemer in deze jaren geen gebruik maakt van deze vrijstelling. Indien de korting van een jaar hoger is dan het jaarmaximum wordt eerst de nog aanwezige ruimte van het voorgaande jaar benut en vervolgens de ruimte van het jaar daarvoor. Zoals vastgesteld in de overgangsbepaling, zoals die is opgenomen onder artikel 107a van deze uitvoeringsregeling, kan voor deze bepaling verondersteld worden dat er in de jaren 2001 en 2002 een plafond van € 450 heeft bestaan. Deze plafonds kunnen in 2003 slechts benut worden voorzover er in de jaren 2001 en 2002 op grond van de regeling voor producten uit eigen bedrijf geen onbelaste kortingen zijn genoten en de dienstbetrekking in die kalenderjaren wel bestaan heeft.

De waarde in het economische verkeer zal in veel gevallen een detailhandelverkoopprijs, inclusief omzetbelasting, zijn. Het gaat daarbij om de laagste prijs die door een inhoudingsplichtige - ongeacht of hij zijn product wel of niet rechtstreeks aan particulieren verkoopt - voor het product in de markt kan worden gevonden. Ook op Internet gehanteerde prijzen zijn mogelijk. Prijzen van producten van buiten de eigen regio kunnen gehanteerd worden maar moeten voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer onder omstandigheden wel verhoogd worden met de te maken kosten voor verzending en dergelijke, die nodig zijn bij het kopen buiten de eigen regio. Diverse factoren kunnen ertoe leiden dat de waarde in het economische verkeer lager ligt dan een detailhandelverkoopprijs voor een min of meer vergelijkbaar product. Hierbij kan gedacht worden aan gegarandeerde grote afname, waardoor collectiviteitkortingen mogelijk zijn, uitverkoopkortingen en elders gegeven reguliere kortingen. Hiervan kan bijvoorbeeld ook sprake zijn als het product op een beduidend lager serviceniveau wordt aangeboden. Net als in veel andere situaties is de inspecteur bevoegd om afspraken te maken met de werkgever over wat de te hanteren waarde in het economische verkeer moet zijn en de wijze van administreren van de verstrekte kortingen. Hierbij kan, uiteraard binnen de grenzen van de wettelijke regeling, op praktische wijze rekening worden gehouden met de relevante feiten en omstandigheden.

Bij de vormgeving van nieuwe kortingsregelingen kan op verschillende manieren worden gestreefd naar eenvoud en doelmatigheid. Zo ligt het bijvoorbeeld niet in de rede dat de kortingen individueel worden bijgehouden als op basis van onderzoek of ervaringen voor het gehele personeel of een te onderscheiden groep aannemelijk is dat men onder het maximumbedrag blijft. Het is bijvoorbeeld ook denkbaar dat als voor een groep werknemers duidelijk is dat zij steeds zodanig veel producten van de werkgever kopen dat zij het maximumbedrag aan korting kunnen krijgen, zij dan enerzijds de waarde in het economische verkeer voor die producten betalen en anderzijds die korting in één bedrag krijgen. Dit zijn uiteraard slechts enkele mogelijkheden. De praktijk is zo divers dat niet bij voorbaat een aanpak voor alle denkbare situaties kan worden gegeven.

In beginsel dient een eventueel belaste korting in aanmerking te worden genomen in het loontijdvak waarin de korting genoten wordt. Met het oog op de administratieve lasten ontmoet het echter geen bezwaar als het belastbaar bedrag uiterlijk in het laatste loontijdvak van het kalenderjaar in de heffing wordt betrokken.

De regeling geldt net als in de vorige regeling ook voor vergoedingen. Het is - gelijk als in de vorige regeling - niet de bedoeling dat zij ook gaat gelden voor aanschaffen bij derden van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige. Om dit te voorkomen, blijft de tekst met betrekking tot vrije vergoedingen iets afwijken van die met betrekking tot vrije verstrekkingen. Deze beperking geldt overigens niet voor verkoop van producten van de werkgever via een verkoopapparaat (bijvoorbeeld een winkel) van een derde, zolang dat in opdracht van en voor rekening en risico van de werkgever gebeurt.

De expliciete bepaling, zoals opgenomen in het vierde lid, dat de regeling inzake producten uit het eigen bedrijf niet geldt voor geldleningen blijft eveneens gehandhaafd. De genormeerde regeling met betrekking tot personeelsleningen is opgenomen in artikel 59.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) Het bedrag van de maximale vrije vergoeding voor de producten eigen bedrijf is geactualiseerd. Het bedrag is aangepast aan de hand van de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer, alle huishoudens, van het CBS over de periode juli 2003 tot en met juni 2004 ten opzichte van dezelfde cijfers over de twaalf daaraan voorafgaande maanden. Het bedrag na indexering wordt rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 25. Voor de aanpassing per 1-1-2006 is het op hele euro’s afgeronde bedrag van 2005, i.c. € 470, het uitgangspunt.

Op grond van de regeling voor producten uit eigen bedrijf kunnen werknemers binnen bepaalde grenzen (20% van de waarde in het economische verkeer en € 450 per kalenderjaar) onbelast branche-eigen producten afnemen van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap. Deze regeling wordt nu verduidelijkt voor de situatie dat de dienstbetrekking is beëindigd.

De regeling voor producten uit eigen bedrijf is bedoeld voor actieve werknemers. Zij kan echter van toepassing blijven als de dienstbetrekking is beëindigd door pensionering. Dat doet recht aan de omstandigheid dat vaak sprake is van een band tussen werkgever, werknemers en gepensioneerden. Met de in het nieuwe vierde lid opgenomen term “pensionering” is beoogd aansluiting te zoeken bij de leeftijdsgrens waarbij dienstbetrekkingen bij de inhoudingsplichtige plegen te worden beëindigd. Verdere precisering daarvan wordt gezien de strekking van de onderhavige regeling niet nodig geacht. Ingeval een kortingsregeling zodanig wordt vormgegeven dat sprake is van een vrije vergoeding of verstrekking behoeft de gepensioneerde werknemer - aangenomen dat hij geen ander loon van de inhoudingsplichtige geniet; het pensioen zal in de regel door een pensioenfonds worden betaald - niet in de loonadministratie te worden opgenomen, hetgeen de administratieve lasten verlaagt. De regeling voor producten uit eigen bedrijf kan ook van toepassing blijven als de dienstbetrekking is beëindigd door arbeidsongeschiktheid.

De regeling voor producten uit eigen bedrijf is niet meer van toepassing als de dienstbetrekking om een andere dan een in het vierde lid genoemde reden is beëindigd. Dan kan de oud-werknemer veelal overigens bij een andere werkgever gebruik maken van de regeling voor producten uit eigen bedrijf.

(WDB2005/179 - Art.gew. toelichting) Met ingang van 1 januari 2005 is het bedrag voor de belastingvrije vergoeding ter zake van producten van het eigen bedrijf verhoogd tot € 475 (artikel 41, eerste lid, onderdeel b). Daarbij is verzuimd het bedrag voor de belastingvrije verstrekkingen eveneens te verhogen tot € 475.

(DB2007/655M - Art.gew. toelichting) Het bedrag van de maximale vrije vergoeding en van de maximale vrije verstrekking voor de producten eigen bedrijf is geactualiseerd.

 

Artikel 42. Personeelsfeesten, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) In artikel 42 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, dat was gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, waren de voorwaarden opgenomen waaronder vergoedingen en verstrekkingen ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen vrij zijn. Deze bepaling vervalt omdat thans met betrekking tot dit onderwerp in artikel 15b, eerste lid, onderdeel ha, van de Wet op de loonbelasting 1964 een specifieke delegatiebepaling is opgenomen. Daarop is het hiervoor toegelichte nieuwe artikel 32a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 gebaseerd.

 

Artikel 43. ARBO

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. Deze bepaling codificeert hetgeen in de memorie van toelichting betreffende de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (kamerstukken II 1998/1999, 26 728, nr. 3, blz. 35) is opgemerkt over vergoedingen en verstrekkingen die samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Als voorbeelden zijn genoemd de veiligheidsbril met geslepen glazen voor een laborant of lasser, een zonnebril voor een chauffeur of piloot, een verplichte medische keuring en speciale isolerende of beschermende kleding. Hiermee is voorbeeldsgewijs duidelijk gemaakt dat de werknemer niet een aanmerkelijke privé-besparing mag genieten. Deze voorwaarde is overgenomen in het eerste en het tweede lid van artikel 43. Als richtsnoer kan hierbij worden aangenomen, overeenkomstig hetgeen is aangegeven in vorenbedoelde memorie van toelichting, dat van een aanmerkelijk privé-voordeel in absolute zin in ieder geval sprake is, indien aannemelijk is dat, als gevolg van de bekostiging door de werkgever van de ARBO-verstrekking, de privé-uitgaven van de werknemer, op jaarbasis bezien, € 454 (f 1000) minder zullen bedragen dan de privé-uitgaven van met hem vergelijkbare werknemers.

 

Artikel 44. Ongevallenverzekering

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De nieuwe regeling is toegezegd tijdens de parlementaire behandeling van de Belastingherziening 2001 (Kamerstukken I, vergaderjaar 1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, blz. 88). De achterliggende gedachte is dat een vergoeding van de premie voor een ongevallenverzekering die alleen voorziet in een uitkering ter zake van ongevallen tijdens het werk als een vrije vergoeding kan worden aangemerkt, omdat de verzekering in het kader van de bedrijfsvoering van de werkgever is gesloten en de privé-besparing van de werknemer laag is. De uitkering uit een dergelijke verzekering behoort overigens tot het loon. De regeling in artikel 44, tweede lid, inzake de verstrekking in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering zal overigens in de meeste gevallen geen betekenis hebben omdat veelal reeds sprake is van een aanspraak in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de wet. De reikwijdte van genoemd artikel 11, eerste lid, onderdeel h, is echter beperkt tot aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval. Artikel 44, tweede lid, is van belang voor het geval dat andere uitkeringen zijn verzekerd. Ook in dit geval is de systematiek dat de verstrekking van de verzekering vrij is en dat de eventuele uitkering op grond van de verzekering tot het loon behoort.

 

Artikel 45. Outplacement

1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen ter zake van outplacement van de werknemer.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van outplacement van de werknemer.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 16d van de Uitvoeringsregeling LB 1990, met dien verstande dat de regeling ook op vergoedingen betrekking heeft.

Een bijzondere bepaling met betrekking tot sollicitatiekosten is niet opgenomen. Voor het geval dat de sollicitatie niet slaagt, is een vergoeding van de sollicitatiekosten niet belast omdat er in het geheel geen loon is (alleen een compensatie van kosten). Voor het geval dat de sollicitatie wel slaagt, kunnen de kosten onbelast worden vergoed. Indien de sollicitatiekosten door de “oude” werkgever worden vergoed, is sprake van vrij te vergoeden kosten van outplacement.

 

Artikel 46. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd

1. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vrije vergoedingen, indien zij € 2,75 per gewerkte week (€ 0,55 per gewerkte dag als niet op vijf dagen per week wordt gewerkt) niet te boven gaan.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties, die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c van de wet.

Tot de vrije vergoedingen behoren op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel a, van de wet vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd. Om te voorkomen dat de kosten van deze consumpties in alle gevallen ten behoeve van een vergoeding zouden moeten worden onderbouwd, is in artikel 46, eerste lid, een bepaling opgenomen op grond waarvan de inhoudingsplichtige zonder nader bewijs een bepaalde vrije vergoeding kan betalen. Per vijfdaagse werkweek is dat € 2,72 (f 5,99). Indien doorgaans niet op vijf dagen per week wordt gewerkt, is dat € 0,54 (f 1,19) per gewerkte dag.

De aanvullende regeling is niet van toepassing ingeval de werkgever een hogere vergoeding belastingvrij wil uitbetalen. In dat geval moeten de te vergoeden kosten worden gedeclareerd.

De aanvullende regeling is evenmin van toepassing indien consumpties worden verstrekt. In dat geval is er geen plaats voor een zonder bewijs vrije vergoeding van consumpties. Het tweede lid bewerkstelligt dit. Het maakt hierbij niet uit welke consumpties worden verstrekt.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) De bedragen van de vrijgestelde vergoedingen ter zake van consumpties tijdens werktijd zijn geactualiseerd. De daling van de bedragen vloeit voort uit de lagere relevante CBS-indexcijfers (koffie en cacao, thee, en mineraalwater, frisdranken en sappen) over de maand juni 2004 ten opzichte van dezelfde cijfers over de juni 2003.

 

Artikel 47. Vaste vergoedingen

1. Vaste vergoedingen behoren niet tot het loon, voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd en daaraan voorts - op verzoek van de inspecteur - een steekproefsgewijs onderzoek van de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag ligt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de vaste vergoedingen, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de wet.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15d van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 5a van de Uitvoeringsregeling LB 1990, met dien verstande dat ter voorkoming van een in de praktijk wel gerezen misverstand is bepaald dat de specificatie van de kosten per kostencategorie dient plaats te vinden.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is gebaseerd op artikel 15d van de Wet op de loonbelasting 1964 waarin is bepaald dat vaste vergoedingen geen vrije vergoedingen zijn voor zover niet is voldaan aan bij Ministeriële regeling te stellen regels. De in het nieuwe artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 geregelde vaste vergoeding voor vervoer van de werknemer die hoofdzakelijk naar een vaste plaats van werkzaamheden reist, heeft een deels van de systematiek afwijkend karakter. De wijziging van artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 strekt ertoe vast te leggen dat de in dit artikel opgenomen criteria niet gelden voor de op artikel 28 gebaseerde vaste reiskostenvergoedingen. Die vergoedingen kennen een eigen, bijzonder regime. De criteria in artikel 47 blijven van belang voor de overige vaste vergoedingen.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) De tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 47, tweede lid, van de URLB 2001 bepaalde dat het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is indien er sprake is van een vaste vrije reiskostenvergoeding op grond van artikel 28 van de URLB 2001. Omdat de regeling voor vaste vrije reiskostenvergoedingen in het Belastingplan 2009 is overgeheveld naar artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB 1964, wordt de verwijzing in artikel 47, tweede lid, van de URLB 2001 naar artikel 28 van de URLB 2001 vervangen door een verwijzing naar artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB 1964. Met deze aanpassing is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De wijziging van artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB 1964 is toegelicht in de tweede nota van wijziging[6]  bij het Belastingplan 2009.

[6] Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 34.

 

Artikel 48. Buitenlandse regelingen inzake kinderopvang [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(WDB2004/706 - Art.gew. toelichting) Artikel 48 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 gaat over buitenlandse kinderopvang. Dit artikel vervalt. De in artikel 16c van de Wet op de loonbelasting 1964 gegeven definitie van kinderopvang kan op grond van artikel 48 van de Wet kinderopvang mede buitenlandse kinderopvang bevatten. Een aparte regeling buiten de Wet kinderopvang is daarom niet meer nodig.

 

Artikel 49. Vrije vergoedingen kinderopvang [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Verwezen wordt naar de toelichting op de wijziging van artikel 21b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

 

Artikel 50. Vrije verstrekkingen kinderopvang [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(Red.: Niet toegelicht; zie toelichting op artikel 49)

 

Artikel 51. Huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten

 

Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten, voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel:

Huisvesting:

per maand

per week

per dag

a. aan boord van binnenschepen - andere dan vissersschepen - en baggermaterieel:
1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont

 

 

 

- van een schip van meer dan 2000 ton:

€ 144,00

€ 33,00

€ 6,60

- van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:

€ 108,00

€ 24,75

€ 4,95

- van een ander schip of van baggermaterieel:

€ 72,00

€ 16,50

€ 3,30

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:


€ 59,00


€ 13,50


€ 2,70

b. aan boord van zeeschepen - andere dan vissersschepen - en op boorplatforms:
1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:
2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft
- voor een kapitein en voor een officier:
- voor een andere werknemer:

 

 



€ 10,05


€ 4,70
€ 2,35

c. aan boord van vissersschepen:
voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft

 

 


€ 3,25

d. in pakwagens van kermisexploitanten:
voor de werknemer die in een pakwagen woont en geen gezin heeft:



€ 59,00



€ 13,50



€ 2,70

e. voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:

nihil

nihil

nihil

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 11, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990. Het is niet nodig geoordeeld de regeling ook voor vergoedingen te doen gelden. In deze sfeer is logischerwijs alleen sprake van verstrekkingen.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

(DB2007/655M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

 

Artikel 52. Bedragen bewassing, energie en water begrepen in bedrag inwoning en huisvesting

Voor de toepassing van artikel 35 en artikel 51 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing, energie en water, bedoeld in artikel 34.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet en is ontleend aan artikel 11, achtste lid, van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

 

Artikel 53. Kost aan boord van schepen en baggermaterieel en op boorplatforms [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 53 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 was gebaseerd op artikel 17, tweede lid, in verbinding met artikel 15c van de Wet op de loonbelasting 1964 en gaf de normbedragen voor kost aan boord van schepen en baggermateriaal en op boorplatforms. Deze bepaling kan vervallen omdat met ingang van 1 januari 2007 op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel ab, van de Wet op de loonbelasting 1964 geen bijtellingen meer zullen plaatsvinden voor maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter, waaronder de maaltijden aan boord van schepen en baggermateriaal en op boorplatforms.

 

Artikel 54. Therapeutisch meeëten [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Artikel 54 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 was gebaseerd op artikel 17, tweede lid, in verbinding met artikel 15c van de Wet op de loonbelasting 1964.

Ingevolge deze bepaling behoorde tot de vrije verstrekkingen de verstrekking van het in werktijd mee-eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners, indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard (therapeutisch mee-eten). Deze bepaling kan vervallen omdat met ingang van 1 januari 2007 op grond van artikel 15a, eerste lid, onderdeel ab, van de Wet op de loonbelasting 1964 geen bijtellingen meer zullen plaatsvinden voor maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter. Het hiervoor beschreven therapeutisch mee-eten valt onder het begrip ‘maaltijd met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter’.

 

Artikel 55. Maaltijden in bedrijfskantines

Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht, voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan € 2,20 voor een ontbijt, € 2,20 voor een koffiemaaltijd en € 4,20 voor een warme maaltijd.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De regeling is nieuw. De tijdens de parlementaire behandeling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 besproken achtergrond ervan is dat de kosten van de dagelijkse lunch tot de normale kosten van levensonderhoud behoren, zodat er bij een verstrekking van de lunch door de werkgever geen reden is te volstaan met het tot het loon rekenen van een, mede in verband met het ontbreken van de mogelijkheid tot tegenbewijs, voor alle gevallen op een bescheiden niveau genormeerde besparingswaarde. Voor het geval dat de werknemer de maaltijd in een bedrijfskantine gebruikt, is tijdens de parlementaire behandeling het standpunt ingenomen dat uit het oogpunt van doelmatigheid een vrije verstrekking kan worden aangenomen als de kosten die rechtstreeks met de verstrekking van de maaltijd verband houden aan de werknemer in rekening worden gebracht. Als dat niet gebeurt, is geen sprake van een vrije verstrekking en zal op de voet van artikel 13, eerste lid, van de wet heffing moeten plaatsvinden over de waarde in het economische verkeer van de maaltijd.

Het begrip “kosten die rechtstreeks verband houden met” komt ook voor in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling LB 1990 in de regeling met betrekking tot personeelsfeesten en dergelijke. Deze regeling is overgenomen in artikel 42 van de Uitvoeringsregeling LB 2001. Het ontmoet echter geen bezwaar dat het begrip “kosten die rechtstreeks verband houden met” bij artikel 55 in beperkte zin wordt opgevat in die zin dat geen rekening behoeft te worden gehouden met de kosten van de inrichting van de kantine en de kosten van de keukenapparatuur. Om praktische redenen kan een vrije verstrekking worden aangenomen als de kosten van de inkoop van de voedingsmiddelen en de kosten van het kantinepersoneel aan de werknemers in rekening worden gebracht. De regeling is overigens niet beperkt tot de lunch in de bedrijfskantine; de regeling kan ook toepassing vinden ingeval de werknemer het ontbijt of de warme maaltijd in de bedrijfskantine nuttigt.

Bij de beoordeling of de kosten van de inkoop van de voedingsmiddelen en de kosten van het kantinepersoneel aan de werknemer in rekening worden gebracht, kan volstaan worden met een globale benadering in die zin dat een beoordeling per maaltijd niet nodig is als het totaal van alle kosten die rechtstreeks met de verstrekking van de maaltijden verband houden voor rekening van de werknemers komen. In verband hiermee is in de tekst van artikel 55 het woord “gemiddeld” opgenomen. Hiermee is ook tot uitdrukking gebracht dat de prijzen voor elementaire voedingsmiddelen iets onder de kostprijs mogen liggen als voor luxere voedingsmiddelen een hoger bedrag in rekening wordt gebracht, op zodanige wijze dat aan de werknemers per saldo de hiervoor nader bepaalde rechtstreekse kosten van de maaltijden in rekening worden gebracht. De aan de werknemer in rekening gebrachte bedragen mogen, wil de regeling met betrekking tot maaltijden in bedrijfskantines toepassing kunnen vinden, op jaarbasis bezien gemiddeld niet lager zijn dan de hiervoor nader bepaalde kosten die rechtstreeks met de verstrekking van de maaltijden verband houden. Met de woorden “op jaarbasis bezien” is tot uitdrukking gebracht dat het geen bezwaar ontmoet dat vaste prijzen in rekening worden gebracht, ook al is de kostprijs van sommige ingrediënten van seizoensinvloeden afhankelijk.

De ondergrens - te weten de ter zake van maaltijden in artikel 32 genoemde normbedragen - die in de regeling voor maaltijden in bedrijfskantines is aangebracht, is opgenomen om te voorkomen dat een zakelijke maaltijd fiscaal ongunstiger behandeld wordt dan een privé-maaltijd in een bedrijfskantine. Hierbij is overwogen dat in de regeling met betrekking tot maaltijden in bedrijfskantines vanwege de doelmatigheid met een in economische zin niet volledig kostenbegrip rekening is gehouden.

Voor het geval de kosten van het kantinepersoneel niet alleen betrekking hebben op de hier bedoelde maaltijden (maar bijvoorbeeld ook op recepties) moeten deze kosten op een praktische wijze worden gesplitst.

De regeling geldt niet voor vergoedingen. Bij maaltijden in bedrijfskantines ligt het niet voor de hand dat een vergoeding wordt gegeven. Bovendien is er geen reden een vergoeding voor een maaltijd in een bedrijfskantine anders te behandelen dan een vergoeding in een gewoon restaurant.

De regeling geldt ook als de inhoudingsplichtige niet de beschikking heeft over een bedrijfskantine, maar de lunch wordt gebruikt in een andere bij de inhoudingsplichtige met een bedrijfskantine op een lijn te stellen (soortgelijke) ruimte op de plaats waar de arbeid wordt verricht, zoals de vergaderkamer.

(WDB2001/760 - Algemeen) (…) In artikel 55 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt de waarde in het economische verkeer van verstrekte maaltijden in bedrijfskantines en andere soortgelijke ruimten forfaitair vastgesteld. Deze forfaitaire bedragen behoren tot het loon van de werknemers die dergelijke maaltijden verstrekt krijgen.

(WDB2001/760 - Art.gew. toelichting) Met ingang van 1 januari 2001 is een nieuwe regeling in werking getreden voor de waardering van maaltijden in bedrijfskantines. Deze regeling hield in dat de waarde van kantinemaaltijden werd gesteld op de waarde in het economische verkeer, tenzij de werknemer ten minste de kosten betaalt die rechtstreeks met de verstrekking van de maaltijd verband houden.

Bovengenoemde regeling bleek in de praktijk moeilijk uitvoerbaar, omdat de kosten die rechtstreeks met de verstrekking van de maaltijd verband houden, in veel gevallen moeilijk te bepalen zijn. Daarnaast ontstonden problemen bij de waardering van kantinemaaltijden bij bedrijven waar de kantine wordt gedreven door een extern cateringbedrijf.

Naar aanleiding van de gesignaleerde problemen is bij Besluit van 26 oktober 2001, nr. DGB 2001/438M, reeds aangekondigd dat de kantineregeling met ingang van 1 januari 2002 wordt gewijzigd in een forfaitaire waarderingsregel voor kantinemaaltijden. Tegelijkertijd behelsde het genoemde besluit een goedkeuring om onder voorwaarden in 2001 reeds gebruik te maken van de forfaitaire waarderingsregeling die met ingang van 2002 zou worden ingevoerd.

Het op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 gebaseerde artikel 55 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is met ingang van 1 januari 2002 gewijzigd.

De waarde in het economische verkeer van verstrekte maaltijden in bedrijfskantines en andere soortgelijke ruimten wordt forfaitair vastgesteld op € 1,85 voor een ontbijt, € 1,85 voor een koffiemaaltijd en € 3,50 voor een warme maaltijd. Deze forfaitaire bedragen behoren derhalve tot het loon van de werknemers die dergelijke maaltijden verstrekt krijgen.

Op grond van artikel 23, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 kan een eventuele werknemersbijdrage met betrekking tot een kantinemaaltijd, op het forfaitaire bedrag in mindering worden gebracht. Hierbij kan de tot het loon te rekenen waarde echter niet verder dalen dan tot nihil.

Evenals ten aanzien van de vervallen regeling voor kantinemaaltijden, geldt deze regeling ook indien de inhoudingsplichtige niet de beschikking heeft over een bedrijfskantine, maar de maaltijd wordt gebruikt in een andere bij de inhoudingsplichtige met een bedrijfskantine op een lijn te stellen (soortgelijke) ruimte op de plaats waar de arbeid wordt verricht, zoals de vergaderkamer.

De regeling voor kantinemaaltijden is niet van toepassing op maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is. In dat geval geldt voor de eerste 80 maaltijden dat deze zijn vrijgesteld op grond van artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 terwijl voor de overige maaltijden de forfaitaire bedragen van artikel 32 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 82, eerste lid, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 kan de inhoudingsplichtige de verschuldigde loonbelasting over de kantinemaaltijden bij wijze van eindheffing voldoen.

De forfaitaire bedragen zullen jaarlijks worden aangepast aan de opgetreden prijsstijgingen.

Er is vanaf gezien om een waarderingsvoorschrift op te nemen voor losse consumpties die in een bedrijfskantine worden verstrekt. In het algemeen is aannemelijk dat losse consumpties, die bij gelegenheid van een lunch in de bedrijfskantine worden verkregen, hetzij deel uitmaken van de maaltijd (dan zijn ze verdisconteerd in de forfaitaire waardering), hetzij bestemd zijn om tijdens de werktijd te worden genuttigd (dan zijn ze vrijgesteld gelet op artikel 15a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964). Dit laat uiteraard onverlet de mogelijkheid dat tijdens de lunchtijd, dus buiten de werktijd, kleine consumpties worden genuttigd die geen deel uitmaken van een maaltijd. Voor dergelijke situaties geldt geen bijzondere regeling, zodat in beginsel de waarde in het economische verkeer van dergelijke verstrekkingen in aanmerking moet worden genomen. Het ontmoet om doelmatigheidsreden evenwel geen bezwaar om in zulke gevallen het bedrag in aanmerking te nemen dat geldt voor een verstrekte koffiemaaltijd.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) Het bedrag van het waarderingsvoorschrift voor een warme maaltijd in bedrijfskantines is geactualiseerd.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Het bedrag van het waarderingsvoorschrift voor een warme maaltijd in bedrijfskantines is geactualiseerd.

(DB2007/655M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor maaltijden in bedrijfskantines zijn geactualiseerd.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor maaltijden in bedrijfskantines zijn geactualiseerd.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor maaltijden in bedrijfskantines zijn geactualiseerd.

 

Artikel 56. Kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking van tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats buiten de woning van de werknemer waar de arbeid wordt verricht.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De regeling codificeert de praktijk waarbij geen loon in natura wordt aangenomen als de kleding aantoonbaar op de werkplek buiten de woning van de werknemer blijft en welke kleding dus niet buiten de vervulling van de dienstbetrekking kan worden gedragen. De regeling geldt uit het oogpunt van controle voor verstrekte kleding (waaronder begrepen: ter beschikking gestelde kleding) en niet voor vergoedingen ter zake van bedoelde kleding. Met betrekking tot een eigen bijdrage van de werknemer geldt hetzelfde als hiervoor is opgemerkt bij de toelichting op artikel 24 van de Uitvoeringsregeling LB 2001.

De in artikel 56 opgenomen regeling met betrekking tot kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht, staat overigens los van de regeling met betrekking tot werkkleding (artikel 15a, eerste lid, onderdeel b, van de wet en artikel 24 van de Uitvoeringsregeling LB 2001). Ingeval kleding als werkkleding kan worden aangemerkt, is voor een vrije vergoeding of een vrije verstrekking dus niet vereist dat de kleding op de werkplek blijft.

 

Artikel 57. Ziektekostenregeling met een zeer lage waarde

Tot de vrije verstrekkingen behoort de verstrekking in de vorm van een aanspraak ingevolge van een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste € 27 per jaar.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 10, vierde lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

 

Artikel 58. Collectieve ziektekostenregeling waarvan de waardering hoger zou zijn dan de kosten van een individuele verzekering [vervallen]

[VERVALLEN]

 

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Het vervallen van artikel 58 hangt samen met het per 1 januari 2006 in werking treden van de nieuwe Zorgverzekeringswet. Daarbij verdwijnt het onderscheid tussen ziekenfonds- en particuliere verzekeringen. Het in artikel 58 opgenomen voorschrift inzake het waarderingsmaximum voor bepaalde collectieve publiekrechtelijke ziektekostenregelingen kan daarmee komen te vervallen.

 

Artikel 59. Rentevoordeel personeelsleningen

1. Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover de rente die ter zake van de geldlening in het economische verkeer verschuldigd zou zijn hoger is dan 2,5% per jaar.

2. Tot de vrije verstrekkingen behoort, in zoverre in afwijking van het eerste lid, het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte geldlening, voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen of vrije verstrekkingen zou hebben behoord, hetzij op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de wet of artikel XXIV, onderdeel A, van de Wet van 16 december 2004, Stb. 653 (Belastingplan 2005) niet tot het loon zou hebben behoord.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. Onder de Wet inkomstenbelasting 2001 is loon belast als inkomen uit werk en woning (box 1). Te betalen rente komt daarop in het algemeen niet in mindering. Hiermee ontvalt de grond aan het om doelmatigheidsredenen bij renteloze of laagrentende personeelsleningen onder voorwaarden tegen elkaar laten wegvallen van het tot het loon behorende rentevoordeel en de rentelast.

Voor het geval dat een personeelslening voor de aanschaf van de eigen woning is aangegaan, wordt de goedkeuring in het Besluit van 20 december 1996, nr. DB96/5160M, BNB 1997/93, met een aangepaste tekst gecontinueerd. In dat geval vallen het loon (het te belasten rentevoordeel) en de aftrekbare kosten (de anders te betalen rente) in box 1 nog wel praktisch tegen elkaar weg.

In de andere gevallen zal het eventuele rentevoordeel moeten worden belast. Vanwege de doelmatigheid wordt het rentevoordeel bepaald op basis van een normrente van 5,25% per jaar. Dit percentage is ontleend aan de Macro Economische Verkenningen 2001 (het gemiddelde van de korte en de lange rente) en geldt, behoudens grote veranderingen in de rentestand, voor het jaar 2001. Het rentepercentage zal elk jaar worden geactualiseerd, waarbij al te grote schommelingen zullen worden voorkomen.

Als de lening renteloos is, wordt het te belasten rentevoordeel in het jaar 2001 dus gesteld op 5,25% op jaarbasis van het geleende bedrag, ongeacht wanneer de lening is aangegaan, ongeacht of de lening een vaste of een variabele rente heeft en ongeacht of de werknemer al dan niet een bijzondere vorm van zekerheid heeft gesteld. Een doelmatige uitvoering laat niet toe de mogelijk verschillende omstandigheden verschillend te behandelen. Hier komt bij dat de rente bij dezelfde soort lening in zakelijke situaties verschillend kan worden vastgesteld, afhankelijk van de onderhandelingspositie van partijen. Ook daarom is het niet mogelijk afhankelijk van de soort van de lening van een verschillende normrente uit te gaan.

Het hangt van de overeenkomst af of het rentevoordeel ineens dan wel gaandeweg tot het loon wordt gerekend. Dat de contante waarde van het rentevoordeel ineens wordt genoten, komt eigenlijk alleen aan de orde als een renteloze of een laagrentende lening met een vaste looptijd voor een bijzondere prestatie ter beloning wordt verstrekt (zie als voorbeeld van een dergelijk bijzonder geval HR 9 mei 1984, nr. 22 337, BNB 1984/236). In andere gevallen zal het rentevoordeel gaandeweg worden genoten. Bij een volledig renteloze lening zal het rentevoordeel doorlopend (wat de wijze van heffing betreft: per loontijdvak te bepalen) in aanmerking moeten worden genomen. Indien de werknemer een lagere rente dan 5,25% betaalt, zal het rentevoordeel in beginsel op het betalingstijdstip in aanmerking moeten worden genomen. Om praktische redenen (met name aflossingen van de werknemer en wijzigingen in de variabele rente bij een personeelslening) ontmoet het geen bezwaar dat het te belasten rentevoordeel niet per loontijdvak in de heffing wordt betrokken maar bij het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt. Ook dan moet het eventuele rentevoordeel per fiscaal genietingstijdstip worden berekend.

Voorzover sprake is van een laagrentende personeelslening vindt de eventuele heffing plaats met inachtneming van artikel 23, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling LB 2001 (eigen bijdrage werknemer).

De onderhavige regeling heeft betrekking op leningen van de werkgever of een daarmee verbonden vennootschap aan de werknemer. De regeling kan ook worden toegepast bij een gepensioneerde werknemer of een werknemer die vervroegd is uitgetreden (VUT).

Tot de vrije verstrekkingen behoort het rentevoordeel ter zake van een door de inhoudingsplichtige dan wel door een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap aan de werknemer verstrekte lening voorzover de werknemer het geleende bedrag op een dusdanige wijze aanwendt dat een in de plaats van de lening voor de desbetreffende aanwending gekomen vergoeding of verstrekking hetzij geheel of nagenoeg geheel tot de vrije vergoedingen en verstrekkingen zou hebben behoord, hetzij op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel q (computervrijstelling) of onderdeel r (vrijstelling inrichting telewerkplek), van de wet niet tot het loon zou hebben behoord. Met deze in artikel 59, tweede lid, opgenomen regeling wordt met name voorkomen dat heffing wegens het rentevoordeel zou moeten plaatsvinden bij een personeelslening ter zake van een besteding waarvoor anders een vrije vergoeding, een vrije verstrekking of een van de twee met name genoemde vrijstellingen zou kunnen worden aangenomen. Deze regeling is tevens in het belang van de doelmatigheid en biedt steun aan de toepassing van fiscaal gestimuleerde regelingen. Een voorbeeld waarin artikel 59, tweede lid, toepassing vindt, is het geval dat de werknemer met van zijn werkgever geleend geld voor zakelijk gebruik binnen de grenzen van artikel 11, eerste lid, onderdeel q, van de wet een computer koopt, waarbij de lening met behulp van vrije vergoedingen voor de aanschafkosten van de computer gaandeweg wordt afgelost. Voor het geval dat de werkgever de kosten van de computer vergoedt, zonder dat dienovereenkomstig op de lening wordt afgelost, is de regeling in artikel 59, tweede lid, in zoverre niet van toepassing. In zoverre kan immers niet meer worden gezegd dat de werknemer het geleende geld op de genoemde wijze aanwendt.

Een ander voorbeeld waarin artikel 59, tweede lid, toepassing kan vinden, is de aanschaf van een OV-kaart. De werkgever had de kaart op grond van artikel 26 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 praktisch geheel vrij aan de werknemer kunnen vergoeden. Als de werkgever daarvan afziet en de werknemer alleen maar een renteloze lening voor de aanschaf van een OV-kaart geeft, behoeft het rentevoordeel niet te worden belast. Met de term “geheel of nagenoeg geheel” is tot uitdrukking gebracht dat het geringe bedrag dat niet volledig voor vrije vergoeding in aanmerking komt (in het voorbeeld van de OV-kaart € 54 (f 119) of € 82 (f 181) per jaar) niet tot gevolg heeft dat het rentevoordeel in zoverre moet worden belast.

Met betrekking tot de jaren 2001 en 2002 is in artikel 108 van de Uitvoeringsregeling LB 2001 de fictie opgenomen dat personeelsleningen tot een gezamenlijk bedrag van € 3403 (f 7499) worden geacht op de genoemde wijze te zijn aangewend. Voor dergelijke leningen behoeft in deze jaren dus geen aanvullend bewijs te worden geleverd.

De regeling in artikel 59 geldt niet voor vergoedingen omdat er dan uit het oogpunt van doelmatigheid geen reden is het voordeel niet als loon aan te merken.

(WDB2003/47M - Art.gew. toelichting) In de wet van 12 december 2002, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 2003, deel I) is artikel 11, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964 door het vervallen van een onderdeel verletterd. Deze verlettering is bij de wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 in december 2002 (ministeriële regeling van 19 december 2002, WDB2002/813M, Stcrt. 248) niet consequent doorgevoerd. Deze omissie wordt hierbij hersteld (met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2003).

(WDB 2003/650M - Art.gew. toelichting) Het in dit artikel genoemde percentage wordt vanaf 2004 gesteld op het percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kwartaal van het kalenderjaar. Voor 2004 is dat percentage: 3,5. Tot en met 2003 werd het rentepercentage gesteld op het gemiddelde van de lange en korte rente zoals door het Centraal Planbureau voor het kalenderjaar geraamd in de Macro Economische Verkenningen. Het nadeel van deze methode was dat de werkelijke uitkomst van het gemiddelde van de korte en lange rente (aanzienlijk) kan verschillen van de prognose.

(WDB2004/756 - Art.gew. toelichting) Met ingang van 2004 wordt het in dit artikel genoemde rentepercentage gesteld op de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar. Voor het eerste kalenderkwartaal van 2005 is dat percentage: 5, inclusief de verhoging van het percentage volgens het Belastingplan 2005 (Wet van 16 december 2004, Stb. 653).

Met artikel 59, tweede lid, wordt voorkomen dat heffing wegens een rentevoordeel zou moeten plaatsvinden bij een personeelslening ter zake van een besteding waarvoor anders een vrije vergoeding, een vrije verstrekking of een bepaalde vrijstelling (de pc privéregeling of de regeling voor de inrichting van de telewerkplek) zou kunnen worden aangenomen. De bepaling wordt gewijzigd in verband met het afschaffen van de pc-privéregeling met terugwerkende kracht tot en met 27 augustus 2004, 17.00 uur, met dien verstande dat de toen bestaande regeling blijft gelden voorzover het overgangsrecht met betrekking tot de pc-privéregeling voor reeds aangegane verplichtingen van toepassing is. Deze wijziging werkt daarom terug tot en met 27 augustus 2004, 17.00 uur. Hiermee wordt bereikt dat de door werkgevers en werknemers vóór dat tijdstip gemaakte afspraken ook in zoverre onbelast blijven doorlopen indien zij voldeden aan de toen geldende fiscale regels. Met betrekking tot deze bestaande geldleningen ontstaan dus geen extra administratieve lasten.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Met ingang van 2004 wordt het in dit artikel genoemde rentepercentage gesteld op de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar. In 2004 was dat 3,5%. Voor het eerste kalenderkwartaal van 2005 is dat percentage: 5, inclusief de verhoging van het percentage volgens de Wet van 16 december 2004 (Belastingplan 2005), Stb. 2004, 653.

Omdat het percentage van 5 in het jaar 2005 voor het berekenen van het rentevoordeel bij personeelsleningen voor sommige leningen aan de hoge kant is en een hoge stijging (een schokeffect) ten opzichte van het percentage in 2004 betekent, wordt het in artikel 59, eerste lid, genoemde rentepercentage met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005 verlaagd tot 3,5%. Dat is het percentage van de heffings- en invorderingsrente in het eerste kalenderkwartaal van 2005, zonder de verhoging volgens het Belastingplan 2005.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Het in dit artikel genoemde rentepercentage wordt gesteld op de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar.

(DB2007/655M - Art.gew. toelichting) Het in dit artikel genoemde rentepercentage wordt gesteld op het percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) Het in artikel 59 van de URLB 2001 genoemde rentepercentage wordt gesteld op het percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar. Aan de hand van dit rentepercentage wordt bepaald in hoeverre een rentevoordeel ter zake van een geldlening aan personeel tot de vrije verstrekkingen behoort.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) Het in dit artikel genoemde rentepercentage wordt gesteld op het percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar.

 

HOOFDSTUK 5. PENSIOENREGELINGEN (hoofdstuk IIB van de wet)

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) De titel van hoofdstuk 5 is aangepast aangezien in hoofdstuk IIB van de wet geen artikelen meer zijn opgenomen die betrekking hebben op regelingen voor vervroegde uittreding.

 

Artikel 60. Splitsing pensioenregeling

1. Bij overschrijding van de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet opgenomen begrenzingen als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de wet kan de inhoudingsplichtige de inspecteur uiterlijk op het eerste moment van overschrijding van de begrenzingen verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen welk deel van de aanspraak binnen de begrenzingen blijft en welk deel de begrenzingen te boven gaat.

2. Met inachtneming van de in het eerste lid bedoelde beschikking administreert de inhoudingsplichtige bij de loonadministratie afzonderlijk jaarlijks welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet, alsmede de waarde van het deel dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Tevens administreert de inhoudingsplichtige naar rato van deze verdeling welk deel van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking zal worden genomen en welk deel als voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld.

3. Van de ingevolge het tweede lid geadministreerde verdeling van de aanspraak en waarde van het deel dat in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, alsmede de verdeling van de te zijner tijd te verstrekken pensioenuitkeringen, verstrekt de inhoudingsplichtige jaarlijks een opgave aan de inspecteur.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 18, derde lid, van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 18c van de Uitvoeringsregeling LB 1990, met dien verstande dat in het eerste lid de verwijzing naar hoofdstuk IIA van de wet is vervangen door een verwijzing naar hoofdstuk IIB en dat in het tweede lid “als inkomsten uit vermogen zal worden behandeld” is vervangen door als “voordeel uit sparen en beleggen wordt behandeld”.

(WDB2001/760 - Art.gew. toelichting) Om een pensioenregeling die de begrenzingen van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 te boven gaat op de juiste wijze in de belastingheffing te kunnen betrekken moet inzicht bestaan in het gedeelte van de aanspraak dat de begrenzingen te boven gaat (het zogenoemde onzuivere deel van de aanspraak). Tot dusverre was in artikel 60, tweede lid, eerste volzin, geregeld dat de inhoudingsplichtige in de loonadministratie administreert welk deel van de aanspraak tot het loon behoort en welk deel niet. Daarnaast moet echter inzicht bestaan in de waarde van het recht dat jaarlijks in aanmerking wordt genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De administratieverplichting voor de inhoudingsplichtige is dienovereenkomstig aangepast. Vervolgens dient naast een opgave aan de inspecteur van de verdeling van de aanspraak ook een opgave te worden verstrekt van de waarde van het recht dat in aanmerking moet worden genomen voor de grondslag van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen alsmede de verdeling van de te zijner tijd op basis van de regeling te verstrekken pensioenuitkeringen. Eenzelfde opgave door de inhoudingsplichtige aan de pensioenuitvoerder wordt niet nodig geacht, aangezien het de pensioenuitvoerder zal zijn die de desbetreffende informatie aan de inhoudingsplichtige verstrekt. Het derde lid van artikel 60 is dienovereenkomstig aangepast.

 

Artikel 60a. (Red.: Aanwijzing E.E.R.-staten o.g.v. artikel 19a Wet LB 1964)

Voor de toepassing van artikel 19a van de wet worden van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte aangewezen: IJsland en Noorwegen.

 

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) Ingevolge Overige fiscale maatregelen 2010 is artikel 19a van Wet op de loonbelasting 1964 in overeenstemming gebracht met de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak C-521/07 (Europese Commissie tegen Nederland). Ingevolge dit artikel kan bij ministeriële regeling een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen, in welk geval vestiging in die staat voor de toepassing van dit artikel op dezelfde wijze wordt behandeld als vestiging in een lidstaat van de Europese Unie. Met het ingevolge deze wijzigingsregeling in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 in te voeren artikel 60a wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid en worden IJsland en Noorwegen aangewezen.

 

Artikel 61. Samenloop verschillende pensioenstelsels

1. Bij samenloop van verschillende pensioenstelsels in een pensioenregeling worden alle elementen van de pensioenregeling tezamen in acht genomen en in onderlinge samenhang bezien voor de vaststelling of de pensioenregeling moet worden aangemerkt als een pensioenregeling gebaseerd op een eindloonstelsel, een middelloonstelsel of een beschikbare-premiestelsel.

2. In afwijking van het eerste lid dient voor elk onderdeel van de pensioenregeling dat niet past binnen het op grond van het eerste lid vastgestelde pensioenstelsel afzonderlijk te worden beoordeeld op welk van de drie aldaar genoemde stelsels dat onderdeel is gebaseerd.

3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid kan de inhoudingsplichtige de inspecteur verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen op welk stelsel de pensioenregeling of een onderdeel daarvan is gebaseerd.

4. Bij wijziging van een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd pensioen in een pensioen dat is gebaseerd op een eindloonstelsel of een middelloonstelsel blijven op de tot het moment van die stelselwijziging opgebouwde pensioenaanspraken de voorwaarden van toepassing die gelden voor een beschikbare-premiestelsel.

 

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 19f van de wet. De tekst is ontleend aan artikel 18d van de Uitvoeringsregeling LB 1990.

 

HOOFDSTUK 5A. LEVENSLOOPREGELING (hoofdstuk IIC van de wet)

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In hoofdstuk 5A zijn op grond van de in artikel 19g van de wet opgenomen delegatiebevoegdheid nadere regels gesteld voor de toepassing van dat artikel.

 

Artikel 61a. Schriftelijke vastlegging levensloopregeling

1. Een levensloopregeling moet schriftelijk zijn vastgelegd. In de vastlegging moet ten minste zijn opgenomen:

a. dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof;

b. dat de aanspraken ingevolge de levensloopregeling niet kunnen worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k bedoelde verpanding, kunnen worden;

c. de instelling waarbij de voorziening wordt aangehouden;

d. een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk aan de inhoudingsplichtige verklaart of hij bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen aanspraken ingevolge een levensloopregeling heeft opgebouwd, die ingevolge artikel 61h, derde lid, geacht worden te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige;.

e. een bepaling ingevolge welke de werknemer schriftelijk verklaart dat hij geen voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de wet.

2. In afwijking van het eerste lid mag een levensloopregeling voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking.

3. In afwijking van het eerste lid mag een levensloopverzekering voorzien in de mogelijkheid van gehele of gedeeltelijke afkoop van de aanspraken voorzover overeenkomstig artikel 19g, tweede lid, van de wet over de voorziening wordt beschikt.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) Ingevolge artikel 61a, eerste lid, moet een levensloopregeling schriftelijk zijn vastgelegd en ten minste de in het eerste lid genoemde elementen bevatten. Ingevolge onderdeel a moet in de regeling worden vastgelegd dat de regeling ten doel heeft het treffen van een voorziening in geld uitsluitend voor het opnemen van een periode van extra verlof. Op grond van het eerste lid, onderdeel b, moet in de regeling worden opgenomen dat de levensloopregeling niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k bedoelde verpanding, kan worden. In het eerste lid, onderdeel c, is aangegeven dat in de regeling de instelling moet worden aangewezen waarbij de levensloopregeling wordt aangehouden.

Verder is in het eerste lid, onderdeel d, bepaald dat de werknemer een verklaring aflegt omtrent de aanspraken die hij heeft ingevolge een levensloopregeling bij een gewezen werkgever. Deze bepaling dient ter vergemakkelijking van de toetsing door de inhoudingsplichtige op het al dan niet bereikt zijn van de maximale omvang van de op te bouwen rechten. Ingevolge artikel 61e, vierde lid, worden immers bij de bepaling of de maximale omvang van de op te bouwen rechten is bereikt, aanspraken uit vorige dienstbetrekkingen meegenomen. Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat een werknemer die een voorziening opbouwt ingevolge de levensloopregeling, verklaart dat hij geen voorziening ingevolge een levensloopregeling opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij een inhoudingsplichtige loon spaart ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 van de wet.

Ingevolge het tweede lid mag een levensloopregeling, in afwijking van de voorwaarden in het eerste lid, voorzien in de mogelijkheid van afkoop van het levenslooptegoed bij beëindiging van de dienstbetrekking. In het derde lid is bepaald dat een levensloopverzekering tevens mag worden afgekocht voorzover de aanwending plaatsvindt binnen de doelstellingen van de levensloopregeling. Bij een verzekeringsproduct is bij aanwending gedurende de looptijd van de verzekering sprake van afkoop. Deze vorm van afkoop is wel toegestaan binnen de levensloopregeling voorzover voldaan wordt aan de in artikel 19g, tweede lid, van de wet, genoemde voorwaarde.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) De wijziging van artikel 61a, eerste lid, onderdeel d, hangt samen met de in onderdeel P toegelichte wijziging van artikel 61h, derde lid. Als gevolg van de laatstgenoemde wijziging worden de bij een gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken geacht te zijn opgebouwd bij de eerstvolgende inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienst treedt indien de werknemer ook bij de nieuwe inhoudingsplichtige aan de levensloopregeling deelneemt. Het belang van de aanvankelijk in artikel 61a, eerste lid, onderdeel d, opgenomen verplichting om jaarlijks schriftelijk aan de inhoudingsplichtige te verklaren wat de omvang is van de bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen opgebouwde aanspraken, is daardoor komen te vervallen. De informatieverstrekking over de omvang van deze aanspraken verloopt als gevolg van de in artikel 61h, derde lid, opgenomen fictie voortaan op dezelfde wijze als de informatieverstrekking over de omvang van de daadwerkelijk bij deze nieuwe inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken. De werknemer blijft er in deze situaties uiteraard verantwoordelijk voor, dat de inhoudingsplichtige beschikt over alle relevante gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen in hoeverre opbouwruimte aanwezig is.

 

Artikel 61b. Levensloopregeling

1. Het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling vindt plaats door inhouding op het loon, waarbij het ingehouden loon wordt aangewend voor het treffen van een voorziening voor een periode van extra verlof. Daarbij wordt de duur van de verlofperiode bepaald door het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 61c en bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 61da, onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 61d, en verkrijgt de werknemer een aanspraak op het levenslooploon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode. Onder ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon wordt tevens verstaan een door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de levensloopregeling verstrekte bijdrage.

2. Onder levenslooploon wordt verstaan het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen bij een levenslooprekening als bedoeld in artikel 61c en bij een levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 61da, onderscheidenlijk de waarde van de polis bij een levensloopverzekering als bedoeld in artikel 61d.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) Ingevolge het eerste lid van artikel 61b dient het opbouwen van een voorziening ingevolge de levensloopregeling plaats te vinden door middel van inhouding op het brutoloon. Volledigheidshalve zij hierbij vermeld dat het opbouwen van een voorziening ingevolge de levensloopregeling ook kan plaatsvinden door middel van het omzetten van verlof in bruto-loon dat vervolgens wordt aangewend voor de opbouw van een voorziening ingevolge een levensloopregeling. De werknemer bouwt uit het brutoloon een voorziening op ten behoeve van de financiering van een verlofperiode, waarbij de maximale duur van het met volledige doorbetaling op te nemen verlof in beginsel wordt bepaald door het ingehouden loon, vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen, zoals koerswinsten. Dit ingehouden loon, vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen, wordt op grond van het tweede lid aangemerkt als levenslooploon. Bij een levensloopverzekering wordt de maximale duur van het met volledige doorbetaling op te nemen verlof bepaald door de waarde van de polis. Ook de waarde van de polis wordt op grond van het tweede lid aangemerkt als levenslooploon. De werknemer verkrijgt op het moment van inhouding een aanspraak op het levenslooploon ten behoeve van de betaling van loon gedurende de verlofperiode.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Op grond van de tekst van artikel 61b, zoals dit artikel met ingang van 1 januari 2006 aanvankelijk zou komen te luiden, zou het opbouwen van een voorziening ingevolge een levensloopregeling uitsluitend kunnen plaatsvinden door middel van een inhouding op het loon. Op grond van artikel 19g van de wet is het onder de in dat artikel genoemde voorwaarden echter ook toegestaan, dat de inhoudingsplichtige een bijdrage ten behoeve van de levensloopregeling verstrekt. Net als bij een door een inhoudingsplichtige ten behoeve van een werknemer betaalde pensioenpremie, hoeft deze bijdrage niet via (een inhouding op) het loon te worden overgemaakt, maar kan deze rechtstreeks betaald worden aan de uitvoerder van de regeling. Om deze reden wordt een volzin toegevoegd aan artikel 61b, eerste lid, waarin wordt bepaald, dat onder ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon tevens wordt verstaan een door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de levensloopregeling verstrekte bijdrage. Met deze wijziging wordt tevens verduidelijkt dat het in artikel 61e genoemde maximum van 12% geldt voor de som van het in een kalenderjaar ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon en de door de inhoudingsplichtige ten behoeve van de levensloopregeling verstrekte bijdragen.

Daarnaast is artikel 61b aangepast in verband met de bij het Belastingplan 2006 toegevoegde mogelijkheid voor beheerders van beleggingsinstellingen om als uitvoerder van de levensloopregeling op te treden. De levensloopregeling kan daardoor niet alleen worden vormgegeven als levenslooprekening of levensloopverzekering, maar ook als (geblokkeerd) levenslooprecht van deelneming.

(DB2006/261M - Art.gew. toelichting) Per abuis was de definitie van levenslooploon, zoals opgenomen in artikel 61b, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, nog niet aangepast naar aanleiding van de in het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) opgenomen uitbreiding van toegestane uitvoerders van levensloopregelingen naar beheerders van beleggingsinstellingen. Bedoeld is dat onder levenslooploon ook wordt verstaan het ingehouden loon vermeerderd met de daarmee behaalde rendementen (dividenden, koerswinsten) bij een (bij een beheerder van een beleggingsinstelling aangehouden) levenslooprecht van deelneming als bedoeld in artikel 61da van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Met de onderhavige wijziging wordt deze omissie hersteld.

 

Artikel 61c. Levenslooprekening

1. Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar een geblokkeerde rekening – levenslooprekening – bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling, waar het tegoed voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd.

2. De op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen worden op de levenslooprekening bijgeschreven.

3. Het tegoed op een levenslooprekening mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon.

4. De instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

5. In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen; in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In artikel 61c zijn de bepalingen met betrekking tot de levenslooprekening opgenomen. In het eerste lid is de verplichting opgelegd om ingehouden loon over te maken naar een geblokkeerde rekening – de levenslooprekening - bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling. De instelling moet het ingehouden loon voor iedere werknemer afzonderlijk administreren.

Ingevolge het tweede lid dienen de op een levenslooprekening gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen op die rekening te worden bijgeschreven. Het derde lid bevat het voorschrift dat het tegoed op een levenslooprekening slechts mag bestaan uit het ingehouden loon en de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen (het levenslooploon).

Op grond van het vierde lid gaat, indien de inhoudingsplichtige en de werknemer daartoe gezamenlijk toestemming verlenen, de instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht over tot betaling aan de inhoudingsplichtige van het levenslooploon ter betaling van het loon tijdens de verlofperiode van de werknemer. Gekozen is voor de voorwaarde van gezamenlijke toestemming om een zo goed mogelijke waarborg in te bouwen dat het tegoed op de levensloopregeling wordt aangewend in overeenstemming met de levensloopregeling, dat wil zeggen ten behoeve van een periode van extra verlof van de werknemer. Bovendien wordt daarmee benadrukt dat het levenslooptegoed buiten de beschikkingsmacht van de werkgever is gebracht.

In het vijfde lid is bepaald dat – in afwijking op de in het vierde lid opgenomen hoofdregel – het levenslooploon op verzoek van de werknemer rechtstreeks aan de werknemer mag worden overgemaakt door de instelling waar de levenslooprekening is ondergebracht, indien er geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen, zoals bijvoorbeeld bij een faillissement of bedrijfsbeëindiging. Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de wet is de instelling in dat geval inhoudingsplichtig. Voor alle duidelijkheid is ook in artikel 61c, vijfde lid, de in dat geval geldende inhoudingsplicht van de instelling opgenomen. Bij twijfel over de aanwezigheid van een inhoudingsplichtige kan dit worden voorgelegd aan de Belastingdienst. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de hiervoor genoemde situatie het tegoed in één keer moet worden overgemaakt naar de werknemer. Als er geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen, is er geen sprake van een dienstbetrekking en dus geen sprake van verlof. Periodieke uitkeringen zijn dan niet mogelijk. Uiteraard is het niet verplicht om het tegoed in deze situatie op te nemen; het mag ook blijven staan tot er weer een inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen.

 

Artikel 61d. Levensloopverzekering

1. Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt ten behoeve van een verzekering – levensloopverzekering – bij de in de levensloopregeling aangewezen instelling, waar de waarde van de polis voor iedere werknemer afzonderlijk wordt geadministreerd.

2. De bij de levensloopverzekering behaalde rendementen moeten worden aangewend voor een verhoging van het verzekerde kapitaal.

3. Het verzekerde kapitaal op grond van een levensloopverzekering mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon.

4. De instelling waar de levensloopverzekering is ondergebracht maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

5. In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de instelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen; in dit geval wordt de instelling als inhoudingsplichtige aangemerkt.

6. Een aanspraak ingevolge een levensloopverzekering mag voorzien in een hogere uitkering bij leven dan de in artikel 19g, eerste lid, van de wet opgenomen maxima, indien deze verhoging met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen is gebaseerd op een verlaging van de ingevolge de levensloopregeling bij overlijden te ontvangen uitkering tot een niveau beneden of gelijk aan 90% van de premievrije waarde op de dag van overlijden.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In artikel 61d zijn de bepalingen met betrekking tot de levensloopverzekering opgenomen. Deze komen grotendeels overeen met de in artikel 61c opgenomen bepalingen met betrekking tot de levenslooprekening. Voor een toelichting op dit deel van de in artikel 61d opgenomen bepalingen wordt verwezen naar de toelichting op artikel 61c. Op het punt van de hoogte van de aanspraak is er echter sprake van een verschil. Hiervoor is in het zesde lid van artikel 61d een aanvullende bepaling opgenomen. Op grond van artikel 19g, eerste lid, van de wet mogen in een kalenderjaar niet meer aanspraken ontstaan dan overeenkomt met 12 percent van het loon van het jaar en voor zover de totale aanspraken aan het einde van het kalenderjaar door de in het kalenderjaar opgebouwde aanspraken een periode van extra verlof van 2,1 jaar niet te boven gaan. Op grond van artikel 61d, zesde lid, is het toegestaan dat een aanspraak ingevolge een levensloopverzekering voorziet in een hogere uitkering bij leven dan de hiervoor genoemde maxima. Voorwaarde daarbij is dat deze verhoging met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen is gebaseerd op een verlaging van de ingevolge de levensloopregeling bij overlijden te ontvangen uitkering tot een niveau beneden of gelijk aan 90% van de premievrije waarde op de dag van overlijden. Deze bepaling hangt samen met de voor levensloopverzekeringen geldende voorwaarde dat er sprake dient te zijn van een substantiële kans op voordeel voor de verzekeringnemer zoals ten behoeve van de fiscale wetgeving is uitgewerkt in een circulaire van de toenmalige Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK;circulaire van 4 juni 1993, nr. 1.311/92-1620, inzake het begrip levensverzekering). Algemeen uitgangspunt is dat een verzekeraar vanaf de aanvang van de overeenkomst verplicht is om een extra uitkering in het vooruitzicht te stellen bovenop het bedrag van de premies vermeerderd met de daarover gerealiseerde rente of beleggingsopbrengsten, voor die gevallen dat hij verplicht is tot het doen van een uitkering. De vorm van het mogelijke voordeel voor de verzekeringnemer is daarbij afhankelijk van de aard van de verzekering. Gelet op de doelstelling van de levensloopverzekering – het treffen van een voorziening uitsluitend ten behoeve van het opnemen van een periode van extra verlof – dient de bonus in dit geval te worden gekoppeld aan de uitkering bij leven en niet aan de uitkering bij overlijden. De levensloopverzekering is immers niet bedoeld als verzekering bij overlijden. Dat betekent overigens niet dat een uitkering bij overlijden niet is toegestaan. De uitkering bij overlijden dient echter lager te zijn dan het bedrag van het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en met de met het ingehouden loon behaalde rendementen, zoals koerswinsten. Om te voldoen aan de in de hiervoor genoemde circulaire van de PVK voor een levensverzekering opgenomen voorwaarden dient de bij leven toe te kennen verhoging van de uitkering namelijk actuarieel technisch geneutraliseerd te worden door een relatie te leggen met het onderdeel van het verzekeringscontract dat betrekking heeft op de eventuele uitkering bij overlijden. Dat wil zeggen dat de minimumverhoging bij leven wordt gekoppeld aan en actuarieel berekend uit een verlaging op de eventuele uitkering bij overlijden. Deze verlaging dient ten minste 10% te bedragen. Hierdoor wordt de uitkering bij overlijden dus lager dan het bedrag van het ingehouden loon vermeerderd met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen en de uitkering bij leven juist hoger.

 

Artikel 61da. Levenslooprecht van deelneming

1. Het ingevolge een levensloopregeling ingehouden loon moet worden overgemaakt naar de in de levensloopregeling aangewezen beheerder van een beleggingsinstelling ter verwerving van een of meer geblokkeerd rechten van deelneming in die instelling - levenslooprecht van deelneming -, die voor iedere werknemer afzonderlijk worden geadministreerd.

2. Het met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendement wordt aangewend ter verwerving van levenslooprechten van deelneming.

3. Het levenslooprecht van deelneming mag uitsluitend bestaan uit het levenslooploon.

4. De beheerder van de beleggingsinstelling maakt het levenslooploon over naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de periode van extra verlof voorzover de inhoudingsplichtige en de werknemer tezamen daarvoor toestemming hebben verleend.

5. In afwijking in zoverre van het vierde lid maakt de beheerder van de beleggingsinstelling het levenslooploon op verzoek van de werknemer over naar de werknemer indien geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen; in dit geval wordt de beheerder van de beleggingsinstelling als inhoudingsplichtige aangemerkt.

 

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) In artikel 61da zijn – conform de in artikel 61c en artikel 61d met betrekking tot de levenslooprekening en de levensloopverzekering opgenomen bepalingen – nadere regels opgenomen voor de situatie dat een beheerder van een beleggingsinstelling als uitvoerder van de levensloopregeling optreedt. De levensloopregeling wordt in dat geval vormgegeven als een geblokkeerd recht van deelneming in een beleggingsinstelling.

In het eerste lid is de verplichting opgelegd om ingehouden loon over te maken ter verwerving van een of meer geblokkeerde rechten van deelneming – levenslooprecht van deelneming - bij de in de levensloopregeling aangewezen beheerder van een beleggingsinstelling. Deze beheerder moet het levenslooprecht van deelneming voor iedere werknemer afzonderlijk administreren.

Ingevolge het tweede lid dienen de op het levenslooprecht van deelneming uitgekeerde rendementen aangewend te worden ter verwerving van levenslooprechten van deelneming. Niet-uitgekeerde rendementen (ingehouden koerswinsten) verhogen de waarde van het levenslooprecht van deelneming.

Het derde lid bevat het voorschrift dat het levenslooprecht van deelneming slechts mag bestaan uit het ingehouden loon en de daarmee behaalde rendementen (het levenslooploon).

Op grond van het vierde lid gaat, indien de inhoudingsplichtige en de werknemer daartoe gezamenlijk toestemming verlenen, de in het eerste lid bedoelde beheerder van de beleggingsinstelling over tot betaling aan de inhoudingsplichtige van het levenslooploon ter betaling van het loon tijdens de verlofperiode van de werknemer. Ook hier is gekozen voor de voorwaarde van gezamenlijke toestemming om een zo goed mogelijke waarborg in te bouwen dat de opgebouwde voorziening wordt aangewend in overeenstemming met de levensloopregeling, dat wil zeggen ten behoeve van een periode van extra verlof van de werknemer. Bovendien wordt daarmee benadrukt dat de opgebouwde voorziening buiten de beschikkingsmacht van de werkgever is gebracht.

In het vijfde lid is bepaald dat – in afwijking op de in het vierde lid opgenomen hoofdregel – het levenslooploon op verzoek van de werknemer rechtstreeks aan de werknemer mag worden overgemaakt door de in het eerste lid bedoelde beheerder van een beleggingsinstelling, indien er geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen, zoals bijvoorbeeld bij een faillissement of bedrijfsbeëindiging. Op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de wet is deze beheerder in dat geval inhoudingsplichtig. Voor alle duidelijkheid is ook in artikel 61da, vijfde lid, de in dat geval geldende inhoudingsplicht van de beheerder opgenomen. Bij twijfel over de aanwezigheid van een inhoudingsplichtige kan dit worden voorgelegd aan de Belastingdienst. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in de hiervoor genoemde situatie het tegoed in één keer moet worden overgemaakt naar de werknemer. Als er geen inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen, is er geen sprake van een dienstbetrekking en dus geen sprake van verlof. Periodieke uitkeringen zijn dan niet mogelijk. Uiteraard is het niet verplicht om het tegoed in deze situatie op te nemen; het mag ook blijven staan tot er weer een inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de wet kan worden aangewezen, met dien verstande dat de opgebouwde voorziening op de dag voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, maar uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het pensioen wordt aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer.

 

Artikel 61e. Maximale opbouw in een jaar

1. De inhouding per kalenderjaar ingevolge een levensloopregeling bedraagt:

a. indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon minder bedraagt dan 2,1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon: ten hoogste 12% van het loon in het kalenderjaar;

b. indien aan het begin van het kalenderjaar het levenslooploon gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon: nihil.

2. Voor zover het ingevolge de levensloopregeling ingehouden bedrag uitgaat boven hetgeen ingevolge het eerste lid is toegestaan en deze inhouding in hetzelfde kalenderjaar door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht wordt teruggestort naar de inhoudingsplichtige en deze de terugstorting als loon uitkeert aan de werknemer, wordt aangenomen dat is gebleven binnen de begrenzingen van het eerste lid.

3. Voor de toepassing van het eerste lid mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voorzover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. De eerste volzin is bij een loonsverlaging die het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de in de eerste volzin bedoelde periode.

4. Voor de toepassing van de in dit artikel gestelde grenzen worden de aanspraken die zijn opgebouwd bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de wet mede in aanmerking genomen, tenzij deze aanspraken met toepassing van artikel 61h geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige dan een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de wet.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In artikel 61e, eerste lid, is bepaald in welke situatie in het kader van een levensloopregeling een bedrag op het loon mag worden ingehouden en wat in dat geval het in een kalenderjaar maximaal in te houden bedrag is. Op grond van onderdeel a mag inhouding op het loon plaatsvinden indien aan het begin van het kalenderjaar het bedrag van de totale aanspraken op dat moment minder bedraagt dan 2,1 maal het loon op jaarbasis gerelateerd aan het in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon. Met andere woorden inhouding in een jaar mag plaatsvinden als de werknemer op 1 januari van dat jaar onvoldoende levenslooploon heeft opgebouwd om 2,1 jaar volledig doorbetaald verlof te kunnen opnemen. Bepalend is de voorziening per 1 januari, derhalve het tot en met het voorafgaande kalenderjaar ingehouden loon vermeerderd met de inkomsten en vermogenswinsten over de periode tot en met 31 december van het voorafgaande jaar. Niet van belang is of die inkomsten of vermogenswinsten op dat moment al zijn bijgeschreven.

Vervolgens wordt op grond van onderdeel a bewerkstelligd dat een werknemer die aan het begin van het kalenderjaar de totaal toegestane ruimte voor opbouw van een voorziening ingevolge de levensloopregeling nog niet heeft benut, in datzelfde kalenderjaar maximaal 12% van het loon in dat jaar mag aanwenden voor een voortgezette opbouw van een aanspraak ingevolge een levensloopregeling. Als loon kan daarbij in aanmerking worden genomen het loon als bedoeld in kolom 6 van de loonstaat, te weten het loon in geld, vermeerderd met de waarde van niet in geld uitgekeerd loon en fooien en uitkeringen uit fondsen. Veelal zal dit het brutoloon zijn dat vermeld staat op de loonstrook van de werknemer. De opzet van artikel 61e, eerste lid, strekt ertoe te voorkomen dat gedurende het kalenderjaar een continue toets dient plaats te vinden of de totale begrenzing van het op het laatstgenoten loon gebaseerde brutoloon in dat kalenderjaar al dan niet wordt overschreden.

Een overschrijding in het kalenderjaar zelf van de begrenzing in de opbouw van de voorziening ingevolge de levensloopregeling van 12% van het brutoloon leidt daarentegen wel tot het als loon in aanmerking nemen van de aanspraak, omdat zo’n overschrijding in de loop van het jaar eenvoudig aan de hand van bijvoorbeeld het brutomaandloon is te bepalen. De maximale opbouwmogelijkheid in een jaar ter zake van de levensloopregeling is gekoppeld aan het daadwerkelijk genoten brutoloon in dat jaar. Bij een tussentijdse verlaging of verhoging van de overeengekomen arbeidsduur of het overeengekomen loon wordt de begrenzing van 12% vanaf dat moment gerelateerd aan het daarmee overeenkomende lagere of hogere brutoloon. Indien aan het einde van het kalenderjaar blijkt dat de totale voorziening ingevolge de levensloopregeling 2,1 maal het loon in dat kalenderjaar te boven gaat wordt het meerdere niet als loon in aanmerking genomen indien de opbouw gedurende het jaar steeds heeft plaatsgevonden binnen de begrenzing van 12% van het in het loontijdvak genoten brutoloon.

Indien aan het begin van het kalenderjaar blijkt dat de begrenzing van 2,1 maal het brutoloon op jaarbasis gerelateerd aan het loon in het voorafgaande kalenderjaar reeds is bereikt dan wel is overschreden, kunnen op grond van het eerste lid, onderdeel b, geen bedragen meer worden ingehouden ingevolge een levensloopregeling.

Het voorgaande wordt met enkele voorbeelden toegelicht.

Voorbeeld 1

A heeft een volledige baan en een loon van € 25.000. A neemt deel aan een levensloopregeling. Op 1 januari van jaar x bedraagt het levenslooptegoed, inclusief de daarop tot en met 31 december van jaar x-1 gekweekte inkomsten en behaalde vermogenswinsten, € 52.000. Dit is minder dan 210% van het loon op jaarbasis zoals A dat in jaar x-1 genoot. A mag in jaar x nog 12% van het jaarloon van jaar x opbouwen binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart A € 3000. Per 31 december van jaar x bedraagt het levenslooptegoed € 52.000 + (stel 4% rente) € 2080 + € 3000 = € 57.080. Dit is ook het tegoed per 1 januari van jaar x+1.

Dit tegoed is hoger dan 210% van het loon op jaarbasis zoals A dat in jaar x genoot. A mag in jaar x+1 derhalve geen additionele bedragen meer sparen. Wel mogen in jaar x+1 en volgende jaren de op het tegoed gekweekte inkomsten en de behaalde rendementen op de levenslooprekening worden bijgeschreven. Dit laatste volgt uit het hierna opgenomen artikel 61f.

Per 31 december van jaar x+1 bedraagt het tegoed van de levenslooprekening € 57.080 + (stel 4% rente) € 2283 = € 59.363. Halverwege jaar x+1 maakt A promotie, waardoor zijn salaris op jaarbasis stijgt tot € 30.000. Ondanks de omstandigheid dat, gerelateerd aan het loon van het laatste tijdvak van jaar x+1, A ultimo jaar x+1 nog niet het bedrag van 210% van het actuele loon gedurende een jaar heeft bijeengespaard, mag A in jaar x+1 geen additionele middelen sparen. Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid is er voor gekozen om bij het begin van het jaar te toetsen of er in dat jaar inhoudingen mogen plaatsvinden.

Wijzigingen in het jaar zijn meer niet van belang voor het antwoord op de vraag of er in dat jaar gespaard kan worden.

Omdat het tegoed van de levenslooprekening op 1 januari van jaar x+2 met € 59.363 lager is dan 210% van het loon op jaarbasis zoals A dat in jaar x+1 genoot, mag A in jaar x+2 12% van € 30.000 = € 3600 sparen op de levenslooprekening.

Voorbeeld 2

B heeft een volledige baan en een loon van € 25.000. B neemt deel aan een levensloopregeling. In de afgelopen jaren heeft B jaarlijks 12% van het brutoloon gespaard. Op 1 januari van jaar x bedraagt het tegoed van de levenslooprekening, inclusief de daarop tot en met 31 december van jaar x-1 gekweekte inkomsten en behaalde rendementen, € 50.000. Dit is minder dan 210% van het loon op jaarbasis zoals B dat in jaar x-1 genoot. B mag in jaar x nog 12% van het jaarloon van jaar x sparen op de levenslooprekening. Halverwege jaar x gaat B halve dagen werken. Het loon wordt aangepast tot € 13.000 op jaarbasis. Ondanks de omstandigheid dat, gerelateerd aan het loon van het laatste tijdvak van jaar x, B ultimo jaar x-1 al meer dan het bedrag van 210% van het actuele loon gedurende een jaar heeft bijeengespaard, mag B in jaar x additionele middelen sparen. Bij een werkelijk jaarloon van B in jaar x van (stel 50% van € 25.000 + 50% van € 13.000 =) € 19.000 mag B in jaar x sparen 12% daarvan, is € 2280.

In artikel 61e, tweede lid, is een mogelijkheid tot herstel van een te hoge inhouding opgenomen. Het herstel van de te hoge inhouding dient op grond van deze bepaling binnen hetzelfde kalenderjaar plaats te vinden. Door gebruik te maken van deze herstelmogelijkheid, kan worden voorkomen dat de regeling onzuiver wordt en de aanspraak ingevolge artikel 19g, zesde lid, van de wet wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. De herstelmogelijkheid houdt in, dat de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht het door de inhoudingsplichtige te veel ingehouden bedrag terugboekt naar de inhoudingsplichtige, die dit bedrag vervolgens alsnog – onder inhouding van loonheffing – uitkeert aan de werknemer.

Het derde lid van artikel 61e bepaalt dat voor de toepassing van dit artikel met loondalingen geen rekening hoeft te worden gehouden voorzover sprake is van een daling ten gevolge van het aanvaarden van een deeltijdfunctie dan wel het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum. Die einddatum is gekozen omdat uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen het tegoed op de levensloopregeling ineens tot het loon wordt gerekend. Met deze bepaling, die vergelijkbaar is met de in artikel 10b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 opgenomen bepaling, wordt bewerkstelligd dat de mogelijkheden voor de opbouw van een levenslooptegoed niet worden beperkt in situaties waarin oudere werknemers aan het eind van hun loopbaan minder gaan werken of een lager gekwalificeerde functie aanvaarden. Net als in artikel 10b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 geldt voor de toepassing van deze bepaling bij het aanvaarden van een deeltijdfunctie wel de voorwaarde dat de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van die deeltijdfunctie minimaal 50% beloopt van de oorspronkelijke omvang van het dienstverband. Daarbij wordt net als in artikel 10b, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 getoetst aan de omvang van het dienstverband op de laatste dag voor de dag die 10 jaar voor de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum ligt. Daarmee wordt voorkomen dat de hiervoor genoemde bepaling ook zou gelden indien de omvang van het dienstverband meer dan één keer met ten hoogste 50% wordt verminderd.

Indien de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer werd gebruikt bij een gewezen inhoudingsplichtige niet worden ingebracht in een levensloopregeling van de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking is, worden die aanspraken op grond van het vierde lid van artikel 61e voor de toepassing van de in dit artikel gestelde grenzen mede in aanmerking genomen. Dat betekent dat indien reeds is deelgenomen aan een levensloopregeling en het levenslooptegoed nog niet is aangewend, niet opnieuw binnen een levensloopregeling kan worden opgebouwd, voorzover aan het begin van het kalenderjaar het gezamenlijke bedrag van het bij de huidige werkgever opgebouwde levenslooploon en het bij de ex-werkgever(s) reeds opbouwde levenslooploon de in artikel 61e gestelde grenzen overschrijdt.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Ingevolge artikel 61h, derde lid, zoals deze bepaling luidt na de in onderdeel P opgenomen wijziging, worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer thans in dienst staat. De aanvankelijk in artikel 61e, vierde lid, genoemde situatie kan zich daardoor niet meer voordoen. De aanvankelijk in artikel 61e, vierde lid, opgenomen bepaling kan doordoor komen te vervallen. De bij een gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken worden door de fictie van artikel 61h, derde lid, geacht te zijn opgebouwd bij de huidige inhoudingsplichtige en daardoor automatisch in aanmerking genomen bij de toepassing van de in artikel 61e gestelde grenzen.

In artikel 61e, vierde lid, wordt thans een anti-misbruikbepaling opgenomen. Uit signalen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat er zonder deze anti-misbruikbepaling constructies zijn te verwachten, waarbij de in artikel 61e gestelde grenzen worden omzeild door op het moment dat de grenzen bijna zijn bereikt ook in dienst te treden bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap als bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de wet, waarbij de werknemer zijn werkzaamheden feitelijk ongewijzigd kan voortzetten. Door ook de dienstbetrekking bij de oorspronkelijke inhoudingsplichtige – zij het op een minimaal niveau – in stand te houden, zouden de in die dienstbetrekking opgebouwde aanspraken niet te hoeven worden meegeteld bij de toets van de in de nieuwe dienstbetrekking op te bouwen aanspraken aan de in artikel 61e gestelde grenzen. Dit wordt voorkomen met de gewijzigde tekst van artikel 61e, vierde lid.

 

Artikel 61f. Toegestane aangroei boven het plafond bij een levenslooprekening en bij een

levenslooprecht van deelneming

Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 61e bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt, leiden nadien de op de levenslooprekening gekweekte inkomsten en daarmee behaalde rendementen en de met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) Indien bij het begin van een kalenderjaar de in artikel 61e genoemde grens van 2,1 maal het jaarloon, mede als gevolg van de in het voorafgaande kalenderjaar op het tegoed gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen, is bereikt en de opbouw van het levenslooptegoed steeds binnen de daartoe gestelde grenzen heeft plaatsgevonden, leiden de nadien op het levenslooptegoed gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen ingevolge artikel 61f niet tot bovenmatigheid. Deze bepaling strekt ertoe te voorkomen dat het levenslooptegoed niet verder zou mogen oprenten indien de op grond van artikel 61e toegestane grens is bereikt. Deze benadering leidt ertoe dat het totale levenslooptegoed kan uitkomen boven 2,1 maal het jaarloon waardoor met het uiteindelijke tegoed meer dan 2,1 jaar volledig doorbetaald extra verlof kan worden gefinancierd. Uiteraard mag na het bereiken van de toegestane grens geen nieuwe opbouw meer plaatsvinden.

(DB2006/261M - Art.gew. toelichting) Op grond van het Belastingplan 2006 (Stb. 2005, 683) kan ook aan de levensloopregeling worden deelgenomen via een of meer geblokkeerde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling (levenslooprecht van deelneming). In de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 was per abuis nog geen bepaling opgenomen op grond waarvan ook de met een levenslooprecht van deelneming behaalde rendementen (dividenden, koerswinsten) – welke ingevolge artikel 61da, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 dienen te worden aangewend ter verwerving van levenslooprechten van deelneming – niet tot bovenmatigheid van de levensloopregeling leiden wanneer de opbouw van het levenslooprecht steeds binnen de daartoe gestelde grenzen heeft plaatsgevonden. Met onderhavige wijziging van artikel 61f van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt deze omissie met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 hersteld.

(DB2006/658M - Art.gew. toelichting) Deze bepaling is laatstelijk met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 gewijzigd bij Ministeriële regeling van 6 juli 2006, Stcrt. 2006, 134 (Wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen). De bij die wijziging in de nieuwe tekst ontstane redactionele onvolkomenheid wordt met de onderhavige wijziging met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2006 gecorrigeerd.

 

Artikel 61g. Toegestane aangroei boven het plafond bij een levensloopverzekering

Ook indien bij het begin van het kalenderjaar de in artikel 61e bedoelde begrenzing op basis waarvan wordt beoordeeld of in het kalenderjaar nog aanspraken ingevolge een levensloopregeling kunnen worden opgebouwd is bereikt, leiden nadien behaalde rendementen niet tot de constatering dat de regeling niet meer voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een levensloopregeling.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) In artikel 61g is voor levensloopverzekeringen een met artikel 61f vergelijkbare bepaling opgenomen.

 

Artikel 61h. Wijze van beschikken over het levenslooptegoed

1. Over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening mag worden beschikt ten behoeve van loon tijdens een verlofperiode dat, tezamen met het daarnaast van de inhoudingsplichtige genoten loon, niet uitgaat boven het laatstgenoten loon. In afwijking in zoverre van de eerste volzin mag niet over de ingevolge een levensloopregeling opgebouwde voorziening worden beschikt ten behoeve van de aanvulling van loon dat is verlaagd tijdens een periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid.

2. In geval van overlijden van de werknemer kan de tegenwaarde van de aanspraak als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer ter beschikking van de erfgenamen van de werknemer worden gesteld.

3. Bij aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling die door de werknemer zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige, geacht te zijn opgebouwd bij de inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienst treedt, tenzij bij deze inhoudingsplichtige geen aanspraken ingevolge een levensloopregeling worden opgebouwd of de bij de gewezen inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken reeds geacht worden te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienstbetrekking staat.

4. Indien de werknemer uitkeringen ontvangt in overeenstemming met de levensloopregeling, worden deze als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in aanmerking genomen. In afwijking van de eerste volzin wordt in geval van afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking de uitkering aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

5. Indien in strijd met de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk over het levenslooploon wordt beschikt, wordt de gehele aanspraak ingevolge de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemer.

6. Het vijfde lid is niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) Artikel 61h geeft nadere regels voor de mogelijke wijzen van beschikken over het levenslooptegoed.

In het eerste lid is de uit artikel 19g, tweede lid, van de wet volgende hoofdregel met betrekking tot het beschikken over het levenslooptegoed vastgelegd: over het levenslooptegoed mag worden beschikt ten behoeve van de betaling tijdens de verlofperiode van ten hoogste het laatstgenoten loon van de werknemer. Indien het levenslooptegoed bijvoorbeeld als gevolg van oprenting meer bedraagt dan nodig is voor 2,1 jaar extra verlof kan gedurende een langere periode verlof tegen doorbetaling van het laatstgenoten loon worden genoten, maar mag niet meer dan het laatstgenoten loon worden uitbetaald, waarbij uit de aard van de regeling voortvloeit dat rekening mag worden gehouden met inmiddels opgetreden algemene salarisstijging of -indexatie in bijvoorbeeld de bedrijfstak.

In het tweede lid van artikel 61h wordt geregeld dat het levenslooptegoed bij overlijden van de werknemer ineens ter beschikking mag worden gesteld van de erfgenamen van de werknemer. Conform de bij postuum loon geldende regel, hebben de erfgenamen de keuze om dit loon nog in de aangifte van de overleden werknemer in aanmerking te nemen als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking of in hun eigen aangifte in aanmerking te nemen als loon uit een vroegere dienstbetrekking van een ander. Het is uiteraard afhankelijk van de voorwaarden van de levensloopregeling of en in hoeverre gebruik wordt gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheid om bij overlijden het levenslooptegoed ter beschikking te stellen van de erfgenamen van de werknemer. Zoals in de toelichting op artikel 61d is aangegeven, dient de eventuele uitkering bij overlijden bij een levensloopverzekering op grond van artikel 61d in ieder geval lager te zijn dan de uitkering bij leven.

Met het derde lid wordt bewerkstelligd dat de opgebouwde aanspraak op levenslooploon bij het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking zonder fiscale gevolgen kan worden ingebracht in een levensloopregeling bij een nieuwe inhoudingsplichtige. Het kan hierbij ook om een voortzetting van de regeling gaan, aangezien de werknemer bepaalt op welke rekening of verzekering de ingehouden bedragen worden gestort. De werknemer heeft bij beëindiging van de dienstbetrekking verder de mogelijkheid het levenslooptegoed bij de uitvoerder van de regeling te laten staan en bij de nieuwe werkgever met een nieuwe regeling te beginnen. De derde mogelijkheid is dat de werknemer gebruik maakt van de in artikel 61a opgenomen mogelijkheid om het levenslooptegoed bij beëindiging van de dienstbetrekking ineens te laten uitkeren. Indien geen (nieuwe) dienstbetrekking aanwezig is, zijn periodieke uitkeringen uit de levensloopregeling niet toegestaan.

Op grond van het vierde lid wordt levenslooploon dat in overeenstemming met de levensloopregeling wordt uitgekeerd aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Dit betekent dat dit loon aanspraak geeft op de arbeidskorting van artikel 22a van de Wet loonbelasting 1964 en artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Op grond van artikel 61a, tweede lid, mag een levensloopregeling voorzien in de mogelijkheid van afkoop van de aanspraken bij beëindiging van de dienstbetrekking. Alhoewel een afkoop bij beëindiging van de dienstbetrekking formeel gezien dus in overeenstemming met de levensloopregeling is, is in de tweede volzin van het vierde lid van artikel 61h geregeld dat in dat geval de uitkering wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

In het vijfde lid is geregeld dat wanneer in strijd met de voorwaarden van de levensloopregeling geheel of gedeeltelijk wordt beschikt over het levenslooptegoed, het levenslooploon voor de toepassing van de wet eveneens wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.

Ingevolge het zesde lid is het vijfde lid niet van toepassing voorzover een aanspraak ingevolge een levensloopregeling wordt omgezet in een aanspraak ingevolge een pensioenregeling die na de omzetting nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de wet gestelde begrenzingen. Die omzetting kan in dat geval zonder fiscale consequenties plaatsvinden.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Met de wijziging van artikel 61h, eerste lid, is uitvoering gegeven aan de in Kamerstukken II 2005/06, 30 330, nr. 6, opgenomen aankondiging, dat bij lagere regelgeving zal worden bepaald dat het levenslooptegoed niet kan worden gebruikt om een eventueel lager loon dat wordt genoten tijdens loondoorbetaling in de eerste twee ziektejaren, aan te vullen. Zonder deze wijziging zou dit wel mogelijk zijn, nu het levenslooptegoed in beginsel bij alle vormen van verlof kan worden gebruikt ter aanvulling van het loon tot het laatstverdiende loon, dus ook bij verlof wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Met de wijziging van artikel 61h, derde lid, wordt bewerkstelligd, dat de aanspraken die zijn opgebouwd tijdens een dienstbetrekking die wordt beëindigd, verplicht overgaan naar de eerstvolgende inhoudingsplichtige bij wie de werknemer in dienst treedt indien de werknemer ook bij de nieuwe inhoudingsplichtige aan de levensloopregeling deelneemt. Deze wijziging van artikel 61h, derde lid, is op verzoek van de uitvoeringspraktijk tot stand gekomen. Met de wijziging wordt voorkomen dat de werknemer jaarlijks een opgave aan de inhoudingsplichtige moet doen van de aanspraken die zijn opgebouwd bij een gewezen inhoudingsplichtige. De informatieverstrekking over de omvang van deze aanspraken verloopt als gevolg van de in artikel 61h, derde lid, opgenomen fictie voortaan op dezelfde wijze als de informatieverstrekking over de omvang van de daadwerkelijk bij de huidige inhoudingsplichtige opgebouwde aanspraken. Dit verloopt uiteraard het gemakkelijkst als hetgeen bij de vorige werkgever is opgebouwd, is of wordt ondergebracht bij de uitvoerder waar ook in de nieuwe dienstbetrekking de opbouw plaatsvindt. Ook artikel 61a, eerste lid, onderdeel d, is op het punt van de opgave van de werknemer aangepast (zie onderdeel L). Het ligt overigens voor de hand dat de werknemer de uitvoerder van de regeling op de hoogte stelt van de wijziging van inhoudingsplichtige. Deze wijziging zal in ieder geval blijken uit het te zijner tijd door de werknemer en de inhoudingsplichtige gezamenlijk in te dienen verzoek om het levenslooploon over te maken naar de inhoudingsplichtige ter betaling van het loon van de werknemer gedurende de verlofperiode; als gevolg van de in artikel 61h, derde lid, opgenomen fictie moet deze uitbetaling namelijk via de nieuwe inhoudingsplichtige lopen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in artikel 61h, derde lid, opgenomen fictie niet betekent dat de nieuwe inhoudingsplichtige ook verantwoordelijk wordt voor door de vorige inhoudingsplichtige bij de inhouding gemaakte fouten. Die verantwoordelijkheid blijft volledig op de inhoudingsplichtige die de fout heeft gemaakt rusten. Eventuele naheffingsaanslagen die betrekking hebben op de inhouding door een vorige inhoudingsplichtige, worden dus in geen geval aan de nieuwe inhoudingsplichtige opgelegd.

 

Artikel 61i. Kredietfaciliteit

Indien het ingevolge artikel 61h, eerste lid, opgenomen bedrag het op dat moment aanwezige tegoed overtreft, kan het negatieve saldo – uitgezonderd de daarover verschuldigde rente - met inachtneming van de in artikel 61e gestelde begrenzingen via een inhouding op het loon worden aangevuld, in welk geval deze aanvulling wordt aangemerkt als het opbouwen van een voorziening als bedoeld in artikel 61b.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) Artikel 61i ziet op de situatie dat in een levensloopregeling een kredietfaciliteit wordt opgenomen. Onder een kredietfaciliteit wordt in dit verband verstaan de mogelijkheid om een hoger bedrag uit de levensloopregeling op te nemen voor verlofdoeleinden dan het op dat moment aanwezige levenslooploon. Deze opname, die net als een andere opname uit de levensloopregeling tot het loon behoort (dus ook voor het gedeelte wat een schuld doet ontstaan aan de instelling), wordt in dat geval voor het meerdere gefinancierd door de instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht. Er ontstaat dus een negatief saldo. Op grond van artikel 61i is het toegestaan om dit negatieve saldo later af te lossen via een inhouding op het loon (aflossing kan in dit geval uit het bruto-loon, omdat bij het ontstaan van de schuld loonbelasting is geheven over het bedrag dat de schuld heeft doen ontstaan). Bij deze inhouding dienen wel de in artikel 61e gestelde begrenzingen in acht worden genomen. Het gaat hierbij met name om de grens van 12% van het loon in het kalenderjaar. Deze inhouding wordt in dat geval bij fictie aangemerkt als het opbouwen van een voorziening voor een periode van extra verlof. Hiermee wordt bewerkstelligd dat deze aanvulling – op dezelfde wijze als het in het kader van een reguliere opbouw ingehouden bedrag – niet tot het loon behoort en dat deze schuld aan de instelling niet in mindering komt op de grondslag van box 3 in de Wet op de inkomstenbelasting 2001. De in het kader van een kredietfaciliteit betaalde rente is niet aftrekbaar; deze rente moet derhalve buiten de levensloopregeling worden geadministreerd (mag de levenslooprekening niet verder negatief doen worden).

 

Artikel 61j. Opgebouwde voorziening bij het ingaan van het ouderdomspensioen

Voor de toepassing van artikel 19g, achtste lid, van de wet wordt het ouderdomspensioen van een werknemer geacht niet te zijn ingegaan indien het niet meer dan voor een deel is ingegaan.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) Op grond van artikel 19g, achtste lid, van de wet wordt de ingevolge een levensloopvoorziening opgebouwde voorziening op de dag voorafgaand aan de dag waarop de werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt, maar uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer. Na deze belastingheffing in box 1 gaat de aanspraak over naar box 3; de uitkeringen worden in dat geval niet meer belast in box 1.

Achtergrond van de bepaling dat de ingevolge een levensloopvoorziening opgebouwde voorziening uiterlijk op de dag voorafgaand aan het ingaan van het ouderdomspensioen wordt aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer is dat er in dat geval geen sprake meer kan zijn van extra verlof als bedoeld in artikel 19g van de wet. Dit geldt uiteraard niet als er sprake is van deeltijdpensioen. In dat geval blijft de dienstbetrekking immers deels in stand en blijft de mogelijkheid van verlof bestaan. Ten behoeve van de rechtszekerheid is in artikel 61j bepaald dat het ouderdomspensioen voor de toepassing van artikel 19g, achtste lid, van de wet wordt geacht niet te zijn ingegaan indien er slechts sprake is van deeltijdpensioen.

 

Artikel 61k. Aangewezen buitenlandse aanbieders

1. Als kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, onderdeel d, van de wet kan door de minister van Financiën worden aangewezen een kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die wettelijk bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten.

2. Alvorens tot een aanwijzing wordt overgegaan, dient de kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling zich tegenover de Minister van Financiën, onder door hem te stellen voorwaarden, te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling, deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling uitgevoerde levensloopregeling, bedoeld in artikel 19g van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van deze levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 61c, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 61d, vijfde lid of artikel 61da, vijfde lid. In afwijking van de eerste volzin behoeft een in een andere lidstaat van de Europese Unie of in IJsland of Noorwegen gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling jegens de ontvanger geen in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen indien deze kredietinstelling, deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling, onder door de minister van Financiën te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de in die volzin bedoelde belasting.

3. De aanwijzing kan eveneens plaatsvinden indien de in het tweede lid bedoelde zekerheid niet door de kredietinstelling, de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling maar door de werknemer of de gewezen werknemer wordt gesteld, waarbij deze tevens de mogelijkheid heeft zekerheid te stellen door middel van verpanding van de aanspraken ingevolge een levensloopregeling aan de ontvanger, mits de kredietinstelling, de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling instemt met deze verpanding.

4. De aanwijzing kan door de Minister van Financiën worden ingetrokken wanneer de kredietinstelling, de verzekeraar of de beheerder van een beleggingsinstelling niet meer aan de verplichtingen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen of het stellen van zekerheid voldoet of niet aan een juiste wijze van uitvoering van een verpanding of van de in het derde lid bedoelde overeenkomst inzake aansprakelijkheid meewerkt.

5. Indien de aanwijzing wordt ingetrokken, worden de aanspraken ingevolge een levensloopregeling niet op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de gerechtigden tot de aanspraken, indien de aanspraken onder door de Minister van Financiën te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling, een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling van een levensloopregeling die voldoet aan de in artikel 19g, vierde lid, van de wet gestelde voorwaarden.

6. De Minister van Financiën maakt het aanwijzen als een kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de Minister van Financiën een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

 

(WDB 2005/197M - Art.gew. toelichting) Op grond van artikel 19g, vierde lid, onderdeel c, van de wet, kunnen ook andere dan de in artikel 19g, vierde lid, onderdelen a en b, bedoelde lichamen onder voorwaarden als uitvoerder van de levensloopregeling worden aangewezen. Zoals uit het eerste lid van artikel 61k volgt kan als kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de wet, door de minister van Financiën worden aangewezen een kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar die op grond van de artikelen 111, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116, eerste lid, onderdelen a tot en met c, of derde lid, of 118, tweede of vijfde lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten. Om te kunnen worden aangewezen dient daarnaast te zijn voldaan aan de in het tweede en derde lid genoemde voorwaarden. Bij de formulering van deze voorwaarden is zoveel mogelijk aangesloten bij de voorwaarden die gelden voor de aanwijzing van een verzekeraar van een pensioen. Dat betekent dat de kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar zich tegenover de minister van Financiën, onder door hem te stellen voorwaarden, dient te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling of deze verzekeraar uitgevoerde levensloopregeling, bedoeld in artikel 19g van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 61c, vijfde lid onderscheidenlijk artikel 61d, vijfde lid. Het gaat daarbij uitsluitend om de situatie dat er geen andere inhoudingsplichtige kan worden aangewezen, zoals bij faillissement van de werkgever.

De hiervoor genoemde voorwaarde dat een in Nederland uitwinbare zekerheid moet worden gesteld, geldt niet voor een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde kredietinstelling of verzekeraar die, onder door de minister van Financiën te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de hiervoor genoemde belasting. Die aanvaarding van aansprakelijkheid houdt kort samengevat in dat die kredietinstelling of verzekeraar zich ertoe verplicht om in voorkomende situaties de gehele aansprakelijkheidschuld te voldoen. De in dat kader vereiste overeenkomst tussen de ontvanger en de kredietinstelling of verzekeraar dient onder meer een forum- en rechtskeuze te bevatten, inhoudende dat bij een geschil over die overeenkomst een Nederlandse rechter bevoegd is dit geschil te beslechten en dat op die overeenkomst het Nederlandse recht van toepassing is.

Indien niet langer aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan wordt de aanwijzing uiteraard ingetrokken. Dit is geregeld in het vierde lid. In het vijfde lid is geregeld wat er in dat geval gebeurt met de opgebouwde aanspraken. Hoofdregel is dat de aanspraken op het onmiddellijk aan de intrekking van de aanwijzing voorafgaande tijdstip wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de gerechtigden tot de aanspraken. Deze hoofdregel wordt op grond van het vijfde lid echter niet toegepast, indien de aanspraken onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling of een verzekeraar van een levensloopregeling die voldoet aan de in artikel 19g, vierde lid, van de wet gestelde voorwaarden.

(DDB2005/62M - Art.gew. toelichting) Op grond van artikel 19g, vierde lid, onderdeel d, van de wet, kunnen ook andere dan de in artikel 19g, vierde lid, onderdelen a, b en c, bedoelde lichamen onder voorwaarden als uitvoerder van de levensloopregeling worden aangewezen. Deze voorwaarden zijn nader uitgewerkt in artikel 61k. Naast de buitenlandse kredietinstellingen en verzekeraars zijn nu de buitenlandse beheerders van beleggingsinstellingen opgenomen.

Zoals uit het eerste lid van artikel 61k volgt kan als kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van de wet, door de minister van Financiën worden aangewezen een kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een belegginginstelling die wettelijk bevoegd is diensten naar Nederland te verrichten. Om te kunnen worden aangewezen dient daarnaast te zijn voldaan aan de in het tweede en derde lid genoemde voorwaarden. Bij de formulering van deze voorwaarden is zoveel mogelijk aangesloten bij de voorwaarden die gelden voor de aanwijzing van een verzekeraar van een pensioen. Dat betekent dat de kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling zich tegenover de minister van Financiën, onder door hem te stellen voorwaarden, dient te verplichten om met betrekking tot de aanspraken ingevolge een door deze kredietinstelling of deze verzekeraar of deze beheerder van een beleggingsinstelling uitgevoerde levensloopregeling, bedoeld in artikel 19g van de wet, inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van de levensloopregeling en jegens de ontvanger een in Nederland uitwinbare zekerheid te stellen voor de invordering van de belasting die mocht worden verschuldigd door toepassing van artikel 61c, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 61d, vijfde lid, of artikel 61da, vijfde lid. Het gaat daarbij uitsluitend om de situatie dat er geen andere inhoudingsplichtige kan worden aangewezen, zoals bij faillissement van de werkgever.

De hiervoor genoemde voorwaarde dat een in Nederland uitwinbare zekerheid moet worden gesteld, geldt niet voor een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling die, onder door de minister van Financiën te stellen voorwaarden, ingevolge een overeenkomst met de ontvanger aansprakelijkheid aanvaardt voor de hiervoor genoemde belasting. Die aanvaarding van aansprakelijkheid houdt kort samengevat in dat die kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling zich ertoe verplicht om in voorkomende situaties de gehele aansprakelijkheidschuld te voldoen. De in dat kader vereiste overeenkomst tussen de ontvanger en de kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling dient onder meer een forum- en rechtskeuze te bevatten, inhoudende dat bij een geschil over die overeenkomst een Nederlandse rechter bevoegd is dit geschil te beslechten en dat op die overeenkomst het Nederlandse recht van toepassing is.

Indien niet langer aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan wordt de aanwijzing uiteraard ingetrokken. Dit is geregeld in het vierde lid. In het vijfde lid is geregeld wat er in dat geval gebeurt met de opgebouwde aanspraken. Hoofdregel is dat de aanspraken op het onmiddellijk aan de intrekking van de aanwijzing voorafgaande tijdstip wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking van de werknemers of gewezen werknemers, dan wel indien een werknemer of gewezen werknemer is overleden, van de gerechtigden tot de aanspraken. Deze hoofdregel wordt op grond van het vijfde lid echter niet toegepast, indien de aanspraken onder door Onze Minister te stellen voorwaarden alsnog overgaan op een kredietinstelling, een verzekeraar of een beheerder van een beleggingsinstelling die voldoet aan de in artikel 19g, vierde lid, van de wet gestelde voorwaarden.

(DB2008/705 - Art.gew. toelichting) In artikel 61k, tweede, vierde en vijfde lid van de URLB 2001 worden enkele redactionele wijzigingen aangebracht.

In het nieuwe zesde lid van artikel 61k van de URLB 2001 is bepaald dat de aanwijzing van buitenlandse kredietinstellingen, verzekeraars of beheerders van beleggingsinstellingen als toegelaten instantie om een levensloopregeling uit te voeren, gepubliceerd wordt. Het voorschrift luidt dat de aanwijzing publiek bekend wordt gemaakt op een daartoe geschikte wijze. Publicatie zal kunnen plaatsvinden op de website van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl). De belastingplichtige te goeder trouw die een levensloopvoorziening wil onderbrengen bij een buitenlandse kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling, kan aan de publicatie het vertrouwen ontlenen dat de buitenlandse instelling kwalificeert als toegelaten aanbieder. Ook de intrekking van de aanwijzing zal op www.belastingdienst.nl of op andere wijze bekend worden gemaakt aan het publiek.

(DB 2009-735M - Art.gew. toelichting) Voor de toelichting op de wijziging van artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt verwezen naar de in artikel III, onderdeel J, opgenomen toelichting die mutatis mutandis eveneens geldt voor artikel 19g van de Wet LB 1964 juncto artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.

 

HOOFDSTUK 6. TARIEF (hoofdstuk III van de wet)

 

Artikel 62. Afwijkend loontijdvak bij werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam is

Ten aanzien van de werknemer die doorgaans op minder dan vijf dagen per week werkzaa